In Mysticum
IN
Dit “in Mysticum” is een eigengereide manier van spreken over mystiek, wat op zich al een paradox is, gezien iedereen het erover eens is dat er over mystiek niet gesproken kan worden. Alle woorden schieten immers te kort.
In zoverre mystieke ervaringen zouden bestaan, zijn de 64 korte teksten in dit boek een mogelijke synthese van hoe mystiek kan worden ervaren.
Het is een oprechte poging om, zonder de link met de traditie uit het oog te verliezen, op een moderne manier “iets” over het fenomeen mystiek te vertellen.
Met traditie wordt bijvoorbeeld de Tao-Te-Tjing van Lao-Tseu bedoeld. De eerste en tweede tekst van “in Mysticum” zijn haast letterlijke verwijzingen, en de geest van Lao-Tseu waart in feite verder doorheen het hele boek.
In zekere zin wil “in Mysticum” een soort van synthese zijn, een eclectische bundeling van waardevolle ideeën en mogelijkheden.
Mystiek richt zich naar de diepte, naar de kern, het gemeenschappelijke middelpunt en dus naar het wezenlijke.
In de huidige tijdgeest gebeurt veelal het omgekeerde. Men zoekt steun aan de oppervlakte, wendt zich naar de periferie, vestigt alle hoop op perceptie en communicatie, op het formuleren van waarden, normen, wetten en regels.
In een onrustige levenssfeer kan het zalvend zijn om het zachte geritsel van de onderstaande verzen op de achtergrond te horen weerklinken…
Bartje Bulteel
januari 2008
Rue Rahier 2
Oppagnes
www.bartjebulteel.be
Deel I
Over het wezenlijke.
1
Het wezenlijke waar men over praat,
dat is niet echt het wezenlijke.
De woorden die men ervoor gebruikt,
zijn slechts vluchtige klanken en geluiden.
Zonder al die woorden is het de kern van het universum,
met woorden zijn het de verschijnselen die men waarneemt.
Vandaar dat de ene de essentie dichtbij komt,
en dat de andere het uiterlijke ervan ziet.
Beiden zijn één en hetzelfde, welke naam men er ook aan heeft.
Dit hele Al is hèt punt der punten,
datgene waarover het wèl gaat.
Het is een zijnstoestand als het allerhoogst haalbare,
een middelpunt waarin alles zich afspeelt,
als in blauw en in wit en in zwart.
2
Als iemand op deze planeet het mooie ziet,
dan is daar direct ook het lelijke.
Als men het goedaardige opmerkt,
daarmee is ook het kwaadaardige verwekt.
Want het zichtbare en het onzichtbare brengen elkaar voort.
Uit het oerpunt (1) daalt het uitwaarts,
en is het de ingrond (2) van elke verandering.
Licht en donker vormen een eenheid, zoals dag en nacht.
Hoog en laag staan tegenover elkaar, zoals heer en dienaar.
Voor en na volgen elkaar op, zoals gisteren en morgen.
Voor alles is er een correcte tijd en een passende plaats.
Voor alles geldt dat alles verandert.
Ingrondelijk verandert er echter niets.
Ook al kan niemand de verandering ontkennen,
het is een enkeling die ziet wat zich erachter bevindt.
Daarom zal men in het onverschillige staan.
Daarom spreekt men in zwijgen.
Alles wat op zich afkomt neemt men aan.
Men breidt de wereld uit maar ziet het niet als eigendom.
Men doet van alles zonder dat men erop steunt,
en men wordt geëerd zonder dat men zich aan de roem hecht.
Omdat men nergens op steunt en niet is gehecht,
verkrijgt men wat men nodig heeft, vanzelf.
3
De eigen aard van elk deel van het bestaan,
dat is de schijnbare verandering.
Het is de eigen-aardigheid van alle bestaan.
Er gaapt geen kloof tussen het afzonderlijke en het algemene.
Omdat alle bestaan tegengesteld verandert,
is alle bestaan ook één in rust verkerend geheel.
Omdat het symmetrisch beweegt,
verandert in feite helemaal niets.
Het heeft geen zin om te zoeken erbuiten,
want in elkeen, en in elk fenomeen, is het aanwezig.
Men kan dus beter in de wereld dit ervaren,
in alle moeilijkheden, in alle veranderingen en in alle gevaren,
Daarom ook neemt men alles beter gewoon blijmoedig aan.
-Of niet.
4
Tussen “these” en “antithese” danst de energie,
is er de creatie van al het levende;
beweging, dynamiek en verandering.
Waar is datgene wat niet door licht en donker kan worden verklaart?
Waar bevindt men zich tussen het niet-hoge en het niet-lage?
Wat als niets ervoor komt en niets daarna?
Wat is deze uiterste rest in de diepte?
Wat is op de achtergrond
ondoorgrondelijk werkzaam en altijd aanwezig?
Daarom: de dingen zijn wat ze zijn.
Het is de totaliteit van wat er is.
Het is dat ene wezenlijke punt van belang.
Ik neem het tot mijn richtsnoer,
zonder dat ik ook maar iets of iemand volg.
5
Al de onderdelen zijn op zichzelf weer eenheden,
en in elk deel bevindt zich het geheel.
Elke verdere uitdeining is als een terugkerende inkrimping.
Is dit niet een symmetrie in zwart?
Ingrond is ijl en duister diep.
Niets kan het niets vol maken.
Het lijkt op het oerbegin van alles.
Het allerkleinste puntige speldenkopje mindert in verfijning,
vermindert aan energie, aan kracht en aan warmte.
Het licht op en dooft stilaan uit, doorheen de eeuwen.
Het zet zich om in materie, vormen en lichamen.
Zie, als men er van ver naar kijkt, hoe stil het werkzaam is.
Ik weet niet wat voor kracht dit is.
Alleen is het er altijd al geweest,
en het kan ook nooit verdwijnen;
golven van licht, lucht en water,
zich inperkend door voortdurende uitbreiding.
Gewoon maar wachten,
in dat éne moment dat alle andere omvat.
Is dat niet prachtig?
6
Alles in de ingrond is als ingrond.
Er bestaat niet iets dat geen ingrond is.
Het is én het is niet.
Men speelt in de fanfare een eigen lied.
Het lijkt op een strijd onder volkeren.
Men zoekt een weg maar er is niets dat beweegt.
Hoe kan men bewegingloos een weg begaan?
7
In de volledige ingrond is er totale rust.
Men hoeft niet een leven lang te hopen.
De ingrond ziet hoe, uit haar, alle wezens ontstaan
en weer tot haar terugkeren.
Als de dingen bloeien en een hoogtepunt bereiken,
keren zij tot hun kiem en oorsprong terug.
Eenheid, versplintering, en weer eenheid.
Tot de oorsprong terugkeren, dat is echt wel rust vinden.
Rust vinden betekent dat men tot de bestemming terugkeert.
Terugkeer tot de bestemming is dat men zich richt
op het eeuwige en op het oneindige.
Zich verbonden weten met het eeuwige is een verdwijnen,
en verdwijnen, dat is verlichting.
Het zich niet op het oneindige betrokken weten, dat is ellendig.
De verlichte mens is koninklijk en wie koninklijk is,
die is hemels, helder, heerlijk, heilig, heel.
Wie in het hemelse rijk is noemt men “eeuwig levend”.
Zo iemand kan op geen enkele manier sterven,
of ook maar iets verliezen; geen lichaam, geen geest.
In de ingrond is er niets. Ingrond is als leegte en wind.
Als er niets is, wat valt er dan te verliezen?
8
Het universum kent geen voor- of afkeur.
Voor ingrond is alles van voorbijgaande aard, als wegwerpluiers.
Daarom is het beter dat men geen voorliefde heeft voor iets.
Men kan zich beter niet met te veel mensen inlaten.
De kosmos lijkt op één groot hart,
op en neergaand, inkrimpend en uitdeinend.
Het is lege ingrond en toch onuitputtelijk vol;
het beweegt en is toch absoluut stil.
Al dat onnozel geklets en gezever put alleen maar uit.
Het is veel beter om zwijgzaam te zijn.
En alleen.
Enkel een enkeling.
9
Geef mij het “zelf”.
Toon mij het “ik” en leg het voor mij neer.
Ook al snijdt men zich in duizend stukken,
men vindt er niets dan ingrond, dan het zuivere niets.
Het “ik” is een gedachte, een overtuiging, een idee.
Maar het denken is nooit stil,
want denken is alleen maar bewegen.
Als de gedachten ophouden te bewegen,
dan stopt het “ik”, dat nergens kan worden gevonden.
Wat houdt er dan op?
Het denken is nooit stil, nooit nieuw en nooit vrij.
Ingrond is altijd stil, nieuw en vrij.
Omdat ingrond dat is, is het alles.
In het denken is er altijd strijd,
daarom is het denken ook geen liefde.
Als dit alles geen liefde is, wat is liefde dan wel?
10
De geest van ingrond is on-persoonlijk.
Het is on-sterfelijk en on-eindig.
Deze geest is een on-ding.
Men noemt het wel eens de moeder van het heel-al.
Ingrond is middelpunt én omtrek;
het oerpunt van sterren en planeten.
Eeuwig schijnt het te bestaan,
tijdloos en ruimteloos,
en toch draagt het ruimte en tijd in zich,
en baart en doodt tegelijk.
Het werkt zonder enige inspanning.
Daarom: niets moet worden gedaan.
Omdat alles al is.
11
De zaadcel zit gevangen in de eicel,
zo gebonden is het zelf aan de wording.
De zelf-wording is het zelf-verlies.
Men wil “wat is” veranderen in “wat zou moeten”.
Men meent een heiland te vinden, een rabbi of heer?
Men zoekt redeloos troost in een god, leraar of leer?
Men leeft het leven van een ander,
weeft de woorden van een oud en versleten document.
Men vertoeft in een mythische wereld,
met dramatische verhalen,
die men zelf heeft gesponnen en daarbij zelf nog gelooft.
Daarom zal een wijs iemand niet in verzet treden.
en laat de dingen zijn voor wat ze zijn.
Men laat los en wordt aldus losgelaten.
12
Soms lijkt het of alles tegenstaat.
Hoe groter het “zelf”, hoe zwaarder de last.
Maar als er geen “zelf” is, wat kan dan verloren zijn gegaan?
Welke last dient dan te worden gedragen?
Wie is er nog als er niemand is?
Waar dan naartoe?
Hoe moet het nu verder?
Waarom al dat gedoe?
Iemand kijkt, maar wie?
13
Uitgemergelde lichamen prijzen waren aan
waar anderen dan weer vetzucht van krijgen.
Anderen wijzen naar de vele wereldse gevaren.
Maar er zijn er ook die zich gedragen weten,
omdat men zich laat drijven, stromen, waaien.
Het is een woordloze leer, een zwijgende taal.
Het is onvoorwaardelijk, onpersoonlijk en onzijdig.
Geen profeten, goeroes, priesters en geleerden.
Hoe kan men dan in vrede zijn met elkaar?
Zonder oordeel, zonder beeld en zonder verhaal?
Gewoon daar maar zitten; meer moet dat niet zijn.
14
De grootste rijkdom is de waardigheid.
Het sterkste wapen is het vertrouwen.
Het verste streven is het loslaten.
De klaarheid van geest kan men zien aan hoe men vergeeft.
Het meest perfecte oordeel is het oordeelloze.
De wijze mens is vriendelijk, tolerant, mededogend en present.
Hij is -en hij is (er) niet.
15
Vele ambities hebben en weinig kunnen.
Streven naar morgen en vandaag verwaarlozen.
Zichzelf zien als slachtoffer van de wereld.
Zeuren en zaniken over hoe het zou moeten zijn.
Allemaal zaken waar men zich best verre van houdt.
Liever is men achter de schermen bezig.
Liever laat men de roem aan anderen.
Liever kijkt men met aandacht naar de chaos in zichzelf;
naar de wrok, minachting, angst, woede en het verlangen;
naar de vele gewoontes en de gekke gebaren.
Tot de dageraad aanbreekt en er orde verschijnt.
De zon in het oosten, zoals bij een soort van ochtendgloren.
16
Hoe dichter men de ingrond nadert,
hoe minder men er over zeggen kan.
Hoe minder men er over zeggen kan,
des te minder men er van weet.
Wie er helemaal niets van afweet,
die zal er cynisch om moeten lachen.
De ingrond is de uiterste paradox,
het is “het alles” en “het niets”.
Als men met een vogel praat,
en men meent dat het ingrond is,
dan heeft men het verkeerd voor.
Men lijkt wel gek.
Als men meent dat het niet de ingrond is,
met wie men praat, dan heeft men het ook verkeerd voor.
Met wie praat men dan?
Men praat met ingrond én men praat er niet mee.
Als men echter al praat, dan is men niet stil,
maar ingrond is ook stilte.
Het is moeilijk om met ingrond in contact te treden.
Nochtans kan men het bestaan ervan niet ontkennen
noch de uitwerking op hoe men leeft.
Men kan aldus beter zwijgen over ingrond
en het enkel hebben over zijn uitwerking:
dansen, zingen, lachen, genieten en verwonderen.
17
Ook al blijft men thuis,
toch kent men de wereld.
Ook al bestudeert men de sterren niet,
het heelal is geen vreemde zaak.
Hoe meer men uithuizig is,
des te minder men begrijpt.
Daarom: een wijs iemand blijft stil, en kent het toch;
studeert niet, maar snapt het toch;
laat begaan, en is toch meester van de tijd.
Overal is men thuis, nergens is de bestemming.
Zij gaan waar de wind hen brengen.
18
Stel dat een regendruppel uit de hemel valt
en denkt: ik kies er voor om te vallen.
Stel dat een moeder een kind baart
en denkt: ik kies er voor om te baren.
Stel dat een dief iets wegneemt
en denkt: ik kies ervoor om te stelen.
Stel dat een moordenaar iemand doodt
en denkt: ik kies er voor om te doden.
Zolang water stijgt, zal het ook moeten dalen.
Zolang er sterven is, worden er ook geboren.
Zolang er zijn die weggeven, zolang wordt ook gestolen.
Zolang er zijn die levens redden,
zolang zullen er ook zijn die het verwoesten.
19
Als ze zo bezig zijn met politiek en economie;
als ze zich laten verleiden door kunst en cultuur;
als ze zich verdiepen in techniek en wetenschap;
wie houdt zich dan nog bezig met de achtergrond?
Waarom is er ziekte, ouderdom, ellende en dood?
Geen profeet, boek of godheid zal het begrijpen.
Aan geen van hen moet men zich onderwerpen.
Hoe kan men zich bevrijden van al die slavernij?
Hoe kan men, in de ingrond,
het indoorgrondelijke bevatten?
Geen enkel boek biedt deze rust,
want alle woorden, hoe mooi ook,
zijn smog voor de geest.
20
Welke richtlijnen moet men dan volgen?
Wat is juist, en wat goed?
Wat is er fout en wat is slecht?
Dat de regen nat is en de zon ons verlicht;
eenvoudigweg het juiste zien?
Doe enkel wat je zelf wilt worden aangedaan.
En voor de rest;
niets volgen,
niemand vereren,
de eigen rol spelen. Vervullen!
En men houdt zich stil,
men laat begaan,
anders wordt het erger.
En men trekt zich terug.
Hoe zou dat fout kunnen gaan?
21
Het kleine leven nestelt zich
in het grote leven,
in het ene organische geheel.
Het ingrondelijke openbaart zich
in elk moment en op elk punt.
In het onveranderlijke tijdloze zijn;
al die schijnbare bewegingen,
als een spel van oorzaak en gevolg,
als van een begin naar een eind.
In ingrond is noch sprake van ervaring
noch van enige wetten noch van een ik.
Als microscopische cellen in het macrokosmisch weefsel.
Eraan verankerd, er in ademend, erdoor bedacht.
Er zijn er die er op betrokken zijn,
en er zijn er die er niets mee te maken willen hebben.
Daar ligt het verschil.
De ene bijt door, de andere geeft op.
22
Bekoorlijk en mooi.
Men kan er op vertrouwen.
In een keuzeloze kosmos,
kan er een denken zijn,
die zich als vrij ervaart,
dat is niet ondenkbaar.
Maar elke keuze, hoe vrij ook,
is geheel noodwendig.
Heel dwingend, als een drift.
Omdat er niets te kiezen valt,
is men absoluut vrij.
23
Het denken is altijd een soort van ik-denken,
daarom is het niet eensgezind,
en is het niet het wezenlijke denken.
Daarom ziet men versnippering, gespletenheid, versplintering.
Daarom is er voorkeur en afkeer, haat en liefde,
het ene en het andere, een “zus” en een “zo”.
Maar alle denken is slechts een geloven, een aanname, en leeg.
Elke gedachte is een conditie of een voorwaarde,
een spel van neuronen en synapsen.
Wat nu als waarheid geldt is morgen weer leugen.
Méér is er niet.
In de winter stopt het gras met groeien.
Op een zekere hoogte in de bergen staan geen bomen.
Als de zon helder schijnt, dan droogt de aarde.
Wat denkt u dat de natuur hierover denkt?
Als het ik-denken zich terugtrekt, wat dan…
Zie maar…
Wat is er dan?
24
Wat moet de natuur doen, als alles al gedaan wordt?
Juist gedragen kan niets anders zijn dan verdragen.
Waarom?
Ingrond is de oorzaak én de basis,
en ook het gevolg en de vrucht.
Wie wordt er door wie gedragen?
Daarom: het is de ingrond zelf.
Is er iets anders dan dat?
Keer om. Dat is pas verdergaan.
Geef op. Dat is pas bezitten.
Laat los. Dat is pas vasthouden.
Vergeet het. Dat is pas onthouden.
25
Over alles moet men nu een mening hebben.
Hoe minder men ervan afweet,
des te meer wil men er over kwijt.
Er zijn er ook die zich terugtrekken,
Die zich afsluiten voor de vele prikkels,
die niet “scherp” willen staan,
geen werken opzoeken en geen specifieke ambities hebben.
Men laat zijn geest niet kristalliseren tot een voorwerp.
Men rust in de vrede van de bestemming.
Men is één met het Grote Lichaam dat vol van leegte is.
Omdat men geen last heeft van zichzelf,
heeft ook niemand anders last van hen.
In de onschuld schuilt de meester.
Dit is het lot: zuiver, oprecht en correct.
Als men de houten of stenen vloer schrobt,
verandert die dan ooit in zilver of in goud?
26
Ingrond is rein, onbegrijpelijk, ongrijpbaar,
als lucht en als de wind.
Het is de kiem van alle bestaan.
Hoe weet ik dat zo zeker?
Door ingrond zelf.
Kernkracht is de uiterlijke verschijning.
Kernkracht houdt al de beelden in,
weerkaatst ze
en spiegelt zich aan zichzelf.
Kernkracht is soms als libido, een verzet tegen de tijd.
Ook al is de natuurlijke weg dat alles vervalt en sterft,
men is er niet weemoedig om,
noch is men treurig of hoopvol.
Betracht de kernkracht.
Doe aan kernkracht.
Geniet van kernkracht.
In de kiem kan men het smoren,
ook al wordt er schijnbaar niets gedaan.
Wat een wonder.
Neem er een voorbeeld aan.
Noem het pracht.
27
Sta stil, kijk ernaar en zeg: hoe kan ik aan niet-doen doen?
Een echtscheiding start bij de eerste ontmoeting.
Het verlies van een voorwerp begint bij de aanschaf.
Sterven start vanaf de geboorte.
Behandel de dingen voordat zij er zijn.
De schatten zijn toewijding en mededogen.
Elk moment is de start van een hele kosmos.
Mijn geliefden, ik laat hen varen,
ver weg, vrij en ongebonden.
Des te nader komen zij bij mij.
Steun op de liefdevolle onverschilligheid.
Ach, laat ik het ene, daar is het andere.
Doe ik “dit”, dan verschijnt “dat”.
Mocht ik het doen nu eens laken?
28
Terugkeren tot de oorsprong is eeuwig te bestaan.
Het eeuwige bestaan is het verlichte bestaan.
Is er iets anders dan dit soort leven?
Dan licht? Dan wat in de grond bestaat?
Ingrond: onpersoonlijk, oneindig en leeg.
Elke rimpeling ervan is een afspiegeling, een string.
Bewustzijnsveld: ingrond dat naar ingrond kijkt.
Ruimtetijdveld: alles op een juiste tijd en op een juiste plaats.
Die eenvoud te erkennen, de oorsprong ervan te bewaren,
om de begeertes erin te lachen en de ik-activiteit te doorzien.
Dan bespeelt elke enkeling de juiste snaar,
echt, verder gaat het niet.
Wat blijft is een luidruchtig zwijgen.
Of het Al in jou?
Wat kan een mens nog meer verlangen?
29
Aandacht verandert het aanschouwde,
en dus ook de kijker.
Wie niet kijkt is een blinde.
Dus men zit vast.
Zo is men tegelijk blind en lam.
Maar hoe ver gaan blinden en lammen?
Er zitten kikkers in de put.
Zij zien de hoge aarden muren.
Niemand richt zijn aandacht naar het licht daarboven.
Maar als er geen aandacht is, wat is er dan?
30
Men kijkt met vuur, in een zicht van eeuwigheid (3),
Men is gevoelig, maar emotieloos.
Het onderricht is het “zijn zelf”, of het “zelf zijn”.
Elke dag gemakkelijk veranderen en eenvoudig tevreden.
Men laat “de offerlepel en de kelk niet vallen” (4),
ook al woedt het leven in alle hevigheid.
Er valt niets anders te verwachten.
Als de zon niet opkomt,
en de sterren door wolken verborgen zijn,
is er dan licht?
Als men de maan niet ziet, is er dan eb en vloed?
En wat als men het “ik” niet vindt?
Wie leeft er dan wat jij beleeft?
Zon, maan, sterren en jij;
in de grond is het ingrond, in Mysticum.
Deel II
Over alles wat er in bestaat.
31
Alles wat er in bestaat, is universum.
Is er iets anders? Iets dat geen heelal is?
Het Wezen kan slechts één blijven
als het, op hetzelfde moment, ook twee is;
liefde en haat; rijk en arm; stof en geest.
Daarom: in het symmetrisch wezenlijke
heeft de waarnemer, op elke plaats, steeds hetzelfde zicht.
Elk punt, elke lijn, elk vlak, elke gedachte, woord en daad,
alles heeft zijn tegendeel, ergens, hier en/of daar.
Dit heet spiegelen, liefde, mededogen en geborgen zijn.
Dit is de inwerking van het ingrondelijke.
Dit is de natuurlijke aard, het als een vanzelf zo zijn,
en, zoals men het soms noemt; een open geheim.
32
In het heelalwezen zijn symmetrie en asymmetrie,
zelfs dàt, even symmetrisch verspreidt.
Van alles ontstaat er, ergens anders, zijn tegendeel;
direct, correct, dwingend en volmaakt volledig.
Indien dit niet zo zou zijn, is het Ene dan nog wel het Ene?
Wat kosmos heet, zou dan alleen wat chaos zijn.
Daarom: toont zich de aantrekking, daar is het afstotelijke.
Toont zich het leven, daar is de dood.
Is er jeugd, dan ook onmiddellijk de ouderdom.
Honderd stappen naar links, dat zijn er honderd naar rechts.
Om die reden is alles zoals het is, voor altijd zo,
eeuwig en duurzaam, als de zon die opkomt en ondergaat,
of als zwaartekracht, en als droefenis na het genot.
33
Onrust, bezorgdheid en angst;
kennis, weelde en welwillendheid;
wat maakt het uit?
Het is al goed, en juist.
Doet zich het ene voor, men trekt zich terug.
Vertoont zich het andere, men deelt het uit.
Men wint altijd in een spel van verliezers.
Tijdloos, bewegingloos en één.
Het is het Enige en het Al.
Er valt niets aan toe te voegen
noch kan men er iets van afnemen.
Het is gewoon wat het is.
Als een godheid kan bestaan,
dan is het Die.
Of Dàt. Of Beiden.
Is dat geen feestje waard?
34
Te weinig wordt eensklaps heel veel,
een zijweg plotseling de enige weg.
Eens verouderd is het later nieuw.
Daarom zal een wijs iemand zich aan ingrond houden,
het als voorbeeld nemen voor zichzelf:
men verbergt zich, en daarom zien zij hen;
men is nederig, en daarom heel hoog;
men is zacht en zwak, en toch kijkt men naar hen op.
Wat spiritueel is, kan men niet organiseren.
Men moet er geen oefeningen voor doen,
noch moet men vasten, bidden, offeren.
Er zijn geen meesters, leraars of ingewijden.
Er is geen systeem, en geen identiteit.
Het kent geen ordes, dogma’s, wetten of rituelen.
Het komt erop aan dat men aanneemt;
geluk én lijden, leven én dood.
Men doet het ene, en laat het andere,
alsof er niet iemand is, niet een ergens en niet een ooit.
35
In oorsprong dat ene kleine Punt;
hoe stil, volmaakt, ijl en leeg!
Het is het enige bestaande, en het verandert niet.
Het is overal en altijd, zuiver en oprecht.
Het is de moeder van de wereld.
Naamloos, maar ik noem het ingrond.
Omdat ik er over spreken wil, noem ik het volledig.
De mens richt zich naar deze natuurwet;
de natuurwet naar de sterren;
de sterren naar ingrond;
en ingrond is vanzelf zo, spontaan zichzelf.
Dus wie ben jij?
36
Er bestaan geen uitverkorenen.
Er is geen zekerheid.
Verlaat elke vorm van identiteit.
Verduistering is de wortel van het licht.
Onrust is het fundament voor kalmte.
Rust is de meester van de verandering.
Men vindt geen greep op het begrijpen;
het kan onmogelijk worden vastgehouden.
Het vliedt, gaat heen en keert weer.
Sommigen gaan ten onder aan het intellect.
Anderen zien religie als in iets geloven.
Geloven, dat is aannemen dat er iets is,
of soms ook aannemen dat er iets niet is.
Ingrond is zowel een “iets” als een “niets”.
Daarom: elk geloof, en elk ongeloof,
is steeds, in de grond, ingrondelijk.
Trekt u er zich maar niets van aan;
eet, drink, vrij, werk en slaap;
leer, wandel, sta, lig en sterf.
Telkens als de tijd erom vraagt.
37
De vrije mens is de liefdesmens;
men sluit absoluut niets of niemand uit.
De liefdesmens omarmt de tijd,
als was het zijn vrouw en kinderen.
Hoewel tijd voor sommigen enkel een denken is.
Dat soort denken is niet de echte tijd.
Echte tijd omvat alles,
en wat zich ontvouwt, is altijd al geweest.
Soms probeert men het denken stil te leggen.
Kan het denken worden stilgelegd?
Als denken een bewegen is,
hoe kan beweging zich dan stilhouden?
Als het stil is, dan is dit denken geen denken meer.
Ik kan het beter loslaten, en het denken laten denken zijn;
mij richten op het heelal, in een licht van eeuwigheid.
Wie door een deurspleet kijkt, ziet niet het geheel,
maar altijd, en slechts, één onderdeel.
Als ingrond het wezenlijke is, de essentie,
waarover valt dan nog te denken?
Wat zijn zorgen, leed en pijn?
Wat is succes, vreugde en geluk?
Druppels regen, zandkorrels in een woestijn.
Men wentelt zich niet in het verdriet.
Keert om, ga heen, en zie het licht.
Dan is het, alsof men, overal en altijd, woont
in een kosmische schoot, in een thuisloze thuis.
38
De zin van dit alles is vrij te zijn van een doel,
want het doel is in zichzelf.
Dit is geen bidden,
daar bidden ingrond is dat roept naar ingrond.
Het is als een heilige oven; men moet er niet aan werken.
Er aan werken is kapotmaken,
het willen begrijpen is het verliezen.
Want er zijn er die leiden, anderen die volgen.
Sommigen zijn gezond, anderen ziek.
Er zijn er die dik zijn, anderen mager.
Sommigen slagen, anderen gaan failliet.
Daarom zal de wijze mens elk uiterste vermijden.
En wie er zo naar kijkt, is dat geen moedig mens misschien?
39
Na elk hoogtepunt volgt de omslag.
Na de hoogste bloei wordt het oud.
Soms slaat de genade genadeloos toe.
Grote kernkracht. Oerbron.
Het is de diepste laag van al het wezenlijke?
Het is sterker dan het lot,
en sterker dan alles wat ons treft van buitenaf.
Daarom: men draagt het bereidwillig en blijmoedig.
Hindernis na hindernis, rots na rots,
en ook op de top;
kijkt men niet meer achterom;
daar woedt het in alle hevigheid.
Men lacht, als een koning zonder rijk;
als een kind dat zingt, speelt en er zich tegenaan vlijt.
40
Allen steunen erop, maar weten dat niet.
Het weigert niemand, niets.
Het schept de prachtigste dingen,
maar ziet het niet als bezit.
Het bemint alles en iedereen,
maar ziet zichzelf niet als liefdevol.
Het is voor altijd zonder wil, en zonder begeerte.
Men noemt het leeg, gering, onzichtbaar.
Alles en iedereen keert ernaar terug, maar men weet dat niet.
Men kan het noemen: iets groots, oneindig, voor altijd.
Daarom zal een wijs iemand zichzelf niet groot achten.
Geluk is hoe men kijkt, en niet naar wat.
Daarom brandt het hout,
en houdt zo het vuur gaande.
Het verankert zich, in elkeen zijn taak,
als kernkracht, als warmte en licht,
als dat wat leven aan het leven geeft;
onbevangen, vrij, gordelloos, ontdaan.
Hoe?
Door adem.
Terwijl, ergens anders,
ademloos.
Het is die ene ademzucht
in dat ene ademloze gezicht.
41
Wie liefde wil krijgen, kan beter liefde zijn.
Wat klein is, was eerst groot.
Wat verzwakt, was ooit sterk.
Wat omvalt, stond eerst recht.
Wat men verliest, had men net nog in bezit.
Dit is misschien gemakkelijk te begrijpen,
en toch is het hard om het te aanvaarden.
Een vis moet het water niet verlaten.
Het is eeuwig stil in zijn activiteit,
hoewel er niets bestaat, dat er niet door wordt bewogen.
Het doet niets en toch wordt alles erdoor gedaan.
Als velen dit zouden begrijpen, dan ging alles vanzelf.
Dan kwam de wereld zomaar tot vrede, orde, en tot rust,
een “rust in vrede”.
Zoals altijd.
42
Elke gedachte die boven het nu uitgaat,
is oorzaak van verdriet, en doet pijn.
Als we het willen uitroeien, vermijden, ontlopen,
dan raakt het ons des te meer, of groeit het aan,
want alles past perfect in zijn ordentelijke eeuwigheid.
Vrij zijn is een zaak van zien.
Geheimzinnig lijkt het;
een baken, een licht van leven.
Zowel wat veraf is als van dichtbij;
men kan het niet dwingen en men kan het niet bevatten.
Als we zelf in orde zijn, dan is het heelal in orde.
In orde zijn, dat is te zien, en zien, dat is vreugde.
Het is allemaal ingrond als ingrond.
Er is geen vermindering, noch is er vermeerdering.
Er zijn geen prijzen te winnen.
Het is altijd al zo, dat het enkel dit is geweest.
43
Een doorbraak is er vaak. Het is raar.
Het is zonder einde. Maar er is ook geen begin.
Nooit is het af. Nu is het altijd.
Werkzaam is het in alle wezens.
Altijd is het erg dichtbij.
Het is geen bezit, want het is van iedereen.
Zo eenvoudig waar gewoon.
Het is “het” dat gadeslaat;
dat kijkt, waarneemt, observeert, concludeert.
Alle dingen, lief en leed, rusten er in.
Het is geen geloof, maar weten.
Het is er echt present, een aanwezigheid.
Het kan niet worden bewaard,
niet worden vastgehouden of opgeslagen.
En ook al kan men het niet hebben,
toch is het dat enige en echte bezit.
Helemaal omvat het alles.
Wat daarna komt ligt erin gebeiteld.
Als men het is, hoeft al de rest niet meer,
zoals wanneer er iemand sterft,
en het verdriet ons de wijsheid geeft,
dat alles er verder nog weinig toe doet.
Zo is het, daarin te zijn,
alsof één groot oog,
alles aanziet,
alles aanneemt,
en zich rustig sluit.
44
Een individu of een groep,
de problemen blijven dezelfde.
Er valt gewoon niets te doen.
We moeten nergens naartoe.
Het is prima zoals het is.
Dit is het paradijs waarvan we dromen,
en we zitten er midden in.
Voor zo ver er een ego is, moet men het doden.
Maar omdat het ego een illusie is, valt er niets te doden.
Wat er gebeurt, in de grond, dat is het spel.
Ingrond is als een orakel, als de taal van de genade.
Werkelijkheid en ingrond vallen samen.
Alles is dus ingrondstaal.
Behalve ingrond, is er niets, en zelfs dat is nog ingrond.
45
Het verzamelt alles in zich.
Het braakt uit en neemt terug.
Het is als één grote baarmoeder, een zak, een oven.
De werking ervan is autonoom, onafhankelijk van elke wil.
Het is niet omdat men er zich niet van bewust is,
dat het niet zou werken of er niet zijn.
Het leeft in ons,
is ons, ademt ons,
denkt ons.
Wat is het probleem?
46
Men concentreert zich op de vis en te weinig op het water,
alsof een vis kan leven zonder water.
Er is geen verschil tussen het ene punt en het andere punt.
Alles is middelpunt.
Wat trager is dan de snelheid van licht,
dat verdwijnt in het verschijnsel tijd,
en het lijkt of er zich iets in beweegt,
van hier naar daar,
maar in werkelijkheid is alles in perfect evenwicht;
geruisloos, bewegingsloos en stil.
Wat links beweegt, beweegt simultaan naar rechts,
zodat er geen beweging is.
Voorwaarts is achterwaarts.
Arm is rijk.
Sterk is zwak.
Gezond is ziek.
Slim is dom.
Wat sneller is dan licht, dat keert terug.
Terugkeren is in de bestemming zijn.
De bestemming is het eeuwige nu,
Dàt Ene Punt.
47
In benauwenis vreest men het leven.
Men kan het niet ontvluchten.
In de grond kan men er niet aan ontsnappen.
Ingrond laat niets in de steek,
ruimteloos deint het uit als niets.
In feite is het een zegen, en geen vloek.
In wezen is het fortuinlijk, en geen verlies.
Geen doel, geen plicht en geen zorg.
Men hoeft enkel wat te spelen.
Wat is daar nu moeilijk aan?
48
Hoe meer men er van neemt, hoe meer er bij komt.
Er is angst en durf, eenzaam en samen;
verveling en drukte, stress en rust;
vol en leeg, verslaafd en bevrijd.
Een nieuwe lichting hogepriesters voert het woord;
techneuten, jurifisten, therapeuten en journalisten.
Als men iets doet, dan is het niet goed.
Als men niets doet, is het ook niet goed.
Opgeblazen, ijdel, vals en fake gepraat.
Ach, een beetje tijdverdrijf, waarom niet?
De finaliteit is het bestaan zelf.
Schepping is fictie.
Alles is al.
Waarom zit men niet stil?
Waarom put men het uit?
Lucht, water, vuur en aarde.
49
Ongedurig en onrustig zoekt men naar wat al is.
Een blinde wil de lamme leiden.
Waar gaat dit naartoe?
Elke gebeurtenis is een voorspelling,
elke weg een lus van ingrond.
Soms is er de heksenslaap of een hoogtepunt.
In de ochtend hoort men de vogels zingen.
Kijk, er valt zelfs een eikenblad van de kerselaar.
Hoe is dat nu mogelijk?
50
Men zoekt hulp, troost, duiding, antwoord en inzicht.
Maar hoe kan men vluchten in een bewegingloze toestand?
Men hoort de stem niet, en ook niet zijn echo.
Men slaapt en is bang.
Het is het licht zelf,
dus tijdloos, in een diepe duistere stilte.
Als wij in de ingrond kunnen kijken,
valt alle lijden onmiddellijk weg.
Er in lijkt het eerst of er iets beweegt,
maar de ene helft heft de andere weer op.
Ingrond zelf is absoluut bewegingsloos.
Op het moment dat men tegen de bal schopt,
is de ruit in feite al gebroken.
Alle liefde is eigenliefde;
het is ingrond die ingond bemint.
51
De oorsprong is overal.
Het is steeds bij je.
Het leeft in je.
Kernkracht in elk atoom, elektron, neutron.
Nergens is het, en toch overal.
Het spreekt terwijl het zwijgt,
en kijkt terwijl het afwezig lijkt.
Wees bereid.
Omarm de werkelijkheid.
52
Sommigen bedriegen, huichelen en liegen.
Wat men respect noemt is een laagje vernis,
want het hout van de bomen, in de kern, is rot en week.
Men zegt: uit het oosten komen veel gevaarlijke volkeren;
in het noorden verwacht men, na het ijs, het methaan;
zuidwaarts liggen de dorre woestijnen; droog en doods;
en uit het westen komen de grote vloedgolven eraan.
Moet men tussen al deze gevaren niet voorzichtig zijn?
Ga maar zitten, om te kijken, en in het oerpunt;
ademen, loslaten, erin gaan wonen, en er gerust op zijn.
53
Men kan er zelf de zin aan geven.
Stressvol? Ziekmakend? Zot?
Er is geen god, en geen gebod.
Wat een gebazel, onnozelheid, een dwaas geraas.
Het is gelaagd, gelijnd en gelusd;
dus ga meedeinen op die kolkende gedweeheid;
meestal ongewild en ongekozen.
Zo loopt elk feit nooit zichzelf voorbij.
Het zit ingevroren, hier, voel maar, dicht en nabij.
54
Als er iets gebeurt,
maar niet zou moeten gebeuren,
waarom gebeurt het dan?
Sommigen zeggen: “ik ben vrij, want ik doe wat ik wil”.
Maar is het willen zelf wel vrij?
Ik kan, als ik wil, de minnaar van mijn vrouw gaan doden.
Ik kan naar de bioscoop gaan, en daarna mij bezatten.
Of ik kan, wie weet,
de eerste de beste een slag in het gezicht verkopen.
Ik kan huilen, mocht ik willen, of daveren van woede en verdriet.
Maar wat ik uiteindelijk doe,
is in het restaurant lekker gaan eten, het haar vergeven,
en ’s avonds laat, de kinderen een veilige nachtrust toewensen.
Niets van alles wat ik had gewild heb ik gedaan.
En het is gewoon louter vanzelf zo gegaan.
55
Het ligt voor ieder zijn neus te grijpen,
maar men ziet het niet, en weigert,
of liever, men gelooft in het eigen kunnen,
en het eigen zeer.
Elk moment is een hoogtepunt.
Er is geen andere tijd dan die van weleer.
Er is geen andere kracht dan kernkracht.
Zie het één, en daar is het ander,
steeds weer, van hier tot daar, van nu tot dan.
Wees blij zoals de zon, als zij aan de zenit staat.
56
Altijd in de rust is er het bewegen;
in de stilte ligt het geluid geweven;
in de leegte woont al de volheid al.
We zwerven van trilling naar trilling
en niemand geraakt er uit.
Dat is thuis komen in het nergens wonen.
57
Sommige mensen klinken als een eendagslied,
dat men zo weer is vergeten,
alsof hun geluid nooit heeft weerklonken.
Anderen hoort men al te vaak,
en laten steeds weer van zich horen,
in ieders hart en hoofd,
alsof zij nooit zijn weggeweest.
Iets wat leeft kan niet dood-zijn of dood-gaan.
Hoogstens is de dood een andere toestand van zijn,
in een andere dimensie, of in een andere braan.
Iets wat bestaat kan onmogelijk niet-bestaan.
Wel valt het lichaam terug in elementaire deeltjes uiteen,
en vloeit in de ruimtetijd weer weg, en krimpt het in één,
terwijl ook de geest, terugkeert,
naar dààr, waaruit het nooit eerder verdween.
58
Is er geen kernkracht,
dan is er nog het mededogen.
Is er geen mededogen, dan bestaat nog de wet?
Zijn er geen wetten en decreten,
dan blijft er soms wat respect.
Respect, dat is het einde,
maar ik hou me liever aan het begin.
Geen resultaat, maar intentie.
Geen begrafenis, maar conceptie.
Ik blijf in de grond en sta er niet boven.
Daarom laat ik dit en doe ik dat.
Daarom ben ik veelal blij.
59
Het doel is doelloos.
Ga waar de wind toe waait.
Misschien vindt men de moed,
de oergeest in zichzelf te zien.
Het leven leeft zichzelf,
stroomt zijn eigen gang.
Men verkrijgt niet steeds wat men verlangt.
Soms net integendeel.
Men is op zoek naar de bril die men al op heeft staan.
In feite valt er niet veel zinnigs over te zeggen:
dan kernkracht én ingrond; beweging én rust.
60
Vrijheid is er, en denken is er,
maar vrijheid heeft niets van doen met denken.
Het denken is niet vrij.
De tijd ligt vast in de ruimte,
als een waterdruppel in een ijsklomp.
Voor iets komt iets anders,
zo tot bij de oorsprong van de dingen.
Na iets komt iets anders, tot het einde der tijden.
Aanvang en einde zijn de wieg en het graf.
Zij zijn de oerknal en het zwarte gat.
Ze zijn één in rust.
In werkelijkheid beweegt er niets.
Het leven is wat het is.
Het anders willen dan het is, dat is lijden.
In de oergeest verblijven, in het onveranderlijke Ene,
naar al het ijle kijken, en er de oerbron in zien.
61
Hemel en aarde; vuur en water; man en vrouw;
innerlijk tegengesteld, zo is de orde van de natuur.
In de tegenstelling zoekt men naar vereniging.
In de rust kan men zich met elkaar vermengen;
in beweging vervreemdt men van elkaar.
Het doel is het gemeenschappelijke.
Het in de openheid overbruggen, dat lucht op.
Ondanks het verschil toch zichzelf blijven;
dat is liefdevol. Hun licht schijnt helder.
Een kleine enkeling kan dit niet.
Een klein mens geeft weg om er zelf bij te winnen,
en brengt, zonder het te weten, zichzelf schade toe.
Een liefdevol iemand laat, begrijpt, verdraagt, vervult.
De ene richt zich naar buiten;
de andere vindt het binnenin.
62
In dat Ene kleine Wezenlijke Punt, daar ligt hèt.
Daarom: de verstandige mens zal doen
wat hij, uit noodzaak, doen moet, en niets anders.
Het kan echt niet iets anders zijn;
dan dat, dan daar en dan dan.
63
Te veel water dooft het vuur;
overmatig vuur verdampt water.
Deze woorden zijn slechts letters,
in een bepaalde volgorde bijeen gezet.
Als men ze van plaats verwisselt,
verkrijgt men een geheel andere realiteit.
64
Zoals een vos over het ijs loopt,
en luistert naar het gekraak,
zo voorzichtig is men bij elkaar.
En ook al komt alles steeds terecht,
het is nodig de dingen te scheiden om ze te verbinden.
Als ze elkaar alleen bestrijden lossen zij elkaar op.
Als zij gescheiden samenzijn, zijn zij als hemel en aarde,
als een levend aards paradijs.
Woordenlijst
(1) Oerpunt : de oerknal of “big bang”
(2) Ingrond : de mysticus Van Ruusbroec en Erik van Ruysbeek spreken van “ongrond”. Ik gebruik liever het woord “ingrond” in de betekenis van “in de grond” en “ingrondelijk”; in de kern; de essentie van iets. Het staat voor het onuitspreekbare middelpunt van alles dat toch ook de omtrek ervan is. Ingrond is overal in mij en alles is ook ingrond. Het oosterse begrip “tao” ligt in de buurt, hoewel het “tao” vaak geassocieerd wordt met “een weg” ergens naartoe, terwijl “ingrond” een zijnstoestand is (die evenwel beweging niet uitsluit, omdat “ingrond” alles insluit en helemaal niets uitsluit).
(3) In een zicht van eeuwigheid : de aimabele filosoof Baruch Spinoza (1632-1677) spreekt in dit verband van “sub specie aeternitatis”, waarmee hij eveneens bedoelde dat het beter is om het dagelijkse leven en lijden te zien in een grotere context, namelijk in een periode van het begin tot het einde der dingen, dus in een godsperspectief.
(4) De offerlepel en de kelk niet laten vallen : is een term uit de I Tjing, het boek der veranderingen, bij hexagram 51, het Opwindende. Daarover staat te lezen: “Als men innerlijk heeft geleerd, wat vrees en beven is, dan is men voor schrik door uiterlijke gebeurtenissen gevrijwaard. Al woedt de donder ook zo zeer dat men hem honderd mijlen in de omtrek vol schrik verneemt, men blijft desondanks zo geconcentreerd en eerbiedig, dat men de offerhandeling niet onderbreekt.” Merk ook nog het verband op tussen “offer” en “kelk” dat erg doet denken aan de uitspraak van de “geofferde” Jezus: “laat deze kelk aan mij voorbij gaan”.
(5) Entropie : tweede hoofdwet van de thermodynamica (de eerste hoofdwet is de wet van het behoud van energie). Entropie is een maat voor de hoeveelheid chaos er is in een fysisch systeem. Lage entropie is een hoge mate van ordening en hoge entropie is een lage mate van ordening (chaos). Fysische systemen hebben de neiging om zich in de richting van toestanden met hoge entropie te ontwikkelen. Het universum is zo’n fysisch systeem.
(6) Multiversum : is de totaliteit aan de verschillende universums, gezien recent het wetenschappelijk vermoeden groot is dat ons heelal niet het enige is.
(7) Zwart gat: een lichaam waarvan het immense gravitatieveld alles naar binnen zuigt, zelfs licht dat te dichtbij komt.
(8) Corpus Mysticum : (a) De benaming van de christelijke kerk volgens Paulus. (b) Giovanni Pico delle Mirandola (1463-1494), een Italiaans syncretistisch filosoof en jurist, zag de wereld als één wezen, een zichtbare god waarin alles van het begin af aan georganiseerd was als de delen van een levend, natuurlijk organisme. De wereld deed zich aan hem voor als het corpus mysticum van God. (C) Sinds 1302 is het de aanduiding van de rooms-katholieke kerk.
(9) Symmetrie : een transformatie op een fysisch systeem die het uiterlijke voorkomen van het systeem intact laat (bijvoorbeeld een rotatie van een perfecte bol rond zijn middelpunt; hierbij blijft de bol uiterlijk hetzelfde).
Literatuurlijst
Brian Greene, “De ontrafeling van de kosmos, over een zoektocht naar de theorie van alles”, Uitgeverij Het Spectrum B.V., Utrecht, 2005, eerste druk.
Lao Tseu, “Tao-Tê-Tjing”, Uitgeverij Ankh-Hermes bv, Deventer, 1986, elfde druk.
Richard Wilhelm, “I Tjing, het boek der veranderingen”, Uitgeverij Ankh-Hermes bv, Deventer, 1986, dertiende druk.
Han Boering, “I Tjing, het boek der veranderingen voor de 21ste eeuw”, Uitgeverij Kosmos-Z&K Uitgevers, Utrecht/Antwerpen, 2001, eerste druk.
Erik van Ruysbeek, “De eeuwigheid is nu, over eenheidservaring en louter zijn”, Servire uitgevers bv, Utrecht, 1998, eerste druk.
Krishnamurti, “Het licht in jezelf, over meditatie en vrijheid”, Uitgeverij Elmar bv, Rijswijk, 2000, eerste druk.
Maarten Timmer, “van Anima tot Zeus, encyclopedie van begrippen uit de mythologie, religie, alchemie, cultuurgeschiedenis en analytische psychologie”, Uitgeverij Lemniscaat bv, Rotterdam, 2001, eerste druk.
Dalai Lama, “De kunst van het geluk”, Uitgeverij Maarten Muntinga bv, Amsterdam, uitgeverij BZZTôH, 1999.
Sunruy Suzuki, “zen-begin, eeuwig met zeg beginnen”, Uitgeverij Ankh-Hermes bv, Deventer, 1987, tweede druk.
Richard Wilhelm, Carl Gustac Jung, “Het geheim van de gouden bloem”, Uitgeverij Ankh-Hermes bv, Deventer, 1985, vierde druk.
Tony Parsons, “Zoals het is, dialogen over het open geheim”, Uitgeverij Samsara bv, Amsterdam, 2003.
Baruch Spinoza, “Ethica”, erven N.J. van Suchtelen, wereldbibliotheek, Amsterdam, 1979, zevende druk.
Arthur Spopenhauwer, “De vrijheid van de wil”, Uitgeverij wereldbibliotheek bv, Amsterdam, 1989.




