Licht
(voor Zana)Open mij, kniel mij, kom!
Verzadig mij, ruk aan mij
Geen weg dan terug, geen nu
Geen hier, geen daar, geen zo
Verpulver mij, ontkracht mij
Laat Het Zijn en niets anders dan
Niets anders meer noch minder
Dan helderheid, dan een zucht
Ik ben bang. En dan? Wat nog?
Vier in mij. Drink in mij. Kom!
Reeds lang voor mij was Het
-Geliefde, lied, gezang-
Onbekend is Het. Onbemind
Uitgestrooid over het al en niet
Ik stel geen vragen meer
Ik accepteer zonder verweer
Ik zet het masker op en acteer
-speels, heftig, gulzig, bot-
Elk moment omarm ik Het
Zo zou ik wel willen Zijn
En ook al is het anders, dan nog
Dan spug ik met woorden
Braak ik naar het gespuis
-gruwel, roddel, onrust-
Ik ben de vogel in het net
Een angel, een haak, een pin
Klein ben ik tegenover U
Niets -ook dat is Het-
Ruige ridder, regelaar
Er moet niets
Er is niets
Het ontspant zich
Roerend en ontroerend
Muziek in een fles
Zonder sporen
Zucht en tranen
Soms ziek, soms blakend
Meedeinend op het ritme
Van bewegen in stilstand
Eeuwige in het tijdelijke
Oneindige in beperkte tijd
-daar is Het-
Heimwee heerst over mij
Wisselvallig is het gemoed
Bedriegende fantasieën
Herinnering en geheugen
Lusteloos adem in, en dan er uit
Al die tijd van ijdelheid
Al die verloren jaren van weleer
Ik was jong en heb Het verstoten
Ik kon Het niet doden
Want Het wilde niet wijken
-zwart schaap, zondebok, ongedierte-
Inmiddels juich ik met woorden
Schamele kreten, stuipen, schuim
Het heeft mij aan mezelf overgelaten
De ik zocht naar een doel
Zou Het zinloos zijn?
Appel aan een kindermond
Rustige regen bij valavond
Liefdesnacht in een bed
-lust, inzicht, verhalen, hoop-
Is er ergens iets te vinden?
Voorbij de tomeloze tijd
Voorbij inhoud en vorm
Voorbij de verandering
Wat bent U dood
In deze totale stilte
Hoe moet het dan?
Verschoppeling. Hunker.
Ik kan niemand helpen en
Zelf ben ik hulpeloos
Alle verwondering werd
Omgezet in doodse
Vanzelf sprekendheid
Eenheid kan niet wijken
-koraal, jade, goud, ivoor-
Woorden verliezen waarde
En los van alle polen
Gebeurt Het, zoals het er is;
Nu eens zo, dan weer aldus
Soms in wit, soms in zilver
Vaak in Licht en vaak ook duister
Maar zelf ben ik geheel hulpeloos
In verwarring, gevaren
Nat geworden in mist
In het mysterie van Zijn
Vinden er gezangen plaats
Een hand wordt uitgestoken
Acteur onder acteurs
Dolende onder dolenden
De ik kan niet iets anders zijn
-dan in Het, Geliefde, Ene Bron-
Schijnbaar vermomd is Het
Een schimmenhuid, een ander
In beelden, tekenen, signalen
-geruis van riet, ritsen, ruien-
Alleen maar kijken, zien, ontdaan
Er zijn er die zeggen wat Het is
-een mens, een beeld, een god
een vader, een wezen, een zot-
Een demon, een ding, doorgrond
Anderen spotten, verzwijgen
Toch wordt zoveel gesproken
Over ionen, quarks, atomen
Wat ik er van weet is niets
Absoluut mysterieus is Het
Of zelfs dat niet gewoon zo-
Eenvoudig maar van alles wat
Dus al wat ze zeggen en alles
Waar wordt over gezwegen
Wat er is en niet is. Wellicht Dàt.
Eenling onder de eenlingen
Kruisdrager onder gekruisigden
Richtingloos, verlaten, verloren
Wachtend op een Stem of Teken
Op een fundament van leegte
Licht der Lichten. Baken.
Mysterie van de Eeuwigheid
Kom! Adem in mij. Vier met mij.
Overal niets en niemand
Aan de rand en nergens. Nooit.
Maar wat leeft, begeert en sterft?
Wat is er dan? Daar?
Groen en bruin aan de hemel?
Top van de berg? Ster?
Het is wat Het is
Tienduizenden dingen
Lik mij. Zoen mij. Dijn in mij.
Of anders. Schijnbaar.
In dit alles spel, spuw-
Ook daar, in dit Ene
-ook daar is Het-
Wat er gezocht wordt
Is het Zijn zelf
Maar iedereen lacht
En zegt: bezetene, zwevende
Een zachte streling
Van het noodlot
Om maar te zwijgen
Verhevene, Bakermat
Geslachtloos, onpersoonlijk
Zoete vruchtenschaal
Hoorn van overvloed
Vederlichte Tedere
Eenvoudig en gewoon
Beminde Genadige
Als een slaaf beweeg ik mij
Niet klagend over de striemen
Niet één gestalte is als mij
-horen, voelen, zien, ruiken-
Nergens wordt er iets bevlekt
Licht der sterren, Big Bang
Schijnbaar dood is alles levendig
Voorbij het voorbije
Voorbij het komende
Opleving en ondergang
Een zon die schijnt
En sneeuw valt zacht
Al onze daden en doden
-eten, drinken, slapen-
In dit alles
En daaraan voorbij
-daar is Het-
Geschenk, Beminde
In de stilte, de diepte
Achter het schijnbare
-daar speelt Het-
Ik ben niet
Het is in mij
Ik adem niet
Het ademt in mij
Ik denk niet
Er wordt gedacht
In eeuwigheid
Zo buigt er iets
Zo knielt er wat
Zo verdient het soms
Of lost het zich
Eb en vloed
-zon, maan, wolk-
Bloed en brood. Melk.
Los van mezelf
Bind ik mij eraan
Silex van Licht
En ook al ontbind ik mij
Ik blijf onvrij
Nergens iets
Dan Liefde, Licht
Buiten en binnen mij
Zonder en met mij
Ver en dichtbij
Zo gaat het komen
Zo komt het ver gaan
Los mij. Verdwijn in mij.
-in dit alles is Het-
Voortvluchtige ben ik
Vreemde in eigen land
Varende, onwetende
Laveloze en onvoldane
Wanhopige en radeloze
Listige, verdorvene
Nieuwsgierige en hongerige
Zo ben ik Het
Zo is Het
Zo leeft Het
Geliefde, ook aldus
Onvoorwaardelijke
Toch geeft Het
-en neemt mij-
Zelfs de tijd van doden
Het brood en de spelen
Lust na onlust, kil, kruin
Dan baart Het iets
Midden nergens
Steunend op ruimte
-zaad, cel, fontanel-
Het kan niet verdwijnen
Want hoe kan Het verliezen
Wat Het zelf is?
Dàt aan het Ditten
Zus aan het Zo-en
Eén aan het Velen
-besmet, besmeurd, wet-
Geen dief is Het
Geen waanzinnige
Als Het er is
Is er vaak niets
-het vreemde sluimerende-
Eenvoudige, gewone
De Enige Geliefde
Ook al is Het
Nooit weggeweest
Het onzichtbare
Beklijf mij. Drijf mij.
Klief, dring en stuw
Er leeft vrees in mij
-lul, hoofd, hart, zak-
Soms vraagt er iets
Soms zwijgt wat anders
Een Wil geschiedde
Een ongekende.
Ontneem mij. Eindig mij.
Dan rest Het alleen
En waait er een wind doorheen
Het spel van leven
Lichte lege beelden
-minnaars, weelde, geluk-
Soms zuur als desem
Soms zoet als honing
Beelden op een muur
-wit, hard, helder, kleur-
Waaruit wij ontstaan
Waar we gaan
En waartoe wij behoren
Daarin verzinken wij
Absoluut totaal
Niets aan toe te voegen
Niets van af te doen
Of Het nu bestaat
Of Het hier is
Alle gewichtige woorden
-lam, lullig, schamel, kurk-
Er zijn enkele klanken
Als Parel, Bruidschat
Edelsteen of Bloem
Eén liefdevol weven
Weg van al de wegen
Simpel als mat, glad, teef
Zo diep en stil
Vertel mij. Ontwijk mij.
Wat dan ook
Alleen maar een gebaar
Het zaait terwijl Het oogst
Het baart terwijl Het verwekt
In al het zichtbare
Onzichtbaar tegenwoordig
-een zin, gedachte, handeling-
Geheimzinnige Aanwezige
In elke nerf, merg, gen
Vandaar overal
Een niets en een niemand
Laat mij het niets dan zijn
En een niet-iemand
Of wat dan ook
Het maakt niet uit
-spruit, stoel, krekel-
Wildweg vederlicht
spelenderwijs te leven
Het is er al
En toch komt Het op
Schijnbaar helder
Niets bijzonders
-niet van mij-
En dan het aambeeld. Slag.
-verpulver mij, strooi me uit-
Ik weet nergens iets van af
-slinger mij, gooi me eruit-
Zelfs in de onwetendheid
Weerkaatst de bal. Schop
En leg mij zachtjes erbij neer
Ik feest met de Geliefde
En waar ik naar kijk
Daar is Het
Telkens weer
Die Ene keer
Bron, Oorsprong
Thuis komen. Spring.
Het is een grap
Een spel zonder belang
Dat zoeken naar wat is
Want Het is er al
-liggen, zitten, staan-
Het einde van elk latijn
Een murmelen, woelen
Zonder één voorwaarde
En zeker geen zekerheid
Daar gaat het om
Of net niet
Het omgekeerde
Soms beide
Meestal echter Niets
Niet iets zinnigs
Er komen wel zaken op
-vrouw, kind, lied en hond-
Maar het hechten of verzaken
Het doet er niet toe
Want Het gebeurt toch
-gril, spel, toeval-
En wat er dan rest
Is het gezochte zonder zoeker
Een slaaf zonder meester
Regen zonder water
Verschijnend verdwijnen
Zomaar vanzelf
Overal een niets en een niemand
Ik zie Het al
Ik ben niets
-Dàt is Het-
Niets ben ik
Dan opkomen
En weer ondergaan
Niet nu, niet hier
Wat er altijd is;
Het Ene, de Geliefde
De tedere Beminde
De in alles verschijnende
Het Heldere Licht
In één flits. Knip.
-spin, mier, mug-
Geen groei, geen wording
Geen richting of doel
Vrij van wat dan ook
Zo zie ik Het in U
En dat is Het
Wellicht. Of anders
Het doet er niet toe
Ik kan niets
Niets is mij
Het is gegeven
Het is drachtig
Van lege ruimte
Daar is er iets dat ziet
-spinrag, kaarsvet, soep-
God, wat bent U dood
In deze totale stilte
In het naamloze Ene
Waaruit Het zich ontvouwt
In elk schijnbaar verschijnsel
-een ding, een mens, een god-
In het paradijs dat de wereld is
Overal niets en niemand
Nergens heen en
Niet ergens vandaan
Opbranden in een kilte
Laat mijn nietigheid nu
Schril zijn en levend
Bruisend, bevend. Gil.
Zegen mij met de dood
-daad, gedachte, woord-
Zuig mij uit, verstuif mij
Alles waar mijn voet op rust
Geef mij klaarte, toon mij licht
Knip mij door, kerf in mij
Ik ga nergens als ik reis
Laat mij zien. Laat me Zijn zijn.
Al het zinloze zeilen
Naar een nergenshaven
Waar dient het toe?
-eten, drinken, praten-
Om wat daarna te doen?
Maar ook daar bent U niet?
Kan ik vinden wat ik al ben?
Terwijl ik roep om U
Verberg ik mij
De wereld, mezelf, de tijd
Mijn wachten is bewegen
Een kop koffie, voetstappen
-alledag, telkens, naeen-
De zonnen, manen, sterren
De myriaden melkwegen
Van bewegen en bewegen
De meningen, mineralen
Voorbij lichamen en geesten
Voorbij rede, emotie en tijd
-zelfs daar niet-
Dat ik dobber in de twee
De paradox van land en zee
En daarachter licht
De oorsprong van horizon
Achter dit alles, dicht
Uit het niets, iets
Dat stil is, blij is en danst
Daar waar Het is
Daar wil ik zijn
Als een niet-ik
In een Nergenswoning
Opstanding en verrijzenis
Een Zijn in midden
Alles samen in Eén
Een Nergensland als thuis
Een havenloze aanlegplaats
Er rest alleen rivier
Alleen maar water
Zeldzaam is verdwijnen
Wat valt er te veroveren?
De angst zelf is zich bevrijden
Als ik kijk met echte ogen
Als ik hoor met echte oren
Als ik loop met echte benen
Zelfs dan is Het
Grijpen naar bliksemschicht
Waarom nog verlangen
Naar wat ik aldus al ben?
Zonder te weten
Is de droom voorbij
Dan ben ik in Het
En is Het in mij
Maar nooit te laat
Wat in de weg staat
Waait als stof weer weg
Sluiernevels verdwijnen
En de zon verschijnt
Er wordt wat gewandeld
Naar de einder en verder
Naar nergens naartoe
Zonder dat het moet
-kwaad, wild, drift, kut-
Zelden blijft een niets
Met iets achter
Maar het gebeurt
En ook dat is goed
Wat is er anders
Dan los te laten en
weer op te nemen
Niet dat het ergens op slaat
De onzin, de meermin, de Sint
Wat er overvalt, dat is Het
-reddeloos, zwalpend, opzij-
Niet dat ik iets of iemand ben
Kijk maar, zichtbaar
Pijn in de benen, verdriet
De kruisen dragen
En in vreugde zijn
Hoop en vrees laten varen
Schiploos en schimmig
Het te zien in Dit
In de grondloze ruimte
-daar is Het-
In een alledaagse adem
In huilen, schreeuwen en plagen
In het ganse spel van bewegen
-de dans van de dagen-
Overal en nergens erg dichtbij
Daar, hier, in en uit
-daar is Het-
In de schoot binnen gaan
-licht, aarde, hemel, regen-
Schepping in één blik
Vergiftigd met ideeën
Dat er dingen zouden worden
Dat het zus of zo dient te gaan
Dat er ooit iets zou hebben bestaan
Uit de lucht gegrepen
Vol en ledig van een zelf
Schaduwen onttrokken aan licht
En achter dit alles van schijnen
Eén Vlam, één Bron, één Zijn
Misschien? Wellicht?
Hoe zou ik het weten?
Niets te rijpen, niets te doen
Niets te kiezen, geen fatsoen
Elke ziekte die wij genezen
Elke oorlog die wij winnen
Elke waarheid die wij vinden
Ergens overvalt het tegendeel
-erger, vaker, zelden, zeker-
Elke daad die wij schijnbaar doen
Laat weer een nieuwe daad ontstaan
Maar waar we verlangen is er Eén:
Gezochte en zoekende
Verloste en verlossende
Bevrijde en bevrijdende
Niets te grijpen, niets dan onzin
Licht te leven
Leeg in Zijn
Mijn linkse handen
Huizen nergens
Dan in woorden
-kreet, krols, schreeuw-
In hondsdagen
In uren van verveling
-warmte, gewicht, weids-
Verstilling aan de zee
Er luchten, laven
Wat paren tussenin
-kruin, vee, bloesems-
Breng mij zicht. Meeuwen.
Pelgrim en prutser
Kleine knutselaar
Het geeft zich over
In oergrond, ongrond
-zwermen, haring, kaneel-
Rook in een verte
Duidelijke bevelen
Al te licht bevonden en
Er worden boeken verbrand
In hoofden. Asfalt.
Het vuur en de taarten
De flessen witte wijn
-een stoel, rimpels, onkruid-
Al veel is weggeblazen
Ik bid alsnog
Tot het talloze
In een verzachten
Een dicht zwijgen
-ritme, streling, lot-
Een stille oceaan
In een her en een der
Roept er iets
En keert Het om
Redeloos allicht
Geen vlam, geen mot
Weersta een mij
-vloei, vlot, boei-
Golf en breuklijn
Ik dool in het rond
Als een rad rond eigen as
De duistere dolende
De huizenbouwer
De woekeraar, kankeraar
In plaats van een geheel,
Slechts aanhangsel, een deel
Het is niet de bedoeling
Dat iets wordt bijgebracht
Het is niet eens mogelijk
Dat er iemand is, behalve Dit
Behalve een gebed, een gedicht
Ook in de dolende, Geliefde
-ook daar is Het-
-Augustus 2004-
(Handzame)
Huize “Kio Estas”




