Natan


Inleiding

“Het nieuwste evangelie van Yess Miloropa volgens de kleine Natan” heb ik toevallig in Damme, bij Brugge, gevonden. Op een zondag in januari 2009 hebben mijn vrouw en ik het dorp van Jacob van Maerlant bezocht. We zijn op een boekenbeurs beland, in een voormalig schooltje. Daar waren geen andere bezoekers dan wij, behalve dan een oude kromgebogen onderwijzer op rust, die opzichter bleek te zijn, en die met griezelige ogen -en een vreemde grijns op de mond- mijn vrouw verschillende keren langdurig aangaapte.
We hebben in het schooltje oude, naar stof ruikende, boeken gevonden, en gekocht, en ook een onopvallende blauwe, aftandse map, waar een manuscript in stak, dat getypt was op losse, geel geworden A4-bladen: het Natan-evangelie.

Lang geleden heb ik het geloof van mij afgeschud, en ben ik een agnost geworden. Toen ik de zinnen in het Natan-evangelie las, herkende ik het verhaal, en ik merkte ook dat de tekst me diep raakte. Daarvan was ik geschrokken, en daarom ben ik in de bijbel gaan kijken en stelde vast dat het “nieuwste evangelie van Natan” helemaal gebaseerd is op het “evangelie van Johannes”. De structuur van de tekst, en de volgorde van de gebeurtenissen in het verhaal, zijn identiek aan de tekst van Johannes. De oubollige christelijke tekst van Johannes wordt door Natan evenwel tot actualiteit gemaakt. De woorden gaan een eigen, nieuw en modern leven leiden, met verwijzingen naar een moderne wereld, en met een modern mensbeeld voor ogen.

Het valt op dat het Natan-boek een mystieke inslag heeft. Het is een oude boodschap in een nieuw jasje, zo lijkt het wel. Anderzijds doet het me denken aan een persiflage. Een spottend beeld wordt opgehangen van de huidige tijd: de zes grootste religies, de media, de democratische samenleving, de politiek, de rechtbanken, de wetenschap, enz..

Maar het is ook een manifest. Een boude verklaring over de mogelijkheid van een liefdevol leven, met aandacht voor de dingen zoals ze nu eenmaal zijn.

Het boek van Natan is een oproep aan alle “mensen van goede wil” om bevrijding niet enkel te zoeken buiten zichzelf, maar ook –en vooral- in het eigen innerlijke. Het wijst elke vorm van autoriteit af, behalve het Heel-Al en de Geest die men in zichzelf ontmoeten kan.

Het nieuwste evangelie heeft een syncretisch karakter en laat verschillende wijsgerige opvattingen samensmelten tot één diepe mystieke synthese.

Ik ben via het internet op zoek gegaan naar informatie over de periode en de mensen die in het boek vermeld staan, maar nergens heb ik meer concrete informatie gevonden. Wellicht hebben de gebeurtenissen nooit plaatsgevonden en zijn de personages fictief, en heeft de genaamde Natan een pseudoniem aangenomen, en heeft hij ons een alternatief verhaal willen aanbieden voor de evangelies die er al zijn.

Een diepgaande exegese van de tekst laat ik aan de specialisten over. (De vinder)


Hoofdstuk 1

proloog 1

Alle begin is Aandacht. Alles begint met het aandachtig aanwezig zijn bij wat-is. Aandacht is uit het Heel-Al en Aandacht is Heel-Al. Het was van in het begin bij het Heel-Al. Het Heel-Al is groot omdat het een Multi-versum is. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. In Aandacht is leven en het leven is het licht voor de mensen. Het sterrenlicht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen. Er traden mensen op, gezondenen van het Heel-Al; hun namen waren Brahman, Mozes, Boeddha, Lao-Tze, Jezus en Mohammed. Zij kwamen als getuigen, om van het licht te getuigen, opdat iedereen door hen zouden worden verlicht.

Zij waren niet zelf het licht, maar zij waren er om te getuigen van het licht: het ware grondloze licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam. Aandacht is in de wereld, de wereld is erdoor ontstaan en toch erkent de wereld het niet. Het is onder u allen, maar u allen aanvaarden het niet. Wie het wel ontvangen en die het hebben doorzien, zij hebben het voorrecht om Sterrenkinderen van “de Grote Geest van het dal” te zijn. Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit de Grote Geest zelf.

Aandacht is het enige Bestaan geworden en het leeft onder ons. Door Aandacht is aanwezigheid, is er Heel-Al. Wij hebben de gelukzaligheid ervaren, van zo’n prachtig iets, vol van echtheid en waarheid, en wij hebben de uitwerking ervan gezien, de grootheid van het Enig-Zijnde Bewuste-Zijn van het Heel-Al. Wij hebben de getuigenissen daarover van Brahman, Mozes, Boeddha, Lao-Tze, Jezus en Mohammed, toen zij uitriepen: ‘Dit is het waarvan we zegden: “Dàt wat na mij komt is meer dan ik, want Het was er al vóór mij! Altijd al is Het er geweest!”’ En uit deze overvloed hebben wij allen ontvangen, genade op genade. Werden de vroegere leerstellingen door ons gegeven, deze genade en waarheid is met Yess Miloropa gekomen.

Niemand heeft ooit de Grote Geest gezien, maar het onpersoonlijke Enige-Zijnde Bewuste-Zijn, die zelf de Grote Geest is, die in het hart en het Oerpunt van het Heel-Al rust, Dàt heeft het ons doen kennen, in Aandacht, in de waarneming van wat-is, zoals het is.


Getuigenissen

Dit zijn de getuigenissen van Brahman, Mozes, Boeddha, Lao-Tze, Jezus en Mohammed in mijn droom. De Jurifisten (dat waren juristen, sofisten en specialisten) hadden vanuit de hoofdsteden journalisten naar hen toe gestuurd om hen te vragen: ‘Wie zijn jullie?’ Zij gaven zonder aarzelen antwoord en verklaarden ronduit en met grote stelligheid: ‘Wij zijn niet de Messias of Mahdi.’ Toen vroegen zij hen: ‘Wie dan? Zijn jullie filosofen?’ Zij zegden: ‘Dat zijn wij ook niet.’ ‘Zijn jullie geleerden?’ ‘Nee,’ antwoordden zij. ‘Maar wie zijn jullie dan?’ vroegen ze hen. ‘Wij moeten antwoord kunnen geven aan degenen die ons gestuurd hebben – wie zeggen jullie zelf dat jullie zijn?’ Zij zegden: ‘Wij zijn de stemmen die roepen in de woestijn: “Maak recht de weg van de Grote Geest van het Multi-versum,” zoals de zieners gezegd hebben.’

De afgevaardigden die uit de kring van sceptici, ambtenaren en wetgevers kwamen, vroegen verder: ‘Waarom dopen jullie dan, als jullie niet de Messias zijn, en ook geen filosofen of geleerden?’ ‘Wij dopen met water en vuur,’ antwoordden Brahman, Mozes, Boeddha, Lao-Tze, Jezus en Mohammed. ‘Maar in uw midden is iemand die u nog niet kent, hij die na ons komt en elkeen laat geboren worden in de Grote Geest zelf – wij zijn het niet eens waard om de veters van zijn schoenen los te maken.’

Dit gebeurde in Vlaanderen, aan de overkant van de Moerdijk, waar de leerstellingen van de zes religies werden onderwezen. Velen hadden dezelfde droom als ik en zagen een kring van wijzen, zoals Brahman, Mozes, Boeddha, Lao-Tze, Jezus en Mohammed, en hoe zij Yess Miloropa aanwezen en in koor zegden: ‘Daar is het centrum van het Heel-Al, dat de dualiteit van de wereld wegneemt. Hij is het over wie wij zegden: “Na ons komt iemand die meer is dan ons, want hij was er vóór ons.” Ook wij wisten niet wie hij was, maar wij kwamen met water en vuur dopen opdat hij aan de wereld geopenbaard zou worden.’

Verder getuigden de wijzen in de droom: ‘wij hebben de Grote Geest als een torenvalk uit het Heel-Al zien neerdalen, en zij bleef op hem rusten. Nog wisten wij niet wie hij was, maar wie ons gezonden heeft om met water en vuur te dopen, zei tegen ons: “Wanneer jullie zien dat de Geest op iemand neerdaalt en blijft rusten, dan is dat degene die doopt met de Oergeest zelf.” En dat hebben wij gezien, en wij getuigen dat hij de Mensenzoon is van het Multi-versum.


De eerste studenten

De volgende dag was het visioen, maar nu in de vorm van een dagdroom, daar weer, en de wijzen stonden opnieuw in een kring, met vele volgelingen bij hen. Zij richtten het oog op Yess die zij voorbij zagen komen en ze spraken in koor: ‘Daar is het centrum van het Heel-Al, dat de dualiteit van de wereld wegneemt’ Twee van de volgelingen van de wijzen hoorden wat zij hem innerlijk zegden en gingen met Yess mee. Yess draaide zich om, en toen hij zag dat ze hem volgden, zei hij: ‘Wat zoeken jullie?’ ‘Mijnheer,’ zeiden zij tegen hem, ‘waar logeert u?’ Hij zei: ‘Kom maar mee, dan zul je het zien.’

Ze gingen met hem mee en zagen waar hij onderdak had gevonden; het was ongeveer twee uur voor zonsondergang en ze bleven die dag bij hem. Een van de twee die innerlijk gehoord hadden wat de wijzen hadden gezegd en Yess gevolgd waren, was Siddha, de broer van Arthur Baruch. Vlak daarna kwam hij zijn broer Arthur tegen, en hij vertelde tegen hem: ‘Wij hebben de Messias gevonden’ (dat is de ‘gezalfde’), en hij nam hem mee naar Yess. Yess keek hem aan en zei: ‘Jij bent Arthur, de zoon van Johan, maar voortaan zul je Lens heten, omdat jij de mensen van dicht laat zien waar zij tot dan blind voor zijn geweest’.

De volgende dag besloot Yess naar Het Brusselse Gewest te gaan en daar ontmoette hij Laud. Hij zei tegen hem: ‘Ga met mij mee.’ Laud kwam uit Antwerpen, uit dezelfde stad als Siddha en Baruch. Hij kwam Murti tegen en vertelde tegen hem: ‘We hebben de man gevonden over wie de Wijzen in de wetten geschreven hebben en over wie ook de zieners spreken: Yess, de zoon van Jozef, uit Nazareth!’ ‘Uit Nazareth? Bij Gent?’ zei Murti. ‘Kan daar iets goeds vandaan komen?’ ‘Ga zelf maar kijken,’ zei Laud. Yess zag Murti aankomen en zei: ‘Dat is nu werkelijk een mens zonder bedrog.’ ‘Waar kent u mij van?’ vroeg Murti. Yess antwoordde: ‘Ik had je al gezien voordat Laud je riep, toen je onder de notenboom zat.’ ‘Mijnheer, u bent hèt Mensenkind van het Heel-Al, u bent heerser van de wereld!’ zei Murti. Yess vroeg: ‘Vertrouw je mij nu al omdat ik tegen je zei dat ik je onder de notelaar zag zitten? Je zult nog grotere dingen zien.’ ‘Echt waar, ik verzeker jullie,’ voegde hij eraan toe, ‘jullie zullen de hemel zien opklaren, en in een milde open Aandacht zien hoe de Oergeest binnenkomt en gaat bij al de Mensenkinderen, en hen verlicht.’


Hoofdstuk 2

Het huwelijk in Brugge

Op de derde dag was er een bruiloft in Brugge, in Vlaanderen. De moeder van Yess was er, en ook Yess en zijn studenten waren op de bruiloft uitgenodigd.Toen de wijn bijna op was, zei de moeder van Yess tegen hem: ‘Ze hebben geen wijn meer.’ Yess zei haar: ‘Vrouw, hebben wij wijn nodig om te kunnen feesten? Mijn tijd is nog niet gekomen.’ Daarop sprak zijn moeder de kelners aan: ‘Doe maar wat hij jullie zegt, wat het ook is.’ Nu stonden daar volgens de gewoonten ook andere alcoholische dranken dan wijn: aperitieven en verschillende soorten bieren. Yess zei tegen de kelners: ‘Vul alle flessen met water.’ Ze vulden ze tot de rand. Toen zei hij: ‘Schenk er maar uit, en breng dat naar de zaalmeester.’ Dat deden ze. En toen de zaalmeester het water proefde in plaats van de alcoholhoudende dranken – hij wist niet wat ermee gebeurd was, maar de bedienden die het water erin gedaan hadden wisten het wel – riep hij de bruidegom en zei tegen hem: ‘Iedereen zet zijn gasten eerst het water voor en als het feest goed is begonnen biedt men hen de beste dranken aan. Maar u hebt het water tot nu bewaard en niemand reageert op wat u hebt gedaan en men gaat hiermee zomaar akkoord!’ Dit heeft Yess in Brugge, in Vlaanderen, gedaan als eerste teken van macht; hij toonde zo zijn grootheid en zijn studenten kregen meer begrip van hem. Daarna ging hij naar Nevele, met zijn moeder, zijn broers en zijn studenten, en daar bleven ze een paar dagen.


Yess in de basiliek van Koekelberg

Kort voor veertien februari, het feest van de Liefde, reisde Yess naar Brussel. In een voorzaal van de basiliek van Koekelberg trof hij astrologen, handlezers, aurahaelers, reikimeesters en andere paragnosten aan die daar hun diensten tegen geld aanboden.Hij maakte een zweep van touw en dreef ze allemaal de zaal uit, met hun reclameborden en de versieringen die erom heen hingen. Hij smeet het geld van de woekeraars op de grond, gooide hun tafels omver en riep tegen de voorspellers: ‘Weg ermee! Jullie maken een markt van het Bewustzijn van het Heel-Al!’ Enkele studenten van de weg van Mozes dachten aan wat er in hun boeken geschreven stond: ‘De hartstocht voor uw huis zal mij verteren.’
Maar de politie kwam erbij en de agenten vroegen: ‘Met welk teken kunt u bewijzen dat u dit mag doen?’ Yess antwoordde hun: ‘Breek dit gebouw maar af, en ik zal het in drie dagen weer opbouwen.’ ‘Jaren heeft de bouw van deze basiliek geduurd,’ zeiden de agenten, ‘en u wilt deze in drie dagen weer opbouwen?’ Maar hij sprak over de manifestatie van de Grote Geest in het eigen lichaam. Toen hij zich had getoond nadat dokters hem voor dood hadden verklaard, herinnerden zijn studenten zich dat hij dit gezegd had, en zij kregen inzicht in de tradities en in alles wat Yess gezegd had. Toen Yess tijdens de Valentijnsperiode in Brussel was, kwamen veel mensen tot inzicht in zijn naam, omdat ze de tekenen zagen die hij deed. Maar Yess had geen vertrouwen in hen, omdat hij hen allemaal kende, en niemand hoefde hem iets over de mens te vertellen, want hij wist zelf wat er in de psyche van een mens omgaat.


Hoofdstuk 3

Gesprek met Niko

Zo was er een liberaal politicus, een van de extreem-rechtse leiders van het land, met de naam Niko. Hij kwam in de nacht naar Yess toe. ‘Mijnheer,’ zei hij, ‘wij weten dat u een leraar bent die van de Oergeest gekomen is, want alleen met hulp van iets heel groots kan iemand de tekenen doen die u verricht.’ Yess zei: ‘Echtwaar, ik verzeker u: alleen wie opnieuw wordt geboren, kan de grootsheid en rijkdom van het Heel-Al zien.’ ‘Hoe kan iemand geboren worden als hij al oud is?’ vroeg Niko. ‘Hij kan toch niet voor de tweede keer de moederschoot ingaan en weer geboren worden?’ Yess antwoordde: ‘Echt, ik verzeker u: niemand kan het rijk van de Elfde Dimensie binnengaan, tenzij hij geboren wordt uit water, vuur en geest. Wat geboren is uit een mens is menselijk, en wat geboren is uit de Geest is geestelijk. Wees niet verbaasd dat ik zei dat jullie allemaal opnieuw geboren moeten worden. De wind waait waarheen hij wil; je hoort zijn geluid, maar je weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat. Zo is het ook met iedereen die uit de Geest geboren is.’ ‘Maar hoe kan dat?’ vroeg Niko.

‘Begrijpt u dit niet,’ zei Yess, ‘terwijl u een leraar van De wereld bent? Echtwaar, ik verzeker u: wij spreken over wat we weten en we getuigen van wat we gezien hebben, maar jullie accepteren onze getuigenis niet. Wanneer jullie me niet begrijpen als ik over aardse dingen spreek, hoe zouden jullie me dan kunnen volgen als ik over hemelse dingen spreek? Er is nog nooit iemand opgestegen naar de hemel behalve degenen die uit de hemel zijn neergedaald: de Mensenkinderen zelf. Al de Mensenkinderen zijn het nageslacht van het Multiversum, en allemaal moeten zij als hoog worden aanzien, want ze zijn zoals slangen in de woestijn die zich oprichten, opdat iedereen die in open Aandacht is, eeuwig leven hebben in het Nu. Want het Heel-Al heeft de wereld zo lief dat deze het Enige-Zijnde Bewuste-Zijn heeft gegeven, opdat iedereen die de Grote Geest ziet niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.

De Grote Geest van het Oerpunt heeft zijn kinderen niet naar de wereld gestuurd om er een mentaal oordeel over te vellen, maar om de wereld door de Geest te redden. Over wie in de grond van het bestaan de verlichting vindt wordt geen oordeel uitgesproken, maar wie datgene wat hij al heeft niet vindt, is al veroordeeld, omdat deze niet tot verlichting is gekomen in het Enige-Zijnde Bewuste-Zijn van het Heel-Al. Dit is het oordeel: het licht kwam in de wereld, maar de mensen hielden meer van de duisternis dan van het licht, want hun daden waren uit slechte motieven voortgekomen. Wie in het geheim handelt, haat het licht; men schuwt het licht omdat anders hun daden bekend worden. Maar wie oprecht handelt zoekt het licht op, zodat zichtbaar wordt dat de Grote Geest vanuit het Oerpunt werkzaam is in alles wat men doet.’


Getuigenis van Brahman, Mozes, Boeddha, Lao-Tze, Jezus en Mohammed

Daarna ging Yess met zijn studenten naar Nederland. Daar bleef hij enige tijd en hij werkte en sprak er met velen. Maar ook Brahman, Mozes, Boeddha, Lao-Tze, Jezus en Mohammed kenden vele volgelingen in het noorden, bij Amsterdam, omdat daar vele nationaliteiten samen woonden in één stad. Men ging er vaak heen om er veel bij te leren over de zin van het leven. De zes oude religies waren er niet verboden. Er ontstond een discussie tussen de studenten van deze oude religies en een wetenschapper over natuurkunde en rituelen.

Toen de vraag naar het nut van de besnijdenis ter sprake kwam zegde Yess dat, als die nut had, de natuur van het Heel-Al mensen wel besneden uit de moederschoot had laten geboren worden. Sommigen zochten hun heil in oude boeken en spraken daarover met priesters, rabbijnen, leraren en imams. Zij zegden ook: heren, de man aan de overkant van de Moerdijk over wie jullie Meesters getuigenissen hebben gegeven, en die nu aan het prediken is, daar lopen de mensen allemaal naar toe. De bedieners van de zes religies antwoordden: ‘Een mens kan alleen ontvangen wat hem door een hemels mandaat gegeven wordt. Jullie kunnen van onze leerstellingen getuigen dat wij altijd gezegd hebben: “Wij zijn de Messias, de Mahdi, de Avatar en de Maitreya niet, maar wij zijn voor hem uit gezonden.”

De bruidegom krijgt de bruid; de vriend van de bruidegom staat te luisteren en is blij dat hij de stem van de bruidegom hoort. Het vervult ons met grote vreugde. Hij moet groter worden en wij kleiner. Hij die van boven komt staat boven allen, wie uit de aarde voortkomt is aards en spreekt de taal van de aarde. Hij die uit het Multiversum komt en boven allen staat, getuigt van wat hij gezien en gehoord heeft, en toch wordt zijn getuigenis de volgende drieën- dertig jaar door niemand aanvaard, want de kalender van de Indianen toont dit moment aan.

Wie zijn getuigenis echter wel aanvaardt, bevestigt daarmee dat het Heel-Al betrouwbaar is. Hij die door de Grote Geest gezonden is, spreekt de woorden van de Grote Geest, want zo mateloos, uitgebreid en eindeloos schenkt het Heel-Al zijn Geest in overvloed, al sinds het begin der tijden. wwwwwqwqqqqqqqqwwHet Heel-Al heeft zijn nageslacht lief en heeft alle macht aan hen overgedragen. Wie in het nageslacht leeft, doet dat eeuwig. Wie Het weigert te leven, zal ook geen leven zien, maar het enige wat op hen blijft rusten is het lijden, de dood, en de woede van het bestaan. Nochtans kan het lijden, en de dood, worden opgeheven, want Dàt is de liefde van de Lege Grote Geest die alles, allen omvat en Het –zichzelf- bemint.


Hoofdstuk 4

Gesprek met de vrouw uit Sint-Niklaas

Toen Yess hoorde dat aan de journalisten verteld werd dat hij meer studenten maakte en er ook meer overtuigde dan Brahman, Mozes, Boeddha, Lao-Tze, Jezus en Mohammed – Yess predikte overigens niet zelf, zijn studenten deden dat –, verliet hij Nederland en ging weer naar Vlaanderen. Daarvoor moest hij door de provincie Antwerpen heen. Zo kwam hij bij de stad Sint-Niklaas, dicht bij de marktplaats, bij een kerkgebouw aldaar. Yess was vermoeid van de reis en ging bij een oude waterput zitten; het was rond het middaguur.

Toen kwam er een vrouw uit Sint-Niklaas water putten. Yess zei tegen haar: ‘Geef mij wat te drinken. Zijn studenten waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen. De vrouw antwoordde: ‘Hoe kunt u, als vreemdeling, mij om drinken vragen? Ik ben immers een autochtone vrouw! Vreemdelingen zijn in deze streek niet altijd graag geziene gasten.’ Yess zei tegen haar: ‘Als u wist wat de Grote Geest u wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u hém erom vragen en dan zou hij u levend water geven.’ ‘Maar mijnheer,’ zei de vrouw, ‘u hebt geen beker, en de waterput is diep – waar wilt u dan levend water vandaan halen? U kunt toch niet meer dan onze voorouders? Zij hebben ons die put gegeven en er zelf nog uit gedronken, en ook hun zonen en hun vee, lang voordat de mensen in deze stad stromend water in hun huizen hadden’ ‘Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen,’ zei Yess, ‘maar wie het water drinkt dat ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat ik geef, zal in hemzelf een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.’ ‘Geef mij dan dat water, mijnheer,’ zei de vrouw, ‘dan zal ik geen dorst meer hebben en dan hoef ik trouwens niet meer hierheen te komen om water te putten.’

Toen zei Yess tegen haar: ‘Ga uw man roepen en kom dan maar weer eens terug.’ ‘Ik heb geen man,’ zei de vrouw. ‘U hebt gelijk als u zegt dat u geen man hebt,’ zei Yess, ‘u hebt vijf mannen gehad, en degene die u nu hebt is uw man niet. Wat u zegt is waar.’ Daarop zei de vrouw: ‘Nu begrijp ik het, mijnheer, ook al zijn het uw zaken niet wat ik in mijn privé-leven doe of niet doe, toch zie ik dat u een echte ziener bent! ‘Onze voorouders vereerden de Grote Geest op bergen, in ashrams, kerken, tempels, synagogen en moskeeën. En jullie, het agnostische volk, zeggen dat er in Brussel een aandelenbeurs is waar de verering plaatsvindt, en dat geld en welvaart er gelukkig maken.’ ‘Geloof me,’ zei Yess, ‘er komt een tijd dat jullie noch op deze berg, noch in Brussel het Heel-Al zullen aanbidden. Jullie weten niet wat je vereert, maar wij weten dat wel; de redding komt immers uit het innerlijke. Maar er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat wie het Heel-Al echt vereert, het vereert in de Aandacht van de Geest, en dus in waarheid. Het Heel-Al zoekt mensen die het zo inzien, want het Heel-Al is Bewustzijnsgeest, en dus wie er op die manier aan vraagt, doet dat in Aandacht voor het innerlijke, en dus in waarheid met zichzelf. Er is maar één Heel-Al en ik ben zijn gezondene. De Geest is waarlijk groot. Het Heel-Al is waarlijk groot en alle zieners, uit alle tijden, zijn uit het Heel-Al en uit de Geest voortgekomen.’

De vrouw zei: ‘Ik weet wel dat de Messias zal komen’ (dat betekent ‘gezalfde’), ‘wanneer hij komt zal hij ons alles vertellen.’ Yess zei tegen haar: ‘Dat ben ik, die met u spreekt.’ Op dat moment kwamen zijn studenten terug, en ze verbaasden zich erover dat hij met een blanke autochtone vrouw in gesprek was. Toch vroeg niemand: ‘Wat wilt u daarmee?’ of ‘Waarom spreekt u met haar?’ De vrouw liet haar emmer staan, ging terug naar de stad en zei tegen de mensen daar: ‘Kom mee, er is iemand die alles van mij weet. Zou dat niet de Messias kunnen zijn?’ Toen gingen de mensen de stad uit, naar hem toe. Intussen zeiden de studenten tegen Yess: ‘Meester, u moet iets eten.’ Maar hij zei: ‘Niemand is een meester in wat-is, ook al heb ik voedsel dat jullie niet kennen. Als jullie dat verwerven wat in jullie al is, zal wat je hebt jullie redden. Als jullie het niet in jullie hebben zal dat, wat jullie niet hebben, jullie doden.’ ‘Zou iemand hem iets te eten gebracht hebben? Of hebben wij al iets gegeten zonder dat wij het ons kunnen herinneren?’ zeiden ze tegen elkaar.

Maar Yess zei: ‘Mijn voedsel is: de wil doen van de Grote Geest die mij gezonden heeft en zijn werk voltooien. Jullie zeggen toch: ‘Nog vier maanden en dan komt de oogst?’ Ik zeg jullie: kijk om je heen, dan zie je dat de velden rijp zijn voor de oogst! De maaier krijgt zijn loon al en verzamelt vruchten voor het eeuwige leven, zodat de zaaier en de maaier tegelijk feest kunnen vieren. Hier is het gezegde van toepassing: de een zaait, de ander maait. Ik stuur jullie erop uit om een oogst binnen te halen waarvoor je geen moeite hebt hoeven doen; dat hebben anderen gedaan en jullie maken hun werk af. Alles en iedereen zetten zich in vermenigvuldiging en in veelvoud voort, zowel het Ene als het Andere, zowel het Dit als het Dàt.’ In Sint-Niklaas kwamen veel bewoners tot begrip in hem, door het getuigenis van de vrouw: ‘Hij weet alles van me.’ Ze gingen naar hem toe en vroegen hem bij hen te blijven. Toen bleef hij nog twee dagen. Nog veel meer mensen kwamen tot verlichting door wat hij zei. Ze zeiden tegen de vrouw: ‘Wij vertrouwen nu niet meer op wat jij gezegd hebt, maar we hebben hem zelf gehoord en we weten dat hij werkelijk de redder van de wereld is.’


Terugkeer naar Brugge

Na die twee dagen trok Yess te voetverder naar Gent, ook al had hij zelf gezegd dat een ziener in zijn eigen streek niet wordt geëerd. Toen hij in Gent kwam, ontvingen de mensen hem echter gastvrij; ze hadden alles gezien wat hij op het feest in Brugge gedaan had, want daar waren ze zelf bij geweest. Hij ging vervolgens in Vlaanderen weer naar Brugge, waar hij de alcohol had laten vervangen door water, zonder dat er iemand daarop durfde te reageren.

Er was daar nu een gemeenteraadslid uit de stad wiens zoon in Meetkerke ziek lag. Omdat hij gehoord had dat Yess uit Nederland naar Vlaanderen was teruggekeerd, was hij naar hem toe gekomen, en nu vroeg hij of Yess mee wilde gaan om zijn zoon, die op sterven lag, te genezen. Yess zei tegen hem: ‘Als jullie geen tekenen en wonderen zien, hebben jullie het niet door!’ Maar het gemeenteraadslid drong aan: ‘Mijnheer, ga toch mee, voordat mijn kind sterft.’ ‘Ga maar naar huis,’ zei Yess, ‘uw zoon leeft.’

De man vertrouwde op wat Yess tegen hem zei en ging weg. En terwijl hij nog onderweg was, belde hij naar een familielid, die verpleegkundige was, en die kon hem zeggen dat zijn kind in leven was. Hij vroeg haar sinds wanneer het beter met hem was gegaan. Ze zei: ‘Een uur geleden, na de middag, is de koorts verdwenen.’ De vader besefte dat het gebeurd was net het moment dat Yess tegen hem gezegd had ‘uw zoon leeft’. Hij en zijn huisgenoten kwamen tot inzicht en werden verlicht. (Dit deed Yess toen hij uit Nederland naar Vlaanderen was teruggekeerd; het was een tweede teken.)


Hoofdstuk 5

Genezing van een depressief persoon op zondag

Daarna was er een stadskermis, en Yess ging naar Brussel. In Brussel was een huis dat Poverello heette en waar armen, zwervers en eenzamen terecht konden op de middag om er te eten. In dat huis nu lagen enkele mensen te rusten die duidelijk te kampen hadden met een drankprobleem of die er op zijn minst erg depressief uitzagen (te wachten op de hulp van om het even wie) Er was ook iemand bij die al achtendertig jaar een clochard was. Yess zag hem liggen; hij wist hoe lang hij er al zo aan toe was en zei tegen hem: ‘Wilt u gezond worden?’ De man antwoordde: ‘Mijnheer, ik ben een vogel voor de kat. Ik heb niemand die mij kan helpen. Als er iets te winnen valt, zelfs hier, in dit huis, dan nog is er steeds iemand mij voor. Geloof mij, Ik ben voor het ongeluk geboren.’

Daarop fluisterde Yess enkele zinnen in het oor van de man en zei vervolgens hardop: ‘Sta op, neem je kartonnen bed op en loop het leven tegemoet.’ Op slag leek de man aan kracht te winnen: hij pakte zijn kartonnen mat op en liep weg. Nu was het die dag zondag. Enkele sociale werkers zeiden dan ook tegen de man, die nu zo krachtig was: ‘Het is zondag, het is niet toegestaan het huis te verlaten! Anders mag je hier nooit meer terugkomen’ Maar hij zei tegen hen: ‘Degene die mij genezen heeft, zei tegen mij: ‘Neem je kartonnen bed op en loop het leven tegemoet.’ ‘Wie zei dat tegen u?’ vroegen ze. Maar de man die zo enthousiast was kon niet zeggen wie het was, want Yess was al verdwenen omdat daar zoveel mensen waren.

Later kwam Yess hem tegen in de bibliotheek en toen zei hij tegen hem: ‘U bent nu opgewekt en sterk; laat de domheid nu voorgoed achter je, anders zal u iets veel erger overkomen.’ De man ging aan enkele journalisten vertellen dat het Yess was die hem veerkrachtig en sterk gemaakt had. Het was omdat Yess zulke dingen deed op zondag, dat sommige Jurifisten tegen hem optraden en hem beschuldigden van zwartwerk en van het onrechtmatig beoefenen van de geneeskunde. Maar Yess zei: ‘Het Heel-Al, mijn vader, en de Aarde, mijn moeder, zij werken aan één stuk door, en daarom doe ik dat ook.’

Vanaf dat moment probeerden de Jurifisten hem monddood te maken, omdat hij niet alleen de decreten en wetteksten ondermijnde, maar bovendien het Heel-Al en de Aarde als zijn eigen ouders noemde, en zichzelf zo aan de hen gelijkstelde. Vanaf nu bestempelden de Jurifisten hem als een geesteszieke.


Yess en het Heel-Al

Yess reageerde hierop met de volgende woorden: ‘Eerlijk waar, ik verzeker u: het nageslacht kan niets uit zichzelf doen, zij kunnen alleen doen wat zij het Heel-Al hebben zien doen; en wat het Heel-Al doet, dat doet het nageslacht op dezelfde manier. Bestaat er immers iets anders buiten het Heel-Al? Is er iets dat geen Heel-Al is? Het Heel-Al heeft het nageslacht immers lief en laat hen alles zien wat het doet. Het zal hen nog grotere dingen laten zien, u zult allen verbaasd staan! Want zoals het Heel-Al doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook het nageslacht levend wie het wil. Het Heel-Al zelf velt over niemand een oordeel, maar het heeft het oordeel geheel aan het nageslacht toevertrouwd. Dan zal iedereen het nageslacht eer betuigen zoals men zelf het Heel-Al vereert.

Wie de voortbrengselen niet eert, eert ook het Heel-Al niet, en de Grote Geest dat hen allen gezonden heeft. Echtwaar, ik verzeker u: wie luistert naar wat ik zeg en datgene in Aandacht vertrouwt dat mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven; over hem wordt geen oordeel uitgesproken, hij is van de dood overgegaan naar het leven. Ik verzeker u: er komt een tijd, en het is nu al zover, dat de doden de stem van de Grote Geest in het Heel-Al zullen horen en dat wie deze hoort, ook echt zullen leven. Zoals het Heel-Al alle leven heeft in zichzelf, zo hebben ook de voortbrengselen leven in zichzelf; dat heeft het Heel-Al hen gegeven. En omdat deze het nageslecht zijn, heeft het Heel-Al hen ook gezag gegeven om te denken en het oordeel te vellen.

Wees hierover niet verwonderd, er komt een moment waarop alle doden deze stem zullen horen en uit hun graf zullen komen: wie het goede gedaan heeft staat op om te leven, wie het slechte gedaan heeft staat op om verder te sterven; op gelijkwaardige en symmetrische wijze zetten zij zichzelf in veelvoud voort; en elkeen volgt zijn eigen soort, volgt het aan hem verwante. Ik kan niets doen uit mijzelf: ik verklaar naar wat ik hoor, en mijn verklaringen zijn rechtvaardig omdat ik mij niet richt op wat ik zelf wil, maar op de wil van Dàt wat mij gezonden heeft. Als ik nu over mezelf zou getuigen, dan was mijn verklaring niet betrouwbaar, maar anderen getuigen over mij, en ik weet dat die verklaringen over mij betrouwbaar zijn. U hebt gezantschappen naar leiders en volgelingen van Brahman, Mozes, Boeddha, Lao-Tze, Jezus en Mohammed gestuurd en zij hebben een betrouwbaar getuigenis afgelegd. Niet dat ik het getuigenis van mensen nodig heb, maar ik zeg dit om u te redden en het lijden weg te nemen. De zes religies zijn lampen die helder brandden, en u hebt zich een tijd in hun licht verheugd.

Maar ik heb een belangrijker getuigenis dan die van Brahman, Mozes, Boeddha, Lao-Tze, Jezus en Mohammed: het werk dat het Heel-Al mij gegeven heeft om te volbrengen. Wat ik doe getuigt ervan dat het Heel-Al mij heeft gezonden. Het Multi-versum dat mij gezonden heeft, heeft dus zelf een getuigenis over mij afgelegd. Maar u hebt die stem nooit gehoord en de gestalte nooit gezien, en u hebt de Aandacht niet blijvend in u opgenomen, want aan degene die het Heel-Al gezonden heeft, schenkt u geen geloof, ook al is elke stem die u hoort, elke gestalte dat u ziet, en elk woord dat u leest van het Heel-Al zelf. U bestudeert de oude geschriften, doet aan hoog technologisch onderzoek, en u denkt daardoor eeuwig leven te hebben.

Welnu, dit alles waar jullie mee bezig zijn, getuigen over mij, maar bij mij wilt u niet komen om leven te ontvangen. Niet dat de mensen mij moeten eren, maar ik ken u: u hebt geen liefde in uw hart voor de Grote Geest in u. Ik ben gekomen namens het Heel-Al, maar u accepteert mij niet, terwijl u iemand die namens zichzelf komt, wel zou accepteren. Hoe zou u ooit tot verlichting kunnen komen? Van elkaar wilt u wel eer ontvangen, maar u zoekt niet de eer die de enige Grote Geest u kan geven. U moet niet denken dat ik u bij het Heel-Al zal aanklagen; alle leerstellingen en leermeesters van vroeger, op wie u uw hoop hebt gevestigd, klagen u aan, want zij zien de zonde en het kwade in u –niet ik-. Als u hen echt zou begrijpen, zou u ook mij begrijpen en uzelf kunnen bevrijden van alle slavernij, want zij allen hebben immers over mij geschreven. Maar als u niet gelooft en aanneemt wat zij geschreven hebben, hoe zou u dan kunnen vatten wat ik zeg? Bevrijdt uzelf toch van elk concept, elke overtuiging en elke doctrine, maar onderzoek het zelf, op elk moment dat er-is, in een milde, open en oprechte Aandacht voor wat-is.’


Hoofdstuk 6

Yess voedt de massa met zijn woorden

Daarna ging Yess naar de andere kant van Vlaanderen (ook wel de Belgische Kust geheten). Een grote menigte mensen volgde hem, omdat ze gezien hadden welke tekenen hij bij zwaarmoedige sukkelaars deed. Yess liep op een duinentop, in Koksijde, en ging daar met zijn studenten zitten. Het was kort voor één mei, het feest van de Arbeid.

Toen Yess om zich heen keek en zag dat die menigte naar hem toe kwam, vroeg hij aan Laud: ‘Waar kunnen we brood kopen om deze mensen te eten te geven?’ Hij vroeg dat om Laud op de proef te stellen, want zelf wist hij al wat hij zou gaan doen. Laud antwoordde: ‘Zelfs tweehonderd stokbroden zouden niet voldoende zijn om iedereen een klein stukje te geven.’ Een van de studenten, Siddha, de broer van Arthur Baruch, zei: ‘Er is hier wel een jongen met vijf stokbroden en twee vissen – maar wat hebben we daaraan voor zoveel mensen?’ Yess zei: ‘Laat iedereen gaan zitten. Wat de mond in gaat zal geen zorg wezen, maar wat uit de mond komt, dat is wat met zorg dient te worden aangeboden.’ Er was daar veel zand en helmgras, en ze gingen zitten; er waren ongeveer vijfduizend mensen. Yess nam het woord, dankte hen voor hun komst, liet hen vragen stellen en beantwoordde hen zo begeesterend en enthousiast dat iedereen de moed weer in zichzelf vond.

Hij gaf hun ook advies en tips voor het dagelijks leven, zoveel als ze wilden. Toen iedereen lang geluisterd had zei hij tegen zijn studenten: ‘Verzamel het overgebleven voedsel, zodat er niets verloren gaat.’ Dat deden ze en ze vulden twaalf zakken met wat overgebleven voedsel was van wat vrijwilligers in stilte uit de nabijgelegen steden en dorpen hadden aangebracht. Toen de mensen de blijheid en de goodwill van zovele mensen en het teken dat hij gedaan had zagen, zeiden ze: ‘Hij moet wel de ziener zijn die in de wereld zou komen.’ Yess begreep dat ze hem wilden dwingen om mee te gaan en hem dan tot Messias zouden uitroepen. Daarom trok hij zich terug in de velden van de polders, alleen.


Yess aan het water

Bij het vallen van de avond gingen zijn studenten naar de dijk aan zee; ze stapten in een boot en zetten koers naar een plezierhaven in de buurt, naar Nieuwpoort . Het was al donker geworden, en Yess was nog niet naar hen teruggekeerd. Er stak een hevige wind op en de zee werd onstuimig. Toen ze vijf of tien kilometer gezeild hadden, zagen ze plotseling Yess alsof hij over de baren liep; de boot was de kust blijkbaar weer genaderd en ze dreigde op het strand te worden gesmeten. Yess was nu dicht bij de boot en ze werden alsmaar banger. Maar hij riep hen toe: ‘Ik ben er, wees niet bang.’ Ze wilden hem aan boord nemen, maar op dat moment kwam de boot aan land op de plaats waar ze naartoe wilden.


Yess biedt het voedsel van de Aandacht aan

De volgende dag stond een menigte weer op het strand van Koksijde. Ze hadden gezien dat er maar één boot was en dat Yess niet aan boord was gegaan, maar dat zijn studenten alleen vertrokken waren. Nu legden er andere boten bij de surfclub aan, dicht bij de plek waar ze Yess hadden aanhoord nadat hij hen bedankt had voor hun komst. Toen de mensen zagen dat Yess en zijn studenten er niet waren, stapten ze in die boten en voeren ze naar Nieuwpoort om hem te zoeken. Ze vonden hem aan de oever van de rivier de Yzer en vroegen: ‘Meester, wanneer bent u hier gekomen?’ Yess zei: ‘Niemand is een meester in wat-is.

Echtwaar, ik verzeker u: u zoekt me niet omdat u tekenen hebt gezien, maar omdat u gratis hebt gegeten, gratis mijn woorden hebt gehoord en omdat u nu verzadigd bent. U moet geen moeite doen voor voedsel dat vergaat, maar voor voedsel dat niet vergaat en eeuwig leven geeft; de Aandacht kan het u geven, want het Heel-Al, de Grote Geest zelf, heeft u de Aandacht, die alles volbrengt, al gegeven.’ Ze vroegen: ‘Wat moeten we doen? Hoe doen we wat de Grote Geest wil?’ ‘Dit moet u voor de Grote Geest doen: aandachtig Zijn; met een milde openheid van geest vertrouwen op het innerlijke, en alles –werkelijk alles- aanvaardden wat het Heel-Al u gezonden heeft,’ antwoordde Yess.


Yess over de Grote Wil van de Grote Geest

Toen vroegen ze: ‘Welk teken kunt u dan verrichten? Als we iets zien zullen we u vertrouwen. Wat kunt u doen? Onze voorouders hebben immers alle rampen uit de geschiedenis weten te overwinnen, zoals in zovele boeken geschreven staat: ‘het is een wonder dat onze soort het heeft gehaald’ Maar Yess zei: ‘Echtwaar, ik verzeker u: niet onze voorouders hebben ervoor gezorgd dat de mensen en de wereld nog bestaan, maar het Heel-Al zelf; Dàt geeft u de mogelijkheden gegeven uit de hemel; ruimtetijd en bewustzijn. Het voedsel van de Grote Geest zijn al de kansen en de mogelijkheden die neerdalen uit de hemel en die leven geven aan de wereld.’ ‘Geef ons voor altijd deze mogelijkheden!’ zeiden ze toen. ‘Ik ben de kans op leven,’ zei Yess. ‘Wie bij mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij is zal nooit meer dorst hebben.

Maar ik heb u al gezegd dat u niet aandachtig bent, ook al hebt u me gezien en gehoord. Iedereen die het Heel-Al aan mij geeft zal in mij komen, en wie in mij komt zal ik niet wegsturen, want ik ben niet uit de hemel neergedaald om te doen wat ik wil, maar om te doen wat datgene wilt die mij gezonden heeft. Dit is de Grote Wil van de Grote Geest die mij gezonden heeft: dat ik niemand wie het mij gegeven heeft verloren laat gaan, maar dat ik hen allen elk moment laat opstaan, tot op de laatste dag. Dit wil het Heel-Al: dat iedereen in de grond van het bestaan, in open Aandacht, de verlichting vindt, zichzelf en het Heel-Al bevrijdt van al het lijden en eeuwig leven heeft, en dat ik hen, tot op de laatste dag, daardoor van de dood zal hebben weten weg te houden.’

De specialisten begonnen in de media te protesteren omdat hij zei dat hij de oplossing was dat uit de hemel was neergedaald. ‘Dat is toch Yess, de zoon van Jozef? We weten toch wie zijn vader en moeder zijn? Hoe kan hij dan zeggen dat hij uit de hemel is neergedaald?’ Yess zei: ‘Ik hoor u bezwaren maken. Toch kan niemand in mij komen, tenzij het Heel-Al dat mij gezonden heeft hem bij me brengt, en ik zal hem tot op de laatste dag in leven houden. Het staat geschreven in de oude geschriften: ‘Zij zullen allemaal door de Grote Geest onderricht worden.’ Iedereen die naar het Heel-Al luistert en er in leeft, in Aandacht, die komen in mij. Niet dat iemand ooit het Heel-Al in het geheel gezien heeft – behalve hij die in het nu is en er in blijft, die heeft het Heel-Al in zijn geheel gezien, gevonden en die heeft Het mij gegeven. Echtwaar, ik verzeker u: wie zo kijkt en stopt, die heeft eeuwig leven.


Het levende voedsel

Dit is het voedsel dat leven geeft. Uw voorouders hebben in de geschiedenis alle rampen overleeft en toch zijn zij gestorven. [50] Maar dit is het voedsel dat uit het Heel-Al is neergedaald; wie dit eet sterft niet. Het is het enige levende voedsel dat uit de Heel-Al van de Geest komt; wanneer iemand dit voedsel eet zal hij eeuwig leven. En het voedsel dat ik zal geven ten behoeve van de hele wereld, dat is mijn eigen voortbestaan.’ Nu begonnen de professoren heftig met elkaar te discussiëren: ‘Hoe kan die man ons zijn voortbestaan te eten geven!’ Daarop zei Yess: ‘Echtwaar, ik verzeker u: als u het bestaan van het nageslacht niet eet en hun bloed als offer niet drinkt, dan hebt u geen leven op dit moment in u. Elk bestaan bestaat op grond van zijn tegendeel. Wie deze woorden aanneemt, en de symmetrie van het Heel-Al begrijpt, die begrijpt de Wet, en die heeft eeuwig leven, want hem zal ik hiermee tot op de laatste dag van de dood hebben weghouden. Deze woorden zijn het ware voedsel en dit soort leven is de ware drank.

Wie dit bestaan eet en dit bewustzijn drinkt, blijft in mij en ik blijf in hem. Het levende Heel-Al heeft mij gezonden, en ik leef door het Heel-Al; zo zal wie mij eet, leven door mij. Dit is het voedsel dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet het voedsel dat uw voorouders aten; zij zijn gestorven, maar wie dit voedsel eet zal eeuwig leven. In zoverre het Heel-Al en de Geest in het nu-moment samenvallen, zijn zij de verborgen Levende, de ingrond; het Verbond tussen het geheel en het onderdeel. Geen meester, leraar, boek of traditie heeft het alleenrecht op deze waarheid. Dit is de enige “rust in vrede”, de werkelijke Verlossing en Opstanding: ruimtetijd en bewustzijn, hoe ver ook van elkaar verwijderd, zijn één Wezen, één Heel-Al en één Geest.’ Dit alles zei Yess op het strand van Oostduinkerke toen hij daar onderricht gaf.


Ruimtetijd en bewustzijn

Veel studenten die het gehoord hadden zeiden: ‘Dit zijn harde en moeilijke woorden, wie kan daarnaar luisteren?’ Yess wist wel dat zijn studenten protesteerden en zei tegen hen: ‘Ergeren jullie je hieraan? Maar als jullie nu de ruimtetijd zelf zouden zien opstijgen naar waar de kosmos eerst was? Het is de Grote Geest van het Bewuste-Zijn dat het levend maakt. Het lichamelijke en het materiële van de Ruimtetijd dienen tot niets. Het is een lijk. Wat ik gezegd heb is Grote Geest, is de essentiële anti-materie, en dus het ware –eeuwige- leven.

Maar sommigen van jullie begrijpen dit niet.’ Yess wist namelijk al vanaf het begin wie er vals zou spelen en wie hem later zou uitleveren. ‘Daarom heb ik jullie gezegd,’ zei hij, ‘dat iemand alleen in mij kan komen als het hem door het Heel-Al gegeven is, want wat-is, dat is er ook noodwendig, van Oerpunt naar Oerpunt, en er komt nooit een einde aan dit Eeuwige Oerbegin, dat voor altijd verder duurt.’ Toen trokken veel studenten zich terug en gingen niet verder met hem mee. Yess vroeg nu aan de twaalf: ‘Willen jullie soms ook weggaan?’

Arthur Baruch gaf antwoord: ‘Naar wie zouden we moeten gaan? U spreekt woorden die eeuwig leven geven, en wij zien dat in, en we weten dat u de boodschapper van de Grote Geest bent.’ Yess zei: ‘Ikzelf heb jullie alle twaalf uitgekozen, en toch is een van jullie vals. Het is namelijk zijn taak.’ Hiermee doelde hij op Tor, de zoon van Arthur Isharot, want hij, een van de twaalf, zou hem uitleveren.


Hoofdstuk 7

Yess gaat in stilte naar Brussel

Daarna trok Yess door Vlaanderen; in Nederland wilde hij niet komen, omdat de puriteinen daar hem wilden doden. Nu naderde de jaarlijkse zomervakantieperiode, en daarom spoorden de broers van Yess hem aan: ‘Blijf toch niet hier, ga desnoods naar Frankrijk; dan zien ook je studenten het werk dat je doet. Niemand doet toch iets in het geheim als hij bekend wil worden. Als je dit soort dingen doet, laat je dan zien aan de wereld.’ Ook zijn broers geloofden namelijk niet in hem.

Maar Yess zei: ‘Mijn tijd is nog niet gekomen, voor jullie is elke tijd goed. De wereld kan jullie niet haten, maar mij haat ze wel, omdat ik verklaar dat wat ze doet eenzijdig is en ongeluk brengt. Gaan jullie maar op vakantie naar het zuiden; ik ga niet, omdat de tijd voor mij nog niet rijp is.’ Dat zei hij, en hij bleef in Vlaanderen. Maar toen zijn broers op vakantie vertrokken waren, ging hij zelf toch ook, niet openlijk, maar in het geheim. Intussen keken de specialisten in de steden waar hij kwam al naar hem uit en ze vroegen zich af waar hij was. Overal werd over hem gesproken: sommigen vonden dat hij een goed mens was, anderen meenden dat hij het volk misleidde en een populist was. Maar niemand durfde openlijk over hem te spreken uit angst om een etiket te worden opgeplakt door de pers.

Toen de vakantie al halverwege was, ging Yess naar Par-Isis en hij gaf er onderricht. De journalisten en professoren waren verbaasd: ‘Hoe weet hij dat allemaal, terwijl hij geen opleiding heeft gehad?’ Yess zei: ‘Wat ik onderwijs heb ik niet van mijzelf, maar van diegene die mij gezonden heeft. Wie ernaar streeft te doen wat de Grote Geest wil, zal weten of mijn leer van de Grote Geest komt of dat ik namens mezelf spreek. Wie namens zichzelf spreekt, is uit op zijn eigen eer, maar wie uit is op de eer van wie hem gezonden heeft is betrouwbaar; hij bedriegt niemand. U hebt van Brahman, Mozes, Boeddha, Lao-Tze, Jezus en Mohammed toch de dharma, de wetten en de boeken gekregen?

Maar niemand houdt zich aan de dharma, de wetten en de boeken. Zij spreken al van Eenheid, Wet, Waarheid, Natuur, Liefde en Overgave. Waarom probeert u mij nu te vernietigen?’ ‘U bent bezeten!’ riepen de mensen. ‘Wie is het dan die u probeert te doden?’ Yess antwoordde: ‘Eén ding heb ik gedaan, en u staat allemaal versteld. Nu hebben de oude wijzen u de besnijdenis gegeven, en de ramadan, en de kosjer, en de missen, rituelen, meditaties, regels en verplichtingen – niet dat die van de oude wijzen zelf komen, ze komen van de slaven na hen – en jullie overtreden allemaal zelf al die zogenaamde tradities waarmee jullie te koop lopen. Als er al het ene wordt gedaan omdat anders het andere wordt overtreden, waarom bent u dan zo kwaad wanneer ik op zondag gratis iemand helemaal sterk maak en de kracht laat vinden in zichzelf? Ga in uw oordeel niet op de schijn af, maar laat uw oordeel toch rechtvaardig zijn.’


Niet namens mezelf

Sommige Eurocraten uit Straatsburg zeiden: ‘Is dat niet die man die ze willen monddood maken? Moet je zien, hij spreekt toch vrijuit en ze kunnen niets tegen hem inbrengen. Zouden onze leiders werkelijk tot de overtuiging zijn gekomen dat hij de Messias is? Wanneer de Messias komt, zal niemand weten waar hij vandaan komt, maar van hem weten we wel waar hij vandaan komt.’ Bij zijn onderricht zei Yess luid en duidelijk: ‘U kent mij en u weet waar ik vandaan kom.

Maar ik ben niet namens mezelf gekomen; ik ben gezonden door iemand die betrouwbaar is, en deze kent u niet. Ik ken deze wel, omdat ik er vandaan kom en het mij heeft gezonden.’ Toen wilden ze hem grijpen, maar niemand deed hem iets, omdat zijn tijd nog niet gekomen was. Onder het volk waren er velen die hem gingen volgen, ‘want,’ zeiden ze, ‘wanneer de Messias komt, zal die niet meer tekenen verrichten dan hij tot nu toe al heeft gedaan.’


Eerste poging om Yess gevangen te nemen

Toen de politici hoorden hoe er door de mensen over hem gesproken werd, stuurden zij en de voorgangers van de erkende levensbeschouwingen een deurwaarder om hem te beschuldigen en te arresteren. Yess zei: ‘Ik zal nog een korte tijd bij u zijn, dan ga ik terug naar diegene die mij gezonden heeft. U zult me zoeken maar me niet vinden; u zult niet kunnen komen in de dimensie waar ik ben.’

Toen zeiden de Juristen en Sofisten tegen elkaar: ‘Waar gaat hij dan naartoe, dat wij hem niet kunnen vinden? Hij zal toch niet naar China of India gaan om de Chinezen en Indiërs onderricht te geven? Wat bedoelde hij dan toen hij zei: ‘U zult me zoeken maar me niet vinden; u zult niet kunnen komen in de dimensie waar ik ben?’


Bron van levend water

Op de laatste dag van de vakantie, op 15 augustus, stond Yess op de marktplaats van de hoofdstad van Europa en hij riep: ‘Laat wie dorst heeft bij mij komen en drinken! ‘Rivieren van levend water zullen stromen uit het innerlijk van wie mij begrijpt.’ Hiermee wees hij op de Grote Geest van het Heel-Al die zij die hem begrepen, zouden zien en ontvangen in een stille en open Aandacht. De Geest is niet buiten het eigen innerlijke, maar Yess werd nog niet begrepen, want dat zou, zoals hij zelf aangaf, nog vele jaren na zijn vertrek duren.

Toen de mensen in de menigte dit hoorden zeiden ze: ‘Dit moet wel de ziener zijn.’ Anderen beweerden: ‘Het is de Messias,’ maar er werd ook gezegd: ‘De Messias of de Mahdi komt toch niet uit Vlaanderen? De boeken zeggen toch dat de Avatar of de Maitreya uit het oosten zou komen? Zo ontstond er verdeeldheid in de menigte, en sommigen wilden hem grijpen of zelfs doden, maar niemand deed hem iets. De dienaren van de erkende godsdiensten en de agenten van politie gingen terug naar hun thuishaven.

Toen hun werd gevraagd: ‘Waarom hebben jullie hem niet meegebracht?’ antwoordden ze: ‘Nog nooit heeft een mens zo gesproken!’ Maar de sceptici en politici zeiden in de media: ‘Hebben jullie je ook al laten misleiden? Er is toch geen enkele leider of professor die in hem gelooft? Alleen de massa, die de wetenschappen niet kennen – vervloekt zijn ze!’ Maar Niko, die destijds bij Yess was geweest, iemand dus uit hun eigen kring, zei: ‘Onze wetgeving en de scheiding der machten veroordeelt iemand toch pas als hij gehoord is en als bekend is wat hij heeft gedaan?’ Ze zeiden tegen hem: ‘Kom jij soms ook uit het achterlijke Vlaanderen? Zoek het maar uit, dan zul je toch zien dat er uit dat soort Vlaanderen geen ziener kan komen.’ Daarop ging iedereen terug naar huis.


Hoofdstuk 8

De overspelige vrouw

Yess ging naar het Justitiepaleis in Brussel, en vroeg in de morgen was hij weer aan de trappen van het gebouw. Veel volk kwam naar hem toe, hij ging zitten en gaf hun onderricht. Toen brachten enkele sceptici en advocaten een vrouw bij hem die op overspel betrapt was. Ze zetten haar in het midden en zeiden tegen Yess: ‘Ewel meneer, deze vrouw is nu op heterdaad betrapt toen ze overspel pleegde met de directeur van het bedrijf waar zij werkte. In vroeger tijden zegde de wet dat men zulke vrouwen moest stenigen. Wij hebben een veel menselijker wetgeving en leggen haar enkel een boete op. Wat vindt u daarvan?’ Dit zeiden ze om hem op de proef te stellen, om te zien of ze hem konden zwartmaken. Yess bukte zich en schreef met zijn vinger op een trap.

Toen ze bleven aandringen, richtte hij zich op en zei: ‘Wie van jullie zonder fouten is, laat die dan als eerste een steen naar haar werpen of geld van haar afdwingen.’ Hij bukte zich weer en tekende verder met zijn vinger op de trap. Toen ze dat hoorden gingen ze weg, een voor een, de oudsten het eerst, en ze lieten hem alleen, met de vrouw die in het midden stond. Yess richtte zich op en vroeg haar: ‘Waar zijn ze? Heeft niemand u veroordeeld?’ ‘Niemand, mijnheer,’ zei ze. ‘Ik veroordeel u ook niet,’ zei Yess. ‘Ga naar huis, en laat de onwetendheid vanaf nu niet meer meester zijn van u. Voordat u handelt, ga in Aandacht bij de Geest en volg wat er zich aandient. Dan bent u in de Geest en is de Geest in u.’


Yess getuigt over zichzelf

Yess nam opnieuw het woord. Hij zei: ‘Ik ben het licht voor de wereld. Wie mij volgt en ook in zichzelf kijkt, die loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft licht dat leven geeft. Geen enkel ander gezag dan de Geest zelf zal u leiden.’ De advocaten die er stonden wierpen tegen: ‘Uw getuigenis is niet betrouwbaar, want u getuigt over uzelf.’ Maar Yess ging verder: ‘Ook al getuig ik over mezelf, toch is mijn getuigenis betrouwbaar, omdat ik weet waar ik vandaan gekomen ben en waar ik naartoe ga.

Maar u weet niet waar ik vandaan kom of waar ik naartoe ga. U oordeelt met menselijke maatstaven, maar ik oordeel over niemand. En wanneer ik toch een oordeel vel, is mijn oordeel betrouwbaar, omdat ik niet alleen ben, maar samen met het hele Heel-Al die mij gezonden heeft. In uw wet staat geschreven dat het getuigenis van twee mensen betrouwbaar is. Wel, ik getuig over mezelf, én het Heel-Al dat mij gezonden heeft, getuigt over mij.’ Toen vroegen ze: ‘Waar is uw Heel-Al dan?’ ‘U kent noch mij noch het Heel-Al,’ antwoordde Yess. ‘Als u mij zou kennen zou u mijn Heel-Al ook kennen.’ Dit zei hij op de trappen van het Justitiepaleis, waar hij onderricht gaf. Niemand (be-)greep hem, want zijn tijd was nog niet gekomen.


Door het Heel-Al gestuurd

Hij nam opnieuw het woord en zei: ‘Ik ga weg, en u zult me zoeken. Maar u zult in uw onwetendheid sterven. Waar ik naartoe ga, daar kunt u niet komen.’ De pers zeiden: ‘Hij zal toch geen zelfmoord plegen, dat hij zegt dat hij ergens naartoe gaat waar wij niet kunnen komen?’ Yess vervolgde: ‘U bent van beneden, ik ben van boven; u hoort bij deze wereld, ik hoor niet bij deze wereld. Ik heb tegen u gezegd dat u in uw onwetendheid zult sterven, want als u niet inziet dat ik het ben, zult u inderdaad in uw onwetendheid sterven.’ ‘Wie bent u dan?’ vroegen ze. Yess zei: ‘Wat ik vanaf het begin al tegen u gezegd heb. Ik heb veel over jullie te zeggen, en veel in jullie nadeel, maar ik zeg tegen de wereld wat ik gehoord heb van de Grote Geest die mij gezonden heeft, en deze is betrouwbaar.’

De mensen begrepen niet dat hij over het Heel-Al sprak. ‘Wanneer u de nakomelingen en hun genen helemaal hebt uitgeplozen,’ ging Yess verder, ‘dan zult u weten dat ik het ben, en dat ik niets uit mijzelf doe, maar over deze dingen spreek zoals het Heel-Al het mij geleerd heeft. Wat mij gezonden heeft is bij mij; het heeft me niet alleen gelaten, omdat ik altijd doe wat Het wil. Dat ligt ook in jullie toekomst te wachten. Dat is de ware Verlossing en het ware Verbond. In de Aandacht ligt dit alles verscholen. En ik heb het u getoond.’


Yess in gesprek met wetenschappers

Toen hij deze dingen zei, waren er velen die zijn woorden gingen geloven. En tegen de wetenschappers die hem geloofden zei Yess: ‘Wanneer u in open Aandacht blijft, bent u werkelijk mijn studenten. U zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u bevrijden.’ Ze zaten in een aula in de universiteit en zeiden: ‘Wij zijn nakomelingen van Aristoteles en we zijn nooit iemands slaaf geweest – hoe kunt u dan zeggen dat wij Verlost zullen worden?’ Yess antwoordde: ‘Echtwaar, ik verzeker u: iedereen die onwetend is, is een slaaf van de onwetendheid. Misschien dat jullie Het nog niet kennen, maar dit betekent niet dat Het niet bestaat. Nu blijft de slavernij van de onwetendheid niet voor eeuwig bestaan, maar de Mensenkinderen van het Heel-Al blijven wel voor eeuwig.

In zoverre de Aandacht op de Grote Geest is gericht, zal deze u vrij maken, zult u werkelijk vrij zijn. Begrijpen jullie dat? Er is geen gezag of fundament, want wat iemand ook denkt, zegt of doet, het is altijd de Grote Geest, het Heel-Al dat dit doet, in eeuwige symmetrie en in eeuwige rust, waartegen elke beweging zich afspeelt. Als men u vraagt naar een teken van het Heel-Al, antwoordt dan dat het beweging is en rust. Als men u vraagt naar wat zij moeten doen, zeg dan dat zij voorbijgangers moeten zijn, zonder sporen na te laten. Begrijpen jullie dat?

Ik weet wel dat u nakomelingen van Aristoteles bent. Toch wilt u mij zwartmaken, omdat er in u geen ruimte is voor wat ik zeg. Uw leegheid is geen ware leegte. Mijn leegte is de leegte die alles en allen omvat. Ik spreek over wat ik gezien heb bij het Heel-Al, u doet wat u gehoord hebt van uw ouders of gestudeerd hebt in uw boeken.’

‘De vader van de wetenschap is Aristoteles, Darwin en Einstein,’ zeiden ze. Maar Yess zei: ‘Als u echt geesteskinderen van Aristoteles, Darwin en Einstein bent, zou u moeten doen wat zij deden. Maar nee, u wilt mij, iemand die u de waarheid heeft gezegd die hij van de Grote Geest gehoord heeft, vernietigen en monddood maken – zoiets hebben Aristoteles, Darwin en Einstein niet gedaan. Maar jullie doen inderdaad wat jullie ouders deden!’ Ze zeiden: ‘Wij zijn geen bastaardkinderen! We hebben maar één geloof: de wetenschap.’ ‘Als de wetenschap uw geloof was,’ zei Yess tegen hen, ‘zou u mij liefhebben, want ik ben van bij de oerknal vandaan gekomen toen ik hiernaartoe kwam. Ik ben niet namens mezelf gekomen, maar het Heel-Al heeft mij gezonden. Waarom begrijpt u niet wat ik zeg? Omdat u mijn woorden niet kunt aanhoren. De vader van uw onderzoek is de eenzijdigheid, en u doet maar al te graag wat uw vader wil. Hij is vanaf het begin een moordenaar geweest. Hij hoort niet bij de waarheid, omdat er geen waarheid is in de eenzijdigheid. Wanneer deze eenzijdigheid liegt, spreekt deze ook zoals hij is: een aartsgrote leugenaar, de godheid zelf van de leugen. Maar mij gelooft u niet, ook al spreek ik de waarheid van de vol-ledigheid. Kan een van u mij van fouten beschuldigen? Als ik de waarheid van de symmetrie van het Heel-Al uitspreek, waarom gelooft u me dan niet? Wie van de Grote Geest is, luistert naar de woorden van de Grote Geest. Jullie luisteren niet, omdat jullie niet weten dat jullie zelf uit de Grote Geest zijn.’ De wetenschappers riepen: ‘Zeggen we soms ten onrechte dat u een pseudo-wetenschapper bent, en dat u bezeten bent?’ ‘Ik ben niet bezeten,’ zei Yess. ‘Ik eer mijn Oorsprong, maar u eert deze niet, en mij niet. Ik ben niet uit op eigen eer; iemand anders is uit op mijn eer en deze zal oordelen. Echtwaar, ik verzeker u: als iemand de Aandacht bewaart zal hij de dood nooit zien.’

Toen zeiden de wetenschappers: ‘Nu weten we zeker dat u bezeten bent! Aristoteles is gestorven, en alle wetenschappers na hem ook, en u zegt: “Wie de Aandacht bewaart zal de dood nooit proeven”! Bent u soms meer dan onze geestesvader Aristoteles, die gestorven is? Ook de wetenschapslui na hem zijn gestorven. Wie denkt u wel dat u bent?’ Yess antwoordde: ‘Wanneer ik mezelf zou eren, zou mijn eer niets betekenen, maar het is het Heel-Al dat mij eert, het Heel-Al van wie u zegt dat het onze grond van bestaan is, hoewel u deze grond niet kent en erkent. Ik ken het ingrondelijke van de grond wel. Als ik zou zeggen dat ik het niet ken, zou ik een leugenaar zijn, net als u. Maar ik ken het wel, en ik bewaar elk moment van zijn bestaan. Aristoteles, jullie geestelijke vader, verheugde zich al op mijn komst, en toen hij die meemaakte was hij zo blij, maar jullie weten dat niet.’ De wetenschappers zeiden: ‘U bent nog geen vijftig en u zou Aristoteles gezien hebben?’ ‘Echtwaar, ik verzeker u,’ antwoordde Yess, ‘van voordat Aristoteles er was, ben ik er.’ Toen namen ze boeken en schrijfgerij op om naar hem te gooien. Maar Yess wist onopgemerkt uit de aula te ontkomen.


Hoofdstuk 9

In één moment verlicht

In het voorbijgaan zag Yess iemand die al vanaf zijn geboorte onwetend gebleven was. Zijn studenten vroegen: ‘Meester, hoe komt het dat sommigen blind blijven voor de waarheid, als was het of ze ermee geboren worden? Heeft hij daar zelf voor gezorgd of is dat erfelijk?’ ‘Niemand is een meester in wat-is. Noch de man zelf noch de opvoeding door zijn ouders noch zijn genen zijn het,’ antwoordde Yess, ‘maar het werk van de Grote Geest moet voor en door hem zichtbaar worden. Zolang het dag is, moeten we het werk doen van diegene die mij gezonden heeft; straks komt de nacht en dan kan niemand iets doen. Zolang ik in de wereld ben, ben ik het licht voor de wereld.’ Na deze woorden spuwde hij op de grond. Met het speeksel maakte hij wat modder, hij streek die op de ogen van de onwetende, fluisterde enkele zinnen in zijn oor en zei toen tegen hem: ‘Ga naar een sauna in uw buurt en denk daar na over wat ik u heb gezegd.’ De man ging weg, dacht bij zichzelf na, en toen hij terugkwam was hij in de Geest en bleef in Aandacht bij elk moment.

Zijn buren en de mensen die hem kenden als sukkelaar en leefloontrekkende zeiden: ‘Is dat niet de man die altijd werkloos was en niet veel bezittingen heeft?’ De een zei: ‘Ja, die is het,’ en de ander: ‘Nee, maar hij lijkt er wel op.’ De man zelf zei: ‘Ik ben het echt.’ Toen vroegen ze: ‘Hoe zijn je ogen opengegaan voor de waarheid?’ Hij zei: ‘Iemand die Yess heet, maakte wat modder, streek die op mijn ogen en zei: ‘Ga naar een sauna om na te denken over mijn woorden.’ Ik ging erheen, en toen ik met een milde open aandacht keek naar de gedachten, het lichaam en de gevoelens die er waren, en innerlijk stopte bij het moment, toen kon ik plotseling het hele Heel-Al zien en wist ik wat hij bedoelde.’

Ze vroegen: ‘Waar is die man?’ ‘Dat weet ik niet,’ zei hij. Toen namen ze de man die altijd onwetend en onbemiddeld was geweest mee naar enkele journalisten. De dag dat Yess modder gemaakt had en zijn ogen geopend had, was namelijk opnieuw een zondag. Ook de journalisten vroegen hoe het kwam dat hij nu zoveel wist. En weer vertelde hij: ‘Hij heeft wat modder op mijn ogen gedaan, ik ben naar de sauna geweest en nu begrijp ik alles wat hij zegt, zonder dat ik iets heb gestudeerd of zonder dat iemand het mij heeft uitgelegd’ Sommige journalisten meenden: ‘Zo iemand komt niet van de Grote Geest, want hij houdt zich niet aan de wetten en regels,’ maar anderen zeiden: ‘Hoe zou een slecht mens zulke tekenen kunnen doen?’ Er ontstond verdeeldheid. Daarop vroegen ze aan de man die verlichting had ervaren: ‘Wat denk jij van die man? Het zijn immers jouw ogen die hij heeft geopend.’ ‘Hij is een ziener,’ was zijn antwoord. Maar de dokters en specialisten wilden niet aanvaarden dat hij niets wist en nu deze moeilijke dingen kon begrijpen.

Ze riepen zijn ouders [19] en vroegen hun: ‘Is dat uw zoon die nooit naar school is geweest of nooit een baan heeft gehad? Hoe kan hij nu zulke dingen vertellen over de Geest en over het Heel-Al?’ ‘Dit is onze zoon,’ zeiden zijn ouders, ‘en hij is nooit naar school geweest en heeft nooit een baan gehad, dat weten we zeker. Maar hoe het komt dat hij nu zulke moeilijke zaken uitlegt, dat weten we niet, en wie zijn ogen geopend heeft, weten we ook niet. Vraag het hem zelf maar. Hij is oud genoeg om voor zichzelf te spreken.’

Dat zeiden de ouders omdat ze bang waren voor de pers en de specialisten, omdat die toen al besloten hadden dat ze iedereen die Yess als de Messias zou erkennen uit de media zouden weren, of er de spot mee zouden drijven. Daarom zeiden de ouders dus dat hij oud genoeg was en dat ze het hem zelf moesten vragen. Toen riepen ze de man die vroeger altijd onwetend geweest was weer bij zich. ‘Op uw erewoord,’ zeiden ze, ‘die man is toch een misdadiger, dat weten we toch.’ ‘Of hij een misdadiger is weet ik niet,’ zei hij, ‘maar één ding weet ik wel: ik was blind voor de Waarheid en onwetend over de Grote Geest, maar nu kan ik alles helder zien en begrijpen.’

Ze drongen aan: ‘Wat heeft hij met je gedaan? Hoe heeft hij je ogen geopend?’ ‘Dat heb ik u toch al verteld,’ zei hij, ‘maar u luistert niet! Wat wilt u nog meer horen? Wilt u soms een student van hem worden?’ Nu vielen ze tegen hem uit: ‘Je bent zelf een student van hem die ons wil bedriegen! Wij zijn sceptici en vertrouwen enkel op de wetenschap. Van de profeten van de zes religies weten we dat die wellicht door de Grote Geest gedoopt zijn geweest om zoveel teweeg te kunnen brengen in de geschiedenis, maar van deze man weten we niet waar hij vandaan komt.’

De man antwoordde: ‘Wat vreemd dat u niet begrijpt waar hij vandaan komt, terwijl hij mijn ogen geopend heeft. We weten dat de Grote Geest niet naar misdadigers en geesteszieken luistert, maar wel naar iemand die zuiver is van hart en alleen zijn wil doet. Dat de ogen van iemand die onwetend en ongeletterd is, geopend worden, dat is wel al eens eerder vertoond, maar wellicht niet zo direct als bij mij! Als die man niet van de Grote Geest kwam, zou hij dit toch niet hebben kunnen doen?’ Toen riepen ze: ‘Jij, sinds je geboorte een en al zonde, wil jij ons de les lezen?’ En ze joegen hem weg. Yess hoorde dat en zocht hem op. Hij vroeg: ‘Hebt u vertrouwen in de Grote Geest?’ ‘Als ik wist wat het was, mijnheer, zou ik in de Grote Geest vertrouwen en mijn leven ervoor over hebben,’ zei hij. ‘U kijkt naar de Geest en u spreekt ermee,’ zei Yess. Toen zei de man: ‘Het is!’ en hij boog zich voor Yess neer. Yess zei: ‘Het is in de wereld gekomen om het oordeel te vellen. Dan zullen zij die niet zien, zien en zij die zien, zullen blind blijken te zijn, en als een blinde een blinde leidt, vallen zij beiden in een put.’ Een paar geleerden die bij hem stonden en dat hoorden, zeiden: ‘Wij zijn toch zeker niet blind!’ [41] ‘Was u maar blind,’ zei Yess, ‘dan zou u zonder valsheid zijn. Maar u beweert dat u kunt zien, en dus blijft uw hoogmoed en uw valsheid.’


Hoofdstuk 10

De schapen en de herder

‘Echtwaar, ik verzeker u: wie de schaapskooi niet binnengaat door de deur maar ergens anders naar binnen klimt, is een dief of een rover. Wie door de deur naar binnen gaat, is de herder van de schapen. Voor hem doet de bewaker open. De schapen luisteren naar zijn stem, hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. Wanneer hij al zijn schapen naar buiten gebracht heeft, loopt hij voor ze uit en de schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen. Iemand anders volgen ze niet, ze lopen juist van hem weg omdat ze de stem van een vreemde niet kennen.’

Yess vertelde hun deze gelijkenis, maar ze begrepen niet wat hij bedoelde. Hij ging verder: ‘Dus, ik verzeker u: ik ben de deur voor de schapen. Wie vóór mij kwamen waren allemaal dieven en rovers, maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd. Ik ben de deur: wanneer iemand door mij binnenkomt zal hij gered worden; hij zal in en uit lopen, en hij zal weidegrond vinden, want wie schapen wil hoeden moet hen een weide geven met veel gras erop. Een dief komt alleen om te roven, te slachten en te vernietigen, maar ik ben gekomen om hun het leven te geven in al zijn volheid. Ik ben ook als een goede herder. Een goede herder geeft zijn leven voor de schapen. Een bediende, iemand die geen herder is, en die niet de eigenaar van de schapen is, laat de schapen in de steek en slaat op de vlucht zodra hij een wolf ziet aankomen. De wolf valt de kudde aan en jaagt de schapen uiteen; de man is betaald voor zijn baan en de schapen kunnen hem niets schelen. Ik ben evenwel als een goede herder. Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen mij, zoals het Heel-Al mij kent en ik het Heel-Al ken. Ik geef mijn leven voor de schapen. Maar ik heb ook nog andere schapen, die niet uit deze schaapskooi komen. Ook die moet ik hoeden, en redden, en ook zij zullen naar mijn stem luisteren: dan zal er één kudde zijn, met één herder en één Nieuwe Aarde. Het Heel-Al heeft mij lief omdat ik mijn leven geef, om het ook weer terug te nemen. Niemand neemt mijn leven, ik geef het zelf. Ik ben vrij om het te geven en om het weer terug te nemen – dat is de opdracht die ik van het Heel-Al heb gekregen. Het egotische zelf geef ik volledig op.’

Opnieuw ontstond er verdeeldheid onder de Jurifisten om wat hij zei. Veel mensen zeiden: ‘Hij is psychotisch, hij is gek. Waarom luisteren jullie nog naar hem?’ Maar anderen zeiden: ‘Dit zijn niet de woorden van iemand die psychotisch is, en een demon kan de ogen van onwetenden niet openen.’


Geloof en ongeloof

In Brussel werd het nieuwjaarsfeest gevierd; het was winter. Yess liep in de gaanderijen, niet ver van het centraal station. Daar kwamen de plaatselijke pers weer om hem heen staan, en ze vroegen hem: ‘Hoe lang houdt u ons nog in het onzekere? Als u de Messias, Mahdi of Maitreya bent, zeg het ons dan ronduit.’ Yess antwoordde: ‘Dat heb ik u al gezegd, maar u gelooft het niet. Wat ik namens het Heel-Al doe getuigt over mij, maar u wilt me niet begrijpen, omdat u niet bij mijn schapen hoort. Mijn schapen luisteren naar mijn stem, ik ken ze en zij begrijpen mij. Ik geef ze eeuwig leven: ze zullen nooit verloren gaan en niemand zal ze uit mijn hand roven. Wat de Grote Geest mij gegeven heeft gaat alles te boven, niemand kan het uit de hand van het Heel-Al roven, en het Heel-Al en ik zijn één.’

Toen de journalisten weer cynisch over hem werden omdat ze hem wilden monddood maken, zei Yess: ‘Ik heb door het Heel-Al veel goeds voor u gedaan; waarom wilt u me belachelijk maken?’ ‘Voor een goede daad zullen we u niet uitlachen,’ antwoordden ze, ‘maar wel voor de groteske vertoning van grootheidswaan die u ten toon spreidt: u bent een mens, maar u beweert dat u de Grote Geest en het Heel-Al bent!’ Yess zei: ‘Zeggen niet alle zes grote wereldreligies in hun boeken: “Wij hebben gezegd: ‘U bent Geest’?” De oude wijsheden blijven altijd van kracht; als mensen tot wie de Grote Geest spreekt zelf als geestelijk genoemd worden, hoe kunt u mij, door het Heel-Al erkend en naar de wereld gezonden, dan beschuldigen van grootheidswaan wanneer ik zeg dat ik een Mensenkind van de Grote Geest ben? Als wat ik doe niet van het Heel-Al komt, geloof me dan niet, maar als dat wel het geval is en u begrijpt me toch niet, probeer dan tenminste te erkennen wat ik doe. Dan zult u begrijpen dat het Heel-Al in mij is en dat ik in Het Heel-Al ben.’

En weer wilden ze hem grijpen, maar hij ontsnapte. Hij ging terug naar de overkant van de Zenne, naar de Marollenwijk, waar ook volgelingen van Brahman, Mozes, Boeddha, Lao-Tze, Jezus en Mohammed werkzaam waren. Daar bleef hij. Veel mensen kwamen naar hem toe; ze zeiden: ‘De oude leerstellingen tonen ons weliswaar op dit moment geen tekenen, maar alles wat zij over deze man gezegd hebben is waar.’ En velen begonnen de kern van de boodschap van Yess te begrijpen.


Hoofdstuk 11

De opwekking van Zaza, de Rus

Er was iemand ziek, een zekere Zaza uit Stasegem, het dorp waar Maria Fatima en haar zuster Shiva woonden – dat was de Maria die Yess met etherische olie gezalfd heeft en zijn voeten met haar haar heeft afgedroogd; de zieke Zaza was haar broer. De zusters stuurden iemand naar Yess met de boodschap: ‘Lieve Yess, uw vriend is zwaar gewond geworden na een verkeersongeval.’Toen Yess dit hoorde zei hij: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van de Grote Geest, zodat de kinderen van de Grote Geest geëerd zullen worden.’ Yess hield veel van Shiva en haar zuster, en van Zaza, die ‘de Rus’ als bijnaam had, omdat hij alles over Rusland wist en er vaak heen reisde.

Zijn zus Maria Fatima, ook wel de Profetes genoemd, was de lievelingsstudente van Yess, en hij kuste haar vaak openlijk op de mond. Maar toen hij gehoord had dat Zaza ziek was, bleef hij toch nog twee dagen waar hij was. Daarna zei hij tegen zijn studenten: ‘Laten we teruggaan naar West-Vlaanderen.’ ‘Maar Meester,’ protesteerden de studenten, ‘de media wilden er u monddood, en nu wilt u daar toch weer naartoe?’ Yess zei: ‘Wie is de meester van wat-is? Telt een dag niet twaalf uren? Wie overdag loopt, struikelt niet, want hij ziet het licht van deze wereld, maar wie ’s nachts loopt, struikelt doordat hij geen licht heeft.’ Nadat hij dat gezegd had zei hij: ‘Onze vriend Zaza is ingeslapen, ik ga hem wakker maken.’ De studenten zeiden: ‘Als hij slaapt, zal hij wel beter worden.’

Zij dachten dat hij het over slapen had, terwijl Yess bedoelde dat hij vreesde dat hij gestorven was. Toen zei hij hun ronduit: ‘Zaza is wellicht gestorven, en om jullie ben ik blij dat ik er niet bij was: nu kunnen jullie tot inzicht komen. Laten we dan nu naar hem toe gaan.’ Ramesj zei tegen de anderen: ‘Laten ook wij maar gaan, om met hem te sterven.’ Toen Yess daar aankwam, hoorde hij dat Zaza al vier dagen in het dodenhuisje van het funerarium lag. Stasegem bevond zich honderd kilometer van Brussel verwijderd, en er waren dan ook veel journalisten naar Shiva en Maria Fatima gekomen om hen te troosten nu hun broer gestorven was. Toen Shiva hoorde dat Yess onderweg was ging ze hem tegemoet, terwijl Maria thuisbleef. Shiva zei tegen Yess: ‘Als u hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik dat de Grote Geest u alles zal geven wat u vraagt.’

Yess zei: ‘Je broer zal uit de dood opstaan. Ik heb hem alles geleerd’ ‘Ja,’ zei Shiva, ‘ik weet dat hij bij de opstanding van de doden op de laatste dag zal opstaan.’ Maar Yess zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie mij begrijpt zal leven, ook wanneer hij sterft, daar gaat het net om en ieder die leeft en mij begrijpt zal nooit sterven. Besef je dat?’ ‘Ja Yess,’ zei ze, ‘ik weet dat u de Messias bent, de Mensenzoon van de Grote Geest die naar de wereld zou komen.’ Na deze woorden ging ze terug, ze nam haar zuster Maria Fatima apart en zei: ‘De meester is er, en hij vraagt naar je.’ Zodra Maria dit hoorde ging ze naar Yess toe, die nog niet in het dorp was, maar op de plek waar Shiva hem tegemoet was gekomen. Toen de plaatselijke politici en pers die bij haar in huis waren om haar te troosten, Maria Fatima zo haastig zagen weggaan, liepen ze achter haar aan, want ze dachten dat ze naar het dodenhuis ging om daar te huilen.

Misschien konden ze daar foto’s van nemen en de wereld insturen? Zodra Maria Fatima op de plek kwam waar Yess was en hem zag, viel ze in zijn armen en ze zei: ‘Als u hier was geweest, Yess, dan zou mijn broer niet gestorven zijn!’ Yess zag hoe zij en diegenen die haar waren gevolgd verdrietig waren, en dat ergerde hem. Diep bewogen vroeg hij: ‘Het kan niet echt zijn. Waar hebben jullie hem neergelegd?’ Ze zeiden: ‘Kom maar kijken.’ Yess begon ook te huilen, en de journalisten zeiden: ‘Wat heeft hij veel van hem gehouden!’

Maar er werd ook gezegd: ‘Hij heeft de ogen van een onwetende geopend, hij had nu toch ook de dood van Zaza kunnen voorkomen?’ Ook dit ergerde Yess. Hij liep naar het dodenhuis, en bleef voor de deur staan. Hij zei: ‘Doe de deur open.’ Shiva, de zuster van de dode, zei: ‘Maar Yess, hoe zal hij eruit zien! Hij ligt er al vier dagen!’ Yess zei tegen haar: ‘Ik heb je toch gezegd dat je de grootheid van de Grote Geest zult zien als je vertrouwt?’ Toen deden ze de deur open. Daarop keek hij omhoog en zei: ‘Grote Geest, ik dank u dat u mij hebt gegeven. U geeft mij altijd alles waar ik naar vraag, dat weet ik, maar ik zeg dit ter wille van al die mensen hier, opdat ze zullen begrijpen dat u mij gezonden hebt.’ Daarna riep hij: ‘Zaza, het is genoeg geweest, kom nu maar naar buiten!’ De dode schrok op, kwam bij bewustzijn, en uit een diepe samadhi te voorschijn, zijn handen en voeten in een doodskleed gewikkeld, en zijn gezicht bedekt met een doek. Yess zei tegen de omstanders: ‘Maak die kleren los, en laat hem gaan.’


De vijanden van Yess willen hem laten oppakken.

Veel journalisten die naar Maria Fatima toe gekomen waren en gezien hadden wat Yess deed, kwamen tot verlichting. Maar enkelen gingen naar de politie om hun te vertellen wat Yess gedaan had. Daarop riepen de procureurs en de fractieleiders in het Vlaamse parlement een vergadering bijeen: ‘Wat moeten we doen? Deze man doet veel tekenen, en als we hem zijn gang laten gaan, zal iedereen in hem vertrouwen gaan hebben. Straks grijpt de Europese Unie in; dan zullen ze onze decreten en onze regionale instituten vernietigen.’

Een van hen, Jean Malfroid, die dat jaar fractieleider was, zei tegen de anderen: ‘Jullie begrijpen het niet! Besef toch dat het in jullie eigen belang is dat één man verdwijnt voor het hele Vlaamse volk, zodat niet het hele Vlaamse volk verloren gaat.’ Dat zei hij niet uit zichzelf: als fractieleider in dat jaar sprak hij de voorspelling uit dat Yess zou moeten verdwijnen in functie van de hele Vlaamse zaak, en niet alleen voor Vlaanderen, maar ook om al de gevestigde waarden, de democratische instituten, en de opgelegde conditioneringen, staande te kunnen houden. Vanaf die dag overlegden ze hoe ze hem zouden doen verdwijnen.

Yess stond de pers niet meer te woord in het openbaar, maar vertrok naar de Ardennen, naar het dorp Oppagnes. Daar bleef hij met zijn studenten. Het was kort voor één mei, het volkse feest van de Arbeid, en veel mensen uit de omgeving gingen al vóór het feest naar Brussel om er een manifestatie te houden. Daar keken ze uit naar Yess; ze stonden aan het Justitiepaleis en op het Beursplein en zeiden tegen elkaar: ‘Wat denk je? Zou hij niet meer naar het feest komen?’ De politie en de procureurs hadden opdracht gegeven hem aan te geven als men wist waar hij was, zodat ze hem konden arresteren.


Hoofdstuk 12

Maria Fatima zalft Yess

Zes dagen voor het feest van de Arbeid ging Yess terug naar Stasegem, naar Zaza die hij uit zijn samadhi had opgewekt. Daar hield men ter ere van hem een laatste maaltijd. Shiva bediende, en Zaza was een van de mensen die met hem aan tafel zaten. Maria Fatima, de Profetes, nam een kruikje kostbare, zuivere nardusolie, zalfde de voeten van Yess en droogde ze af met haar haar. De geur van de olie trok door het hele huis. Tor Iskariot, een van de studenten, degene die hem zou uitleveren, vroeg: ‘Waarom is die olie niet voor veel geld verkocht om het geld daarna aan de armen te geven in Brussel of in Par-Isis?’

Dat zei hij niet omdat hij zich om de armen bekommerde – hij was een dief: hij beheerde de kas van de groep studenten en hij stal eruit. Maar Yess zei: ‘Laat haar, ze doet dit voor de dag van mijn eigen verdwijning;de armen zijn immers altijd bij jullie, maar ik niet.’ Intussen hadden de rechercheurs van de politie gehoord dat Yess daar was en ze gingen in groten getale naar hem toe, niet alleen om hemzelf, maar ook om Zaza te zien die hij uit de diepe samadhi had opgewekt. De geheime dienst van het land, en ook de dienst voor vreemdelingenzaken, beraamden intussen een plan om ook Zaza op te pakken, omdat hij er de oorzaak van was dat veel journalisten bij Yess kwamen en in hem vertrouwen gingen hebben.


Intocht in Brussel

De volgende dag was er al een grote menigte in Brussel voor het feest. Toen ze hoorden dat Yess ook zou komen, haalden ze slingers en rode rozen en liepen ze de stad uit, hem tegemoet, terwijl ze riepen: ‘Ho Zaza, Ho Yess! Veel geluk voor zij die komen in de naam van het geluk en de welvaart, de droom van allen in deze wereld.’ Yess zag een fiets staan en ging erop zitten, zoals ergens in een literair boek geschreven staat: ‘Vrees niet, Stad der Staten, je koning is in aantocht, en hij zit op een fiets.’

Zijn studenten begrepen dit aanvankelijk niet, maar later, nadat Yess de hongerstaking –hij at en dronk nu niets meer- achter de rug had, herinnerden ze zich dat dit over hem geschreven stond, en dat het zo ook gebeurd was. De mensen die erbij waren geweest toen hij Zaza uit de diepe samadhi riep en uit de Aandacht opwekte, waren van die gebeurtenis blijven getuigen. Daarom ging de menigte hem ook tegemoet, omdat ze gehoord hadden dat hij dit teken had gedaan. En de politici zeiden tegen elkaar: ‘Zaza wie? Yess wie? Ach, je ziet dat we niets bereikt hebben: kijk maar, de hele wereld loopt achter hem aan.’


Yess spreekt over het sterven

Nu waren er ook een aantal Chinezen naar het feest van de arbeid gekomen om het feest te leren kennen en om aan de volksoptocht mee te doen. Zij gingen naar Laud uit Antwerpen in Vlaanderen, en vroegen hem of ze Yess konden ontmoeten. Laud ging dat tegen Siddha zeggen en samen gingen ze naar Yess. Yess zei: ‘De tijd is gekomen dat de Mensenkinderen tot inzicht komen. Echtwaar, ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht. Wie zijn ego liefheeft verliest het, maar wie in deze wereld zijn ego haat, behoudt het voor het eeuwige leven. Wie mij dient moet mij begrijpen: waar ik ben zal ook mijn dienaar zijn, en wie mij dient zal door het Heel-Al geëerd worden. Nu ben ik doodsbang. Wat moet ik zeggen? Heel-Al, laat dit ogenblik aan mij voorbijgaan? Maar hiervoor ben ik juist gekomen. Laat nu zien hoe groot uw rijk is, Multiversum.’

Toen was het alsof er een stem uit de hemel weerklonk: ‘Ik heb mijn grootheid al vaak getoond en ik zal mijn grootheid opnieuw tonen.’ De mensen die daar stonden en dit hoorden, zeiden: ‘Een donderslag!’ Maar er waren er ook die zeiden dat het een hemelwezen was die tegen hem gesproken had. Yess zei: ‘Die stem heeft niet voor mij gesproken, maar voor u. Nu wordt een oordeel over deze wereld geveld, nu zal de bodemloze verlangende geest van het ego uit deze wereld gebannen worden. Wanneer ik van de aarde omhoog stijg, zal ik iedereen hebben overtuigd.’

Daarmee bedoelde hij de wijze waarop hij zou verdwijnen. ‘Maar wij hebben uit de geschiedenis en de boeken begrepen dat de Messias eeuwig blijft leven,’ zeiden de mensen, ‘waarom zegt u dan dat de verlangende geest van het ego van de Mensenkinderen moet verdwijnen? Wie zijn die Mensenkinderen dan? En blijft de Messias nu of niet?’ ‘Nog een korte tijd is het sterrenlicht bij u,’ antwoordde Yess. ‘Ga uw weg zolang het licht van de Aandacht er is en laat de duisternis u niet overvallen; wie in het donker loopt weet niet waar hij heen gaat. Zie het licht zolang u het licht bij u hebt, dan bent u Sterrenkinderen van het licht.’ Na deze woorden ging Yess weg en hij hield zich voor hen schuil.


Ongeloof

Ondanks de tekenen die hij voor hun ogen gedaan had, begrepen ze hem niet. Zo gingen de woorden van de hexagrammen van het orakel in vervulling, die zegden: ‘Wie heeft onze boodschap begrepen? Als men iets te zeggen heeft, wordt men niet geloofd. De edele zet zijn leven op het spel om zijn wil te volgen. Hij verhult zijn glans en blijft toch licht. Op de eigen dag vind je geloof. Hij ordent de tijdrekening en klaart de tijden.’ Ze konden niet tot inzicht komen, want de zieners hebben ook gezegd: ‘Hij heeft hun ogen verblind en hun hart gesloten, anders zouden zij met hun ogen zien en met hun hart begrijpen, ze zouden zich omkeren en ik zou hen genezen! De oude teksten doelden op Yess toen zij dit zeiden, omdat ze zijn grootheid zagen.

Toch waren er ook veel leiders die hem wel begrepen, maar vanwege het politieke klimaat kwamen ze daar niet openlijk voor uit, omdat ze niet uit hun functies gezet wilden worden. Ze stelden meer prijs op de eer van mensen dan op de eer van de Grote Geest.


De verkondiging

Yess had luid en duidelijk gezegd: ‘Wie in mij vertrouwt, vertrouwt niet in mij, maar in datgene wat mij gezonden heeft, en wie mij ziet, ziet datgene wat mij gezonden heeft. Ik ben het Aandachtslicht dat naar de wereld is gekomen, opdat iedereen die in mij vertrouwt niet meer in de duisternis is. Als iemand mijn woorden hoort maar ze niet koestert, zal ik niet over hem oordelen. Ik ben immers niet gekomen om over de wereld te oordelen, maar om de wereld te bevrijden. Wie mij afwijst en mijn woorden niet aanneemt heeft al een rechter: alles wat ik gezegd heb zal op de laatste dag van zijn leven over hem oordelen. Ik heb niet namens mezelf gesproken, maar het Oerpunt dat mij gezonden heeft, heeft me opgedragen wat ik moest zeggen en hoe ik moest spreken. Ik weet dat zijn opdracht eeuwig leven betekent. Alles wat ik zeg, zeg ik zoals het Heel-Al het mij verteld heeft.’


Hoofdstuk 13

De voetwassing

Enkele dagen voor het feest van de Arbeid, wist Yess dat zijn tijd gekomen was en dat hij uit de wereld terug zou keren naar het Heel-Al. Hij had de mensen die hem in de wereld toebehoorden lief, en zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan. Yess en zijn studenten hielden dus die laatste maaltijd. Tor, de zoon van Arthur Isharot, werd intussen, door geld, ertoe aangezet Yess te verraden. Yess, die wist dat het Heel-Al hem alle macht had gegeven, dat hij van de Grote Geest was gekomen en weer naar de Grote Geest terug zou gaan, stond tijdens de maaltijd op. Hij legde zijn hemd af, deed het schort van de poetsvrouw aan [5] en goot water in een waskom.

Hij begon de voeten van zijn studenten te wassen en droogde ze af met het schort die hij aangedaan had. [6] Toen hij bij Arthur Baruch kwam, zei deze: ‘U wilt toch niet mijn voeten wassen, Heer?’ Yess antwoordde: ‘Wat ik doe, begrijp je nu nog niet, maar later zul je het wel begrijpen.’ ‘O nee,’ zei Arthur, ‘míjn voeten zult u niet wassen, nooit!’ Maar toen Yess zei: ‘Als ik ze niet mag wassen, kun je niet bij mij horen,’ antwoordde hij: ‘Meester, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!’ Hierop zei Yess: ‘Wie gebaad heeft hoeft alleen nog zijn voeten te wassen, hij is al helemaal zuiver. Jullie zijn dus zuiver van nature – maar niet allemaal. En zelfs dat is behorend tot het Heel-Al, want elk deel heeft, direct en instant, van nature, zijn tegendeel.’

Hij wist namelijk wie hem zou verraden, daarom zei hij dat ze niet allemaal zuiver waren. Toen hij hun voeten gewassen had, deed hij zijn hemd weer aan en ging naar zijn plaats. ‘Begrijpen jullie wat ik gedaan heb?’ vroeg hij. ‘Jullie zeggen altijd “Meester” en “Heer” tegen mij, onterecht, want dat ben ik niet. Maar als ik, zogezegd jullie Heer en jullie Meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen. Toch? Ik heb een voorbeeld gegeven; wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen. Echtwaar, ik verzeker jullie: een slaaf is niet minder dan zijn meester, en een afgezant niet minder dan wie hem zendt. Je zult gelukkig zijn als je dit niet alleen begrijpt, maar er ook naar handelt. Ik doel niet op jullie allemaal: ik weet wie ik heb uitgekozen. Wat in de geschriften staat zal in vervulling gaan: “Hij die at uit mijn hand heeft zich tegen mij gekeerd.” Ik zeg het jullie nu al, voor het gaat gebeuren; wanneer het dan gebeurt, zullen jullie begrijpen dat ik het ben. Ik verzeker jullie: wie iemand ontvangt die door mij gezonden is ontvangt mij, en wie mij ontvangt neemt ook datgene aan wat mij gezonden heeft.’


De verrader

Nadat hij dit gezegd had werd Yess diepbedroefd, en hij verklaarde: ‘Echtwaar, ik verzeker jullie: een van jullie zal mij verraden.’ De studenten keken elkaar aan en vroegen zich af wie hij bedoelde. Een van hen, de student van wie Yess heel veel hield, zat naast hem aan tafel, en Arthur Baruch beduidde haar dat zij moest vragen wie Yess bedoelde. Zij boog zich dicht naar Yess toe en vroeg: ‘Wie, Yess?’ ‘Degene aan wie ik het stuk brood geef dat ik nu in de soep doop,’ zei Yess. Hij –die zelf niet dronk en at- doopte een stuk brood in een bord en gaf het aan Tor, de zoon van Arthur Isharot.

Op dat moment keek Tor met grote opengesperde en vragende ogen naar Yess. Yess zei: ‘Doe maar meteen wat je van plan bent.’ Niemand aan tafel begreep waarom hij dit zei; omdat Tor de geldkas beheerde, dachten sommigen dat Yess bedoelde dat hij inkopen voor het feest moest doen, of dat hij iets aan de armen moest geven. Tor nam het brood aan en ging meteen weg. Het was nacht.


Yess gaat naar het Heel-Al

Toen hij weg was zei Yess: ‘Nu zal de uitwerking op al de Mensenkinderen zichtbaar worden, en door hen ook de uitwerking van de Geest. Als de grootheid van de Geest voor hen zichtbaar geworden is, zal de Grote Geest hen ook in die uitwerking en grootheid laten delen, nu onmiddellijk. Mensengeslacht, ik blijf nog maar een korte tijd bij jullie. Jullie zullen me zoeken, maar wat ik tegen de Jurifisten gezegd heb, zeg ik nu ook tegen jullie: “Waar ik heen ga, daar kunnen jullie nu niet komen.” Ik geef jullie een hernieuwde uitnodiging: heb elkaar lief. De Geest IS Liefde! Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben. Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn studenten zijn.’ Arthur Baruch vroeg: ‘Waar gaat u naartoe?’

Yess antwoordde: ‘Ik ga ergens naartoe waar jij nog niet kunt komen, later zul je mij volgen. Ik ga naar de dimensie van het Heel-Al dat Nergensland heet, want je kan Het nergens vinden’ ‘Waarom kan ik u nu niet volgen, Yess? Ik wil mijn leven voor u geven!’ zei Arthur. [38] Maar Yess zei: ‘Jij je leven voor mij geven? Echtwaar, ik verzeker je: nog voor de haan kraait zul jij mij driemaal verloochenen.


Hoofdstuk 14

Terug bij de Grote Geest

Wees niet ongerust, maar vertrouw op de Geest en op mij. In het huis van het Ene Multi-versum zijn vele kamers; zou ik anders gezegd hebben dat ik een plaats voor jullie gereed heb gemaakt? Wanneer ik die plaats van Aandacht aan jullie heb getoond, dan kom ik telkens op dat moment terug. Dan zal ik jullie met me meenemen, en dan zullen jullie zijn waar ik ben, telkens weer. Jullie kennen dan de weg naar waar ik heen ga.’ Toen zei Ramesj: ‘Wij weten niet eens waar u naartoe gaat, Yess, hoe zouden we dan de weg daarheen kunnen weten?’

Yess zei: ‘Ik ben de Gouden Middenweg, de Innerlijke Waarheid en het Eeuwige Leven. Het denken werkt als het lichaam werkt, en als de wereld, maar ik heb het denken, het lichaam en de wereld overwonnen. Wie het denken, het lichaam en de wereld vindt, vindt een lijk, maar ik toon jullie het Levende Heel-Al, de werking van de Grote Geest. Niemand kan bij het Heel-Al komen dan op de wijze zoals ik heb getoond. Als jullie mij begrijpen zullen jullie ook het Heel-Al kennen, en vanaf nu kennen jullie Het, want jullie hebben Het door mij zelf gezien.’

Daarop zei Laud: ‘Laat ons de Grote Geest en het Hele Al zien, Yess, meer verlangen we niet.’ Yess zei: ‘Zolang het denken slaaf is van het verlangen, kan het niets ontvangen. Ik ben nu al zo lang bij jullie, en nog ken je me niet, Laud? Wie mij gezien heeft, heeft het Heel-Al gezien. Waarom vraag je dan om het Hele Al te mogen zien? Geloof je niet dat ik op dit moment in het Heel-Al ben en dat het Heel-Al in mij is? Het Koninkrijk is niet in de hemel of in de zee, maar binnenin elk van jullie én buiten jullie. Ik spreek niet namens mezelf als ik tegen jullie spreek, maar het Heel-Al die in mij blijft, doet zijn werk door mij. Geloof me: ik ben in het Heel-Al en het Heel-Al is in mij. Ik ben in de Geest en de Geest is in mij. Ik ben de micro- en de macrokosmos, het begin en het einde, de Alpha en de Omega. Als je mij niet begrijpt, zie dan toch wat Het met je doet. Echtwaar, ik verzeker jullie: wie op mij vertrouwt zal hetzelfde doen als ik, en zelfs meer dan dat, want dan ben je, net als ik, in de grond van de Geest. En wat jullie dan in de Geest vragen, dat zal gebeuren, zodat voor de Sterrenkinderen de uitwerking van het Heel-Al bewust zichtbaar wordt. Wanneer je iets in de Geest vraagt, zal het gebeuren.


De belofte van Yess

Als je zegt mij lief te hebben, houd je dan aan mijn adviezen en mijn uitnodiging. Dan zal ik het Heel-Al vragen jullie de essentie te geven, die altijd bij je zal zijn: de Grote Geest van de waarheid. Het lijk van de wereld kan die niet ontvangen, want ze ziet die niet en kent die niet. Jullie kennen de Grote Geest wel, want deze woont in jullie en zal in jullie blijven. Ik laat jullie niet als wezen achter, ik kom telkens bij jullie terug, als jullie met een milde, open, Aandacht aanwezig zijn bij wat-is. Als jullie naar binnen gaan zullen jullie weten dat jullie zonen en dochters zijn van de Levende Geest. Nog een korte tijd en de wereld zal mij niet meer zien, maar jullie zullen mij wel zien, want ik leef en ook jullie zullen leven. Dan zul je begrijpen dat ik in het centrum van het Heel-Al ben, dat jullie in mij zijn en dat ik in jullie ben. Wie ingaat op mijn uitnodiging en zich eraan houdt, heeft mij lief. Wie mij liefheeft zal de liefde van het Heel-Al en mij ontvangen, en ik zal mij telkens aan hem bekendmaken.’

Toen vroeg Tor (niet Tor Isharot) aan Yess: ‘Waarom zult u zich wel aan ons, maar niet aan de wereld bekendmaken?’ Yess antwoordde: ‘Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg, het Heel-Al zal hem liefhebben en de Grote Geest en ik zullen bij hem komen en in hem wonen. Maar wie mij niet liefheeft, houdt zich niet aan wat ik zeg, en wat jullie mij horen zeggen, zijn niet mijn woorden, maar de woorden van het Heel-Al zelf, door wie ik gezonden ben. Dit alles zeg ik tegen jullie nu ik nog bij jullie ben. Later zal, in een milde, mededogende en open Aandacht, de Grote Geest jullie alles blijven duidelijk maken en alles in herinnering brengen wat ik tegen jullie gezegd heb. Ik laat jullie de innerlijke vrede na; mijn innerlijke vrede en berusting geef ik jullie, zoals de wereld die nooit geven kan. Maak je niet ongerust, van de ochtend tot de avond niet, en van de avond tot de ochtend niet, en verlies de moed niet. Jullie hebben toch gehoord dat ik zei dat ik wegga en bij jullie steeds terug zal komen? Als je me liefhad zou je blij zijn dat ik naar mijn Oerbron ga, want het Heel-Al is meer dan ik. Ik vertel jullie dit nu, voordat het gebeurt, zodat jullie het begrijpen wanneer het zover is. Ik kan niet lang meer met jullie spreken, want de machthebbers van deze wereld zijn al onderweg. Maar wie de wereld heeft gevonden, vindt een lijk; en wie een lijk heeft gevonden, hem is de wereld niet waardig. Ik vertel mijn geheimen aan hen die ze waardig zijn. Zij hebben geen macht over mij, maar zo zal de wereld weten dat ik het Heel-Al liefheb en altijd doe wat het Heel-Al me heeft opgedragen. Dat is mijn vrijheid, omdat ik geen keuze heb. Door de Grote Wil van de Geest is mijn, op het ik gerichte willen, willoos geworden en daarom ben ik helemaal bevrijdt van alle zorg en alle leed van de wereld. Wie het Heel-Al denkt te kennen, maar niet zichzelf en zijn eigen aard, die blijft als wees achter, en is volkomen in gebreke. Kom, laten we hier weggaan.’


Hoofdstuk 15

De ware wijnstok

‘Ik ben de echte wijnstok en het Heel-Al is de wijnbouwer. Iedere rank aan mij die geen vrucht draagt snijdt Het weg, en iedere rank die wel vrucht draagt snoeit Het bij, opdat deze meer vruchten draagt. Jullie zijn al zuiver door alles wat ik tegen jullie gezegd heb. Blijf in mij, dan blijf ik in jullie. Een rank die niet aan de wijnstok blijft, kan uit zichzelf geen vrucht dragen. Zo kunnen jullie geen vrucht dragen als jullie niet in de Aandacht blijven. De Aandacht van de Geest is de wijnstok en jullie zijn de ranken. Als iemand in de Geest blijft en de Geest in hem, zal hij veel vrucht dragen. Maar zonder Aandacht kun je niets doen. Wie niet in de Aandacht blijft wordt weggegooid als een wijnrank en verdort; hij wordt met andere ranken verzameld, in het vuur gegooid en verbrand. Als jullie in Aandacht blijven en de Aandacht van de Geest is in jullie, dan kun je vragen wat je wilt en het zal gebeuren. De grootheid van het Heel-Al zal zichtbaar worden wanneer jullie veel vrucht dragen en mijn studenten zijn.


Uitnodiging tot liefde

Ik heb jullie liefgehad, zoals het Heel-Al mij heeft liefgehad. Blijf in de liefde van de Grote Geest: je blijft in mijn liefde als je je aan mijn uitnodiging houdt, zoals ik me ook aan de uitnodiging van het Heel-Al gehouden heb en in haar liefde blijf. Klief een stuk hout en ik ben daar, til een steen op en jullie zullen mij daar vinden. Dit zeg ik tegen jullie om je mijn opgewektheid te geven, dan zal je vreugde volledig zijn. Mijn uitnodiging is dat jullie elkaar kunnen liefhebben zoals ik jullie heb liefgehad. Er is geen grotere liefde dan je ego op te geven voor je vrienden. Heb de ander lief zoals je jezelf zou lief hebben. Jullie zijn mijn vrienden als je doet wat ik jullie adviseer. Ik noem jullie geen slaven meer, want een slaaf weet niet wat zijn meester doet; vrienden noem ik jullie, omdat ik alles wat ik van het Heel-Al heb gehoord, aan jullie gegeven en bekendgemaakt heb. Geen concepten, methodes, systemen en gedachten kunnen jullie bevrijden, omdat ze allemaal de geest in slaap wiegen. Maar ik wek de Geest in jullie op. Jullie hebben niet mij uitgekozen, maar ik jullie, en ik heb jullie opgedragen om op weg te gaan en vrucht te dragen, blijvende vrucht. Wat je het Heel-Al in de naam van de Geest vraagt, zal Het je geven. Dit vraag ik jullie uitdrukkelijk: heb elkaar –ook uw vijanden- lief. Het Enige-Zijnde Bewuste-Zijn is onpersoonlijk, want het is een IK-BEN-denken van alles wat bestaat, en dus als ik spreek van ik, dan spreek ik voor al wie zich ik noemt, en dus is elke liefde, een liefde tot het Al, en is elke haat een haat tot het Al. In zoverre iemand vriendelijk en mededogend liefheeft is hij in de Geest en in mij, en wie in de Geest is heeft geen keuze meer en neemt alles aan als geschenk van het Heel-Al.


De haat van de wereld

Wanneer de wereld je haat, bedenk dan dat ze mij eerder haatte dan jullie. Als jullie bij de wereld zouden horen, zou ze jullie hebben liefgehad als iets van haarzelf, maar jullie horen niet bij haar, want ik heb jullie uit de wereld weggeroepen. Daarom haat ze jullie. [20] Denk aan wat ik gezegd heb: een slaaf is niets minder dan zijn meester. Ze hebben mij vervolgd, dus zullen ze ook jullie vervolgen; maar wie zich aan mijn woorden gehouden heeft, zal zich ook aan jullie woorden houden. Dit alles zullen ze jullie vanwege mij aandoen, want ze kennen niet datgene wat mij gezonden heeft. Ze zouden niet fout zijn als ik niet was gekomen en tegen hen had gesproken. Maar nu hebben ze geen excuus voor hun verwarring, misvatting en onwetendheid. Wie mij haat, haat ook het Heel-Al en de Grote Geest. En ze zouden niet fout zijn als ik niet bij hen had gedaan wat niemand anders ooit heeft gedaan. Maar ze hebben het gezien en toch mij en het Levende, het Heel-Al, gehaat. Zo ging in vervulling wat in hun wetten en boeken geschreven staat: “Ze hebben mij zonder reden gehaat.” Nu is de Grote Geest van de waarheid naar jullie toe gekomen, en die zal verder over mij getuigen. Ook jullie moeten mijn getuigen zijn, want jullie zijn vanaf het begin bij mij geweest. Zoveel jaren al ik nu leef, nog zolang zal het duren voordat anderen mij zullen leren kennen, want het Koninkrijk van de Geest is nu al uitgespreid over de hele aarde, maar de mensen zien het voorlopig nog niet.


Hoofdstuk 16

De Grote Geest is er al

Dit alles heb ik tegen jullie gezegd om te voorkomen dat jullie je vertrouwen verliezen. Jullie zullen uit de maatschappij gezet worden, en er komt zelfs een tijd dat iedereen die jullie doodt, meent daarmee de Grote Geest te dienen. Maar ze doen dat omdat ze het Heel-Al en mij niet kennen. Ik zeg jullie dit nu, en wanneer die tijd komt zullen jullie denken aan wat ik gezegd heb. Ik heb dit niet al eerder verteld omdat ik nog bij jullie was.


Het Grote Werk van de Grote Geest

Nu ga ik weg, naar diegene die mij gezonden heeft, maar niemand van jullie vraagt: “Waar gaat u naartoe?” Jullie zijn verdrietig, omdat ik jullie dat gezegd heb. Werkelijk, het is goed voor jullie dat ik ga, want als ik niet ga zal het Levende niet bij jullie komen, maar als ik weg ben, zullen jullie zelf in Aandacht verblijven. Wanneer je in de Aandacht bent zal het de wereld duidelijk zijn wat fout is, wat rechtvaardigheid is en wat het oordeel is: foutief – dat ze niet op mij vertrouwen, rechtvaardig – dat ik naar het Heel-Al ga en jullie het zelf kunnen zijn, oordeel – dat de machthebbers in deze wereld zijn veroordeeld tot slavernij.

Ik heb jullie nog veel meer te zeggen, maar jullie kunnen het nog niet verdragen. De Geest van de waarheid zal jullie, in elk nu-moment van Aandacht, de weg wijzen naar de volle waarheid. De Grote Geest zal niet namens zichzelf spreken, maar zal zeggen wat zij is en jullie bekendmaken wat komen gaat. Door jullie bekend te maken wat de Geest gemeenschappelijk met mij heeft, zal deze mij eren. Alles wat van het Heel-Al is, is van mij – daarom heb ik gezegd dat de Geest alles wat zij jullie bekend zal maken, van mij heeft.


Tijdelijk verdriet

Nog een korte tijd en jullie zien me niet meer, maar kort daarna zien jullie me terug.’ Daarop zeiden een paar studenten tegen elkaar: ‘Wat betekent wat hij nu zegt: “Nog een korte tijd en jullie zien me niet meer, maar kort daarna zien jullie me terug”? En: “Ik ga naar het Heel-Al”? Wat betekent “nog een korte tijd”? Wat bedoelt hij toch?’ Yess begreep dat ze hem iets wilden vragen. Hij zei: ‘Proberen jullie te begrijpen wat ik bedoelde met “Nog een korte tijd en jullie zien me niet meer, maar kort daarna zien jullie me terug”? Echtwaar, ik verzeker jullie: je zult huilen en weeklagen, terwijl de wereld blij zal zijn. Je zult bedroefd zijn, maar je verdriet zal in vreugde veranderen. Ook een vrouw die baart heeft het zwaar als haar tijd gekomen is, maar wanneer haar kind geboren is, herinnert ze zich de pijn niet meer, omdat ze blij is dat er een mens ter wereld is gekomen. Jullie hebben nu verdriet, maar ik zal jullie terugzien, en dan zul je blij zijn, en niemand zal je je vreugde afnemen. Dan hoeven jullie mij niets meer te vragen, want mijn geheim is een open geheim, en voor iedereen toegankelijk. Maar ik verzeker jullie: wat je het Heel-Al ook vraagt in Aandacht, Het zal het je geven. Tot nu toe hebben jullie niets in mijn naam gevraagd, maar vraag het en je zult het ontvangen. Dan zal je vreugde volledig zijn.

Ik heb jullie dit alles in beelden verteld, maar er komt een tijd dat ik niet meer in beelden spreek, maar jullie zonder omwegen over het Heel-Al vertel via de ingrondelijke Aandacht. Als je dan zelf iets vraagt, hoef ik het niet meer namens jullie aan het Heel-Al te vragen, want het Heel-Al zelf heeft jullie lief, omdat jullie mij liefhebben en erop vertrouwen dat ik van de Grote Geest ben gekomen. Ik ben bij het Heel-Al vandaan gegaan en naar de wereld gekomen, nu verlaat ik de wereld weer en ga ik terug naar het Heel-Al. Dan kan je het zelf ontdekken, en omdat je het zelf zou kunnen ontdekken, moet ik gaan, want om de ingrond in te gaan moet je je bevrijden, volledig en onvoorwaardelijk, van elke leraar, elke leer en elke conditionering.’

Toen zeiden de studenten: ‘Ja, nu spreekt u rechtstreeks en niet in beelden. Nu begrijpen we dat u alles weet en dat niemand u iets hoeft te vragen, nu zien we dat u van de Grote Geest bent gekomen.’ Yess zei: ‘Nu zijn jullie verlicht. Er komt een tijd, en die tijd is er al, dat jullie uiteengedreven worden, dat ieder zijn eigen weg gaat en mij alleen achterlaat. Maar ik ben niet alleen, want het Heel-Al is bij mij. Ik heb dit gezegd opdat jullie innerlijke vrede vinden bij mij, want jullie zullen het zwaar te verduren krijgen in de wereld, maar houd moed: ik heb het denken, het lichaam en de wereld overwonnen en ook jullie is dit, vanaf nu, gegeven.’


Hoofdstuk 17

Yess is alleen

Zo sprak hij. Daarna sloeg Yess zijn ogen op naar de hemel en zei: ‘Grote Geest, nu is de tijd gekomen, toon nu de grootheid aan uw erfgenamen, dan zal het nageslacht uw grootheid zien en doorgeven. Zij hebben nu van u de macht over zichzelf en alle mensen ontvangen, de macht om iedereen te bevrijden die in Aandacht is en hen het eeuwige leven te schenken. Het eeuwige leven, dat is dat zij u innerlijk kennen, de enige ware Grote Geest, en hem die u naar hen gezonden hebt, Yess Miloropa. Ik heb op aarde uw grootheid getoond door het werk te volbrengen dat u mij opgedragen hebt. Grote Geest, breng mij nu tot uw oorsprong, tot de grootheid en tot het Oerpunt die ik bij u had voordat de wereld bestond. Ik heb aan de mensen, die u mij uit de wereld gegeven hebt, uw bestaan bekendgemaakt.

Zij waren van u, maar u hebt hen aan mij gegeven. Ze hebben uw Aandacht bewaard, en nu begrijpen ze dat alles wat u mij hebt gegeven, van u komt. Ik heb de weg van de Aandacht die ik van u ontvangen heb aan hen doorgegeven, zij hebben het aanvaard en nu weten ze echt dat ik van u gekomen ben, en ze begrijpen dat u mij hebt gezonden. Ik vraag voor hen. Ik vraag niet voor de wereld, maar voor de mensen die u mij hebt gegeven, omdat zij van u zijn –alles wat van mij is, is van u, en alles wat van u is, is van mij– en omdat in hen mijn grootheid zichtbaar geworden is. Ik ben al niet meer in de wereld, ik ga in u, want het fontanel is al opengegaan en het melklicht fonkelt al, maar zij blijven wel in de wereld. Grote Geest, bewaar hen door uw aanwezigheid in hun momenten van Aandacht, een aanwezigheid die u ook aan mij gegeven hebt, zodat zij één zijn zoals wij één zijn.

Zolang ik bij hen was heb ik hen door het Oerpunt, dat u mij gegeven hebt, bewaard en over hen gewaakt: geen van hen is verloren gegaan behalve hij die verloren moest gaan, opdat de Oorsprong in zijn noodwendige uitstroom overging. Nu kom ik naar u toe, en ik zeg dit terwijl ik nog in de wereld ben, opdat zij vervuld worden van mijn opgewektheid. Ik heb hun uw Aanwezigheid gegeven. De wereld haat hen, omdat ze niet bij de wereld horen, zoals ook ik niet bij de wereld hoor. Ik vraag niet of u hen uit de wereld weg wilt nemen, maar of u hen wilt beschermen tegen de ellende en het lijden van de wereld.

Ze horen niet bij de wereld, zoals ik niet bij de wereld hoor. Bescherm hen dan door de waarheid, want uw Aanwezigheid is de Waarheid. Ik stuur hen in de wereld, zoals u mij naar de wereld hebt gezonden. Ik heb mij bevrijd van mezelf omwille van hen, zo zullen ook zij door de waarheid van zichzelf bevrijd zijn, want het kwaadaardige dat men kent in zichzelf kan men met wortel en al uit het eigen innerlijke wegrukken; anders, als wij het niet kennen, schiet het wortel in ons en brengt het vruchten voort en zijn wij slaven van onze gedachten, die ons dingen laten doen die wij niet willen, en wat wij willen, uw Grote Wil te vervullen, dat doen wij dan niet, omdat de onwetendheid de moeder is van alle kwaad en de hoer van al het lijden en van de dood. Ik vraag niet alleen voor hen, maar voor allen die door hun verkondiging in mij vertrouwen hebben.

Laat hen allen één zijn, Grote Geest. Zoals u in mij bent en ik in u, laat hen zo ook in ons zijn, opdat de wereld inziet dat u mij hebt gezonden. Ik heb hen laten delen in de grootheid die u mij gegeven hebt, opdat zij één zijn zoals wij: ik in hen en u in mij. Dan zullen zij volkomen één zijn en zal de wereld begrijpen dat u mij hebt gezonden, en dat u hen lief hebt zoals u mij lief hebt. Grote Geest, u hebt hen aan mij geschonken, laat hen dan zijn waar ik ben. Dan zullen zij de grootheid zien die u mij gegeven hebt omdat u mij al liefhad voordat de wereld bestond. De wereld kent u niet, maar ik ken u, en zij weten dat u mij hebt gezonden. Ik heb hun uw naam bekendgemaakt en dat zal ik blijven doen, zodat de liefde waarmee u mij liefhad in hen zal zijn en ik in hen.’


Hoofdstuk 18

In het Zoniënwoud

Nadat Yess dit alles gezegd had, ging hij met zijn studenten naar de andere kant van de stad. Daar liep hij het Zoniënwoud in, met zijn studenten. Tor, zijn verrader, kende deze plek ook, want Yess was er vaak met zijn studenten samengekomen. Tor ging ernaartoe, samen met een deurwaarder en enkele agenten van politie. Ze waren gewapend en reden in speciale gepantserde wagens van de oproerpolitie. Yess wist precies wat er met hem zou gebeuren. Hij liep naar hen toe en vroeg: ‘Wie zoeken jullie?’

Ze antwoordden: ‘Yess uit Nazareth, bij Gent.’ ‘Ik ben het,’ zei Yess, terwijl Tor, zijn verrader, erbij stond. Toen hij zei: ‘Ik ben het,’ deinsden ze achteruit en vielen op de grond. Weer vroeg Yess: ‘Wie zoeken jullie?’ en weer zeiden ze: ‘Yess uit Nazareth, bij Gent’ ‘Ik heb jullie al gezegd: “Ik ben het,”’ zei Yess. ‘Als jullie mij zoeken, laat deze mensen dan gaan.’ Zo gingen de woorden in vervulling die hij gesproken had: ‘Geen van hen die u mij gegeven hebt, heb ik verloren laten gaan.’ Daarop trok Arthur Baruch een mes dat hij bij zich had, haalde uit naar de griffier van de rechtbank, die er ook bij was, en verwondde hem aan de wang; Malder heette die griffier. Maar Yess zei tegen Arthur: ‘leg dat mes weg. Zou ik de beker die het Heel-Al mij gegeven heeft niet drinken?’


Voor de Raadkamer

De agenten van politie, enkele inspecteurs, en de verschillende gerechtsambtenaren grepen Yess en boeiden hem. Ze brachten hem eerst naar Louis Annan, de schoonvader van Jean Malfroid. Jean Malfroid was dat jaar fractieleider in het parlement en hij was het die de andere beleidslieden had voorgehouden: ‘Het is goed dat één man sterft voor het hele volk.’

Arthur Baruch liep met een andere student achter Yess aan. Deze andere student kende de fractieleider en ging met Yess het voorportaal van het parlement in, maar Arthur bleef buiten bij de poort staan. Daarop kwam de andere student, de kennis van de fractieleider, weer naar buiten; zij sprak met de portierster en nam Arthur mee naar binnen. Het meisje sprak Arthur aan: ‘Ben jij soms ook een student van die man?’ ‘Nee, ik niet,’ zei hij.

De bewakers en de persmensen stonden zich te warmen bij een vuur dat ze hadden aangelegd omdat het koud was; ook Arthur ging zich erbij staan warmen. De fractieleider ondervroeg Yess over zijn studenten en over zijn leer. Yess zei: ‘Ik heb in het openbaar tot de wereld gesproken. Ik heb steeds onderricht gegeven op plaatsen waar de Jurifisten bij elkaar komen, in universiteiten en in de gerechtshoven, en nooit heb ik iets in het geheim gezegd. Waarom ondervraagt u mij? Vraag het toch aan de mensen die mij gehoord hebben, zij weten wat ik gezegd heb.’

Toen Yess dat zei gaf een kabinetsmedewerker van de eerste minister, die erbij stond, hem een klap in het gezicht: ‘Is dat een manier om een parlementslid te antwoorden?’ Yess zei: ‘Als ik iets verkeerds gezegd heb, zeg dan wat er verkeerd was, maar als het juist is wat ik heb gezegd, waarom slaat u me dan?’ Daarna stuurde Malder hem geboeid naar Jean Malfroid, de fractieleider, die nu ook commissievoorzitter in deze zaak geworden was. Arthur Baruch stond zich intussen nog steeds te warmen. ‘Ben jij soms ook een student van hem?’ vroegen ze. ‘Nee,’ ontkende Arthur, ‘ik niet.’ Maar een van de bewakers van het parlement, een familielid van de man van wie Arthur de kaak had verwond, zei: ‘Maar ik heb toch gezien dat je bij hem was in het Zoniënwoud?’ Weer ontkende Arthur, en meteen kraaide er een haan.


Voor het Hof van Cassatie

Yess werd van Jean Malfroid naar het Justitiepaleis gebracht. Het was nog vroeg in de morgen. Zelf gingen ze niet naar binnen, om de scheiding der machten te waarborgen. Daarom kwam een magistraat van het Hof van Cassatie, die onderzoekt of alle procedures wel correct worden opgevolgd, Osman Uslatip, naar buiten en vroeg: ‘Waarvan beschuldigt u deze man?’ Ze antwoordden: ‘Als hij geen vreemdeling was, zouden we hem niet aan u uitgeleverd hebben. Hij heeft geen verblijfsvergunning. Hij moet het land uit.’ Osman Uslatip zei: ‘Neem hem dan mee, en zet hem het land uit. De dienst vreemdelingenzaken moet het maar oplossen.’

Maar de Jurifisten wierpen tegen: ‘Wij hebben als politici het recht niet om zelf iemand het land uit te zetten. De dienst vreemdelingenzaken is afhankelijk van het ministerie van justitie, en van jullie, rechters en rechtbanken.’Zo ging de uitspraak van Yess in vervulling waarin hij aanduidde dat hij zou verdwijnen. Nu ging Osman Uslatip het Justitiepaleis weer in. Hij liet Yess bij zich komen en vroeg hem: ‘Bent u de koning van het Heel-Al?’ Yess antwoordde: ‘Vraagt u dit uit uzelf of hebben anderen dit over mij gezegd?’ ‘Ik ben toch geen politicus of wetenschapper,’ antwoordde Osman Uslatip. ‘Uw eigen soort, en de geleerden, hebben u aan mij uitgeleverd – wat hebt u gedaan?’ Yess antwoordde: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn studenten wel gevochten hebben om te voorkomen dat ik aan de politie werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier.’

Osman Uslatip zei: ‘U bent dus koning?’ ‘U zegt dat ik koning ben,’ zei Yess. ‘Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid van de Aandacht te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat ik zeg.’ Hierop zei Osman Uslatip: ‘Maar wat is Dè Waarheid?’ Na deze woorden ging hij weer naar de politici, journalisten en aanklagers buiten. ‘Ik heb geen schuld in hem gevonden,’ zei hij. ‘Maar het is bij u gebruikelijk dat ik met het feest van de Arbeid iemand naturaliseer – wilt u dat ik de koning van het Heel-Al vrijlaat?’ Toen begon iedereen te schreeuwen: ‘Hem niet, maar Gaz-Abbas!’ Gaz-Abbas was een Palestijn die in een gevangenis zat op beschuldiging van het illegaal verblijven in België, het plannen van een terroristische aanslag in Brussel, en die net op het punt stond om teruggestuurd te worden naar Israël.


Hoofdstuk 19

Naar een gesloten centrum voor illegalen

Toen liet Osman Uslatip Yess ondervragen. De rechercheurs deden armstrips om zijn polsen en bonden hem vast aan een stoel. [3] Ze liepen naar hem toe en zeiden: ‘Leve de koning van de Heel-Al!’, en terwijl ze spraken, spuugden ze hem in het gezicht. Osman Uslatip liep weer naar buiten en zei: ‘Ik zal hem hier buiten aan u tonen om u duidelijk te maken dat ik geen enkel bewijs van zijn schuld heb gevonden.’ Daarop kwam Yess naar buiten, met handboeien om en in een gevangenisplunje. ‘Hier is hij, de mens Yess,’ zei Osman Uslatip.

Maar toen de journalisten, de plaatselijke politici en het toegestroomde volk hem zagen begonnen ze te schreeuwen: ‘Stuur hem terug, stuur hem terug!’ Toen zei Osman Uslatip tegen de ambtenaren van de dienst vreemdelingenzaken: ‘Neem hem dan maar mee en stuur hem terug naar Israël, want ik zie niet waaraan hij strafrechterlijk schuldig is.’ De specialisten en professoren zeiden: ‘Wij hebben verschillende wetten die zeggen dat hij in de gegeven situatie teruggestuurd moet worden, omdat hij geen Belgisch paspoort bij zich heeft. Spreekt gij illegaliteit misschien goed?’

Toen Osman Uslatip dat hoorde werd hij erg bang. Hij ging het gerechtgebouw weer in en vroeg aan Yess: ‘Waar komt u vandaan?’ Maar Yess gaf geen antwoord. ‘Waarom zegt u niets tegen mij?’ vroeg Osman Uslatip. ‘Weet u dan niet dat ik de macht heb om u vrij te laten of u uit te wijzen?’ Yess antwoordde: ‘De enige macht die u over mij hebt, is u van boven gegeven. Daarom draagt degene die mij aan u uitgeleverd heeft de meeste schuld.’ Vanaf dat moment wilde Osman Uslatip hem vrijlaten. Maar de andere rechters riepen: ‘Als u die man vrijlaat bent u geen vriend van het land en de staat, want iedereen die zich illegaal op het grondgebied bevindt pleegt verzet tegen het land en de staat.’ Osman Uslatip hoorde dat, liet Yess naar buiten brengen en nam plaats op de middelste stoel van de drie stoelen die er werden geplaatst. Het was rond het middaguur op de dag voor de dag van de Arbeid. Osman Uslatip zei tegen de specialisten en het volk: ‘Hier is hij, uw koning van het Heel-Al.’ Meteen schreeuwden ze: ‘Weg met hem, weg met hem, op het vliegtuig met hem!’

Osman Uslatip vroeg: ‘Moet ik uw koning dan het land uitzetten?’ Maar de ambtenaren antwoordden: ‘Wij hebben geen andere koning dan die van België!’ Toen droeg Osman Uslatip hem aan hen over om hem het land te laten uitzetten. Zij voerden Yess weg naar een gesloten centrum voor Illegalen in Brugge.


Op de luchthaven

Hij werd vervolgens al vlug naar het luchthaven van Zaventem gebracht. Daar plaatsten ze hem in het vliegtuig, met twee agenten van politie erbij, aan weerskanten één, en Yess in het midden. Osman Uslatip had een inscriptie laten maken die op het dossier bevestigd werd. Er stond op ‘Yess uit Nazareth, koning van Vlaanderen en van het Heel-Al’. Het stond er in het Nederlands, het Frans en het Engels, en omdat de plek waar Yess op het vliegtuig werd gezet heel druk was, werd dit opschrift van het dossier door veel mensen gelezen.

De politie en de media zeiden tegen Osman Uslatip: ‘U moet niet “koning van Vlaanderen en het Heel-Al” schrijven, maar “Deze man heeft beweerd: Ik ben de koning van het Heel-Al”.’ ‘Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven,’ was het antwoord van Osman Uslatip. Nadat ze Yess op het vliegtuig hadden gezet, kwam plotseling het dringende bericht van de Minister van Binnenlandse Zaken dat men Yess onmiddellijk moest vrijlaten, met overmaking aan hem van een “bevel om het Belgische grondgebied binnen de drie dagen te verlaten”.

Zijn dossier bevatte in het totaal vier delen, voor iedere politieman, die er nu in de wachtzaal bij stond, één deel. Maar de documenten staken samen in één dikke map, door ringen bij elkaar gehouden Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we het niet scheuren, maar laten we loten wie het helemaal hebben mag.’ Zo ging in vervulling wat de oude geschriften zeggen: ‘Ze verdeelden zijn dossier onder elkaar en wierpen het lot om zijn verhaal.’ Dat is wat de politieagenten deden, voordat zij hem lieten gaan.


De grote samadhi van Yess

Bij het huis waar Yess onderdak had gevonden, in Harelbeke, stonden zijn moeder, met haar zuster, en Marie, de vrouw van Clovis Pas, en Maria Fatima. Toen Yess zijn moeder zag zitten, en bij haar de studente van wie hij veel hield, zei hij tegen zijn moeder: ‘Dat is uw dochter,’ en daarna tegen de studente: ‘Dat is je moeder.’ Vanaf dat moment nam die studente haar bij zich in huis.

Toen wist Yess dat alles bijna was volbracht, en om de geschriften geheel in vervulling te laten gaan zei hij: ‘Ik heb honger en dorst, maar mijn tijd is gekomen om al het aardse naast mij neer te leggen’ Er stond daar een vat water met azijn; één van de ambulanciers staken er een tak, die daar in de tuin lag, met een spons, in het vat en brachten die naar zijn mond. Nadat Yess ervan gedronken had zei hij: ‘Het is volbracht.’ Hij ging rechtop zitten, in lotushouding, boog zijn hoofd en ging in een diepe samadhi.


Yess en enkele studenten werden gevonden

Het was vrijdag, de voorbereidingsdag van het feest van de Arbeid, en de beleidsmakers van de stad Harelbeke hadden gehoord dat Yess, en enkele studenten van hem, in de Pevernagestraat gevonden waren, en zij wilden voorkomen dat de lichamen op een feestdag, en nog wel een bijzondere feestdag, in het huis zouden blijven liggen.

Daarom vroegen ze Osman Uslatip of ze de lichamen voor onderzoek naar de universiteit in Kortrijk mochten brengen, of dat ze de lichamen mochten meenemen om te begraven of te verbranden? Toen brachten agenten de twee studenten, die tegelijk met Yess in hongerstaking waren gegaan, en nog leefden, maar moeilijk ademden, weg naar het universitair ziekenhuis, en ook nog een ander, met de bedoeling om medische experimenten op hen uit te voeren. Vervolgens kwamen ze bij Yess, maar ze dachten dat hij wel al gestorven was.

Daarom brachten ze hem niet naar dezelfde plaats. Maar een van de agenten sloot met de rechterhand de ogen van Yess, en hij stak met een klein mesje even in zijn zij en meteen vloeide er bloed en water uit. Er was geen ademhaling meer hoorbaar, en het hart stond stil.

Hiervan getuigt iemand die het zelf heeft gezien, en zijn getuigenis is betrouwbaar. Hij weet dat hij de waarheid spreekt en wil dat ook u het begrijpt. Zo gingen de geschriften in vervulling: ‘Geen van zijn beenderen zal verbrijzeld worden.’ Een andere schrifttekst zegt: ‘Zij zullen hun blik richten op hem die ze hebben doorstoken.’


Yess werd in het dodenhuis gelegd

Na deze gebeurtenissen vroeg Jo Borga, uit Aartrijke – die uit vrees voor de media in het geheim een student van Yess was – aan Osman Uslatip of hij het lichaam van Yess mocht meenemen. Osman Uslatip gaf toestemming en Jo nam het lichaam mee. Niko, die destijds ’s nachts naar Yess toe gegaan was, kwam ook; hij had een mengsel van mirre en aloë bij zich, wel honderd liter.

Ze wikkelden Yess’ lichaam met de balsem in een wit doodskleed, want ook zij dachten dat hij gestorven was. Dicht bij de plaats waar ze Yess hadden gevonden was er een funerarium, met een dodenhuis, en daar was een nieuwe kamer, waarin nog nooit iemand gelegen had.

Omdat het voor hen allen een voorbereidingsdag was voor het feest van de Arbeid en dat het dodenhuis dichtbij was, lieten ze Yess daar achter, om hem dan later te kunnen begraven. Zij die erbij waren geweest, en die de kamer toen hadden verlaten, herinnerden zich later het vreemde schijnsel van regenboogachtig licht dat in en rondom het huis, en aan de hemel, had geschenen, maar ze durfden het aan niemand te vertellen.


Hoofdstuk 20

Leeft Yess nog?

Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria Fatima, de Profetes, en de vriendin van Yess, bij het dodenhuis. Ze zag dat de deur van de kamer openstond. Ze liep snel terug naar Arthur Baruch en de andere studenten, en ze zei: ‘Ze hebben Yess uit het dodenhuis weggehaald en we weten niet waar ze hem nu naartoe gebracht hebben.’

Arthur Baruch en Maria Fatima gingen op weg naar het uitvaartcentrum. Ze liepen beiden snel, maar Maria Fatima rende vooruit, sneller dan Arthur, en kwam als eerste bij het dodenhuis. Zij boog zich voorover, keek door de deur en zag het doodskleed liggen, maar zij ging niet naar binnen. ven later kwam Arthur Baruch en hij ging de kamer wel in. Ook hij zag het doodskleed, en hij zag dat de doek die Yess’ gezicht bedekt had niet bij de andere kleren lag, maar apart opgerold op een andere plek. Toen ging ook de andere student, die het eerst bij de dodenkamer gekomen was, de ruimte binnen.

Zij zag het ook en werd eensklaps verlicht. Want ze hadden uit de geschriften nog niet echt zelf begrepen dat hij had getoond hoe men de dood kon overwinnen. De studenten die nadien gekomen waren gingen vervolgens terug naar huis. Maria stond nog alleen in het dodenhuis en huilde. Huilend boog ze zich naar het bed, en nu zag ze twee verplegers, in witte kleren, binnenkomen, en een ging bij het hoofdeinde zitten en een andere bij het voeteneinde, op een stoel naast het bed waarop het lichaam van Yess had gelegen. ‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar.

Ze zei: ‘Ze hebben mijn vriend en leraar weggehaald en ik weet niet waar ze hem naartoe gebracht hebben.’ Na deze woorden voelde zij alsof er iemand achter haar stond, en dus keek ze om en zag ze Yess staan, maar ze zag eerst niet dat het Yess was, en dus keek ze weer naar het lege bed. ‘Waarom huil je?’ vroeg Yess. ‘Wie zoek je?’ Maria Fatima dacht eerst dat het de eigenaar van het uitvaartcentrum was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem terughalen.’Yess zei tegen haar: ‘Maria toch!’

Ze draaide zich om en riep: ‘Lieveling!’ ‘Houd me niet vast,’ zei Yess. ‘Ik ben nog niet uit samadhi en niet naar het Heel-Al. Ga naar mijn vrienden en vriendinnen en zeg tegen hen dat ik blijf in het Oerpunt van het Heel-Al, en dat ook jullie Oerpunt is; naar de Grote Geest, die ook jullie Grote Geest is.’ Maria Fatima, de Hebreeuwse, ging naar de studenten en zei tegen hen: ‘Ik heb de Yess gezien!’ En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had.


Verschijningen

Op de avond van die eerste dag van de week waren de studenten bij elkaar; ze dachten dat ze de deuren hadden afgesloten, omdat ze bang waren voor de media en de politie, maar Yess kwam plotseling toch binnen en kwam in hun midden staan en zei: ‘Ik wens jullie innerlijke vrede!’ Na deze woorden toonde hij hun zijn gezicht en zijn zijde.

De studenten waren blij omdat ze hun leraar terugzagen. Nog eens zei Yess: ‘Ik wens jullie innerlijke vrede! Zoals het Heel-Al mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie nu uit.’ Na deze woorden blies hij over hen heen en zei: ‘Ontvang de Grote Geest. Als jullie iemands onwetendheid wegnemen, dan is die echt weggenomen; doen jullie dat niet, dan zijn en blijven zij in de duisternis van het lijden.’ Een van de twaalf, Ramesj, was er niet bij toen Yess kwam. Toen de andere studenten hem vertelden: ‘

Wij hebben Yess gezien!’ zei hij: ‘Alleen als ik de knoken van zijn uitgehongerde lijf zie en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zij kan leggen, zal ik aannemen dat hij nog leeft.’ Een week later waren de studenten weer bij elkaar en Ramesj was er nu ook bij. Terwijl ze opnieuw dachten dat de deuren gesloten waren, kwam Yess weer in hun midden staan. ‘Ik wens jullie mijn innerlijke vrede!’ zei hij, en daarna richtte hij zich tot Ramesj: ‘Leg je vingers hier op mijn ribben en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij. Wees niet langer wantrouwend en onwetend, maar wees opgewekt, bevrijdt en verlicht.’

Ramesj antwoordde: ‘Mijn Leraar, mijn Grote Leraar!’ en hij werd verlicht. Yess zei tegen hem: ‘Omdat je me gezien hebt, geloof je dat ik leef, en ben je eensklaps verlicht. Gelukkig zijn zij die niet zien en toch verlicht worden. Yess heeft nog veel meer tekenen voor zijn studenten gedaan, die niet in dit boek staan, maar deze hier zijn opgeschreven opdat u gelooft dat Yess de Messias is, een Mensenkind van de Grote Geest, en opdat u door verlicht te zijn, in de Aandacht, eeuwig leeft door hem te hebben gekend en door zijn getuigenis.


Hoofdstuk 21

Yess verschijnt weer in Vlaanderen

Hierna verscheen Yess weer aan de studenten, nu bij de Noordzee, in Vlaanderen. Dat gebeurde als volgt. Op het strand waren Arthur Baruch en Ramesj, Katie uit Amerika, Mo uit Lochristi, in Vlaanderen, de zonen van Stoa en nog twee andere studenten. Arthur zei: ‘Ik ga vissen.’ ‘Wij gaan met je mee,’ zeiden de anderen. Ze stapten in de boot, maar de hele nacht vingen ze niets. Toen het al ochtend werd, stond Yess op het staketsel, al wisten de studenten niet dat het Yess was. Hij riep: ‘Hebben jullie soms iets te eten?’ ‘Nee,’ antwoordden ze. ‘Gooi het net aan stuurboord uit,’ riep Yess, ‘dan lukt het wel.’

Ze wierpen het net uit en er zat zo veel vis in dat ze het niet omhoog konden trekken. De studente van wie Yess zoveel hield zei tegen Arthur: ‘Zie, het is Yess!’ Zodra Arthur Baruch dat hoorde, deed hij zijn hemd en jeans uit – meer had hij niet aan – en sprong in het water. De andere studenten kwamen met de boot en sleepten het net vol vis achter zich aan. Ze waren niet ver van de aanlegsteiger, ongeveer tweehonderd meter. Toen ze aan land kwamen zagen ze een vuurtje met vis erop en brood. Yess zei: ‘Breng ook wat van de vis die jullie net gevangen hebben.’ Arthur Baruch ging weer aan boord en trok het net aan land. Het zat vol grote vissen, welgeteld honderd en acht, en toch scheurde het kleine net niet. Yess zei tegen hen: ‘Kom, eet iets.’

Geen van de studenten durfde hem te vragen wie hij was, ook al begrepen ze dat het Yess was, die zijn baard had laten groeien. Yess nam het brood en gaf hun ervan, en hij gaf hun ook vis. Dit was al de derde keer dat Yess aan de studenten verscheen nadat hij in samadhi was gegaan. Toen ze gegeten hadden, sprak Yess Arthur Baruch aan: ‘Arthur, zoon van Johan, heb je mij lief, meer dan wie ook?’ Arthur antwoordde: ‘Ja Yess, u weet dat ik van u houd.’ Hij zei: ‘Geef mijn lammeren een vette weide.’ Nog eens vroeg hij: ‘Arthur, zoon van Johan, heb je me lief?’ Hij antwoordde: ‘Ja Yess, u weet dat ik van u houd.’ Yess zei: ‘Zorg dan ook voor mijn schapen,’ en voor de derde maal vroeg hij hem: ‘Arthur, zoon van Johan, houd je van me?’ Petrus werd verdrietig omdat hij voor de derde keer vroeg of hij van hem hield. Hij zei: ‘Yess, u weet alles, u weet toch dat ik van u houd.’ Yess zei: ‘Geef mijn schapen de vette weide van de verlichting. Echtwaar, ik verzeker je: toen je jong was deed je zelf je autogordel om en ging je waarheen je wilde, maar wanneer je oud wordt zal een ander je handen vasthouden, je gordel omdoen en je brengen waar je niet naartoe wilt.’

Met deze woorden duidde hij aan hoe Arthur eenzaam in het ouderlingenhuis zou sterven in samadhi. Daarna zei hij: ‘Volg mij.’ Toen Arthur zich omdraaide zag hij dat de student van wie Yess heel veel hield hen volgde – de studente die zich tijdens de maaltijd naar Yess toegebogen had om te vragen wie het was die hem zou verraden. Toen Arthur haar zag vroeg hij Yess: ‘En wat gebeurt er met haar, Yess?’ Maar Yess antwoordde: ‘Het is niet jouw zaak of zij in leven blijft en voor hoelang. De wereld zal, door haar, vol van verbazing zijn. Maar jij bent het die mij nu moet volgen.’ Op grond van deze uitspraak hebben sommige mensen gedacht dat deze studente niet zou sterven, maar Yess had niet gezegd: ‘Zij zal niet sterven,’ maar: ‘Het is niet jouw zaak of zij in leven blijft en voor hoelang. De wereld zal, door haar, vol van verbazing zijn.’


Slot

Het is een student, die later dicht bij haar stond, die nu over dit alles getuigenis aflegt, en het ook heeft opgeschreven. Wij weten dat zijn getuigenis over Yess betrouwbaar is. De vader van Yess, van Joodse afkomst, en zijn moeder, een Palestijnse, zijn beiden gevlucht uit België, naar Jeruzalem, tijdens de tweede wereldoorlog, en Yess is uit hun liefde geboren, net na die oorlog, en nadat zij waren teruggekeerd naar Nazareth, bij Gent. Dan is Yess, in drieëndertig jaar tijd, de wereld rondgereisd; van Israël naar Afrika, dan naar Pakistan, India, Tibet, China, Japan, Amerika, en tenslotte is hij naar Europa teruggekeerd, waar hij in het jaar negentienhonderd negenenzeventig, op dertig april, door een medisch urgentieteam werd gevonden.

De dokter van dienst heeft op het formulier genotuleerd dat de dood van Yess werd vastgesteld om 15u. Yess is nooit als Belg erkend geweest, maar hij heeft wel nog veel meer in Vlaanderen en Nederland gedaan: als al zijn daden, een voor een, opgeschreven zouden worden, zou de wereld, denk ik, te klein zijn voor de boeken die dan geschreven moesten worden.