Tevreden


Inleiding

Ik ben tevreden. Ik moet niets melden, niets schrijven, niets vertellen. Dat maakt me erg gelukkig. Ik moet niets! Ik schrijf een boek over het “niets” dat ik ken.
Bent u tevreden? Ik dus wel. Niet zomaar, niet plotseling, niet vanzelf. Hoe oud ik ben? Op 31 december 1965, om 8u10, ben ik geboren. Zevenendertig jaar dus. Maar het gaat hier niet om mij. Het gaat om “niets”.
Het “niets” van dit boek is wel doorspekt met wat anekdotes, soms een verhaal, een gedachte, een gedicht. Dit boek is geen dagboek, geen apologie, geen solipsisme. Laat ik het spinrag van toevalligheden noemen.
U die dit leest, gegroet.

In 1988 leefde ik in een wereld van fragmenten. Hoewel jong en gezond, voelde ik mij versplinterd en ontworteld. Ik las ijverig de zwartgallige gedichten van Jotie 't Hooft, een drugverslaafde jongeman die enkele jaren later zichzelf de dood inspoot.

“U bent al eens verdronken,” zei de man.
“Dat was in China. U hebt in China verschillende levens gehad. Nu hoeft u niet meer bang te zijn van water.”
Krijg nu het schijt, dacht ik. Een wildvreemde vertelt mij over een angst waar ik nooit met iemand over had gepraat. Ik schaamde me. Als vrienden gingen zwemmen, vond ik wel altijd een smoesje om “deze kelk aan mij voorbij te laten gaan”. In bad mocht het water nooit hoger dan de navel en onder de douche ging ik nooit. Op school heb ik jarenlang gelogen om niet te hoeven zwemmen; valse briefjes van mijn ouders, gefakte kwetsuur aan mijn knie of voet, het koppig weigeren om te zwemmen met een strafstudie op zaterdag als gevolg. Een katholieke school is altijd een beetje zwijgen.
De baardmens orakelde verder: “Israël is een belangrijk land voor je. Ook daar heb je verschillende incarnaties moeten doormaken. U leest veel over Israël?” Dat was waar. Joden, Essenen, Christenen, het boeide me mateloos.
Ik kon alles bevestigen wat de goeroe-achtige man mij vervolgens vertelde. Wat vorige levens betrof, dat kon ik niet op waarheid nagaan en over de toekomst die nog moet komen, daar kan ik niets van bevestigen. Alleen was er op dat moment, tijdens dat specifieke gesprek een overweldigend “aha-gevoel”, alsof ik mij iets herinnerde dat bepalend zou zijn voor mijn verdere toekomst. Speculaties zijn evenwel een systeem om mogelijkheden in de werkelijk te duwen. Toch leek het of splinters samenvielen tot een balk, tot een stam, stevig geworteld in een onzichtbare grond. De fragmenten kregen een plaats en heel vaag doemde een totaalbeeld op van een leven dat nog voor me stond.

Ik beschrijf u mijn eerste contact met de I Tjing, een onrechtstreeks contact, via iemand die cursussen over het boek der veranderingen gaf, en die ook persoonlijke consultaties deed. Ik ben toevallig in contact gekomen met een leraar. Door hem ben ik I Tjing gaan bestuderen en sindsdien heeft het boek mij nooit meer losgelaten.

Vergis u niet, ik hou niet van het soort new-age getinte hocuspocusgedoe dat welig tiert. Wat telt is de toevallige ontmoeting met een boek, de I Tjing, en de enorme gevolgen dat deze ontmoeting met zich heeft meegebracht..

In de afgelopen jaren heb ik vaak een soortgelijk verhaal gehoord van mannen en vrouwen die nu de I Tjing in hun leven hebben geïntegreerd. Toevalligheid speelt daarbij steeds een specifieke rol. Ook het “aha-gevoel” vind je er telkens in terug én het contact met iemand die vergevorderde inzichten heeft in de Chinese gedachtenwereld, want zonder een introductie van iemand met ervaring blijft het boek verzegeld en lijkt het slechts een opsomming van bizarre woorden, opgeschreven door een dementerende ouderling.

Wat nu? Na een eerste contact, overheerst de fascinatie voor het boek. Ik leek gegrepen en bezeten. Ik leerde detail na detail over de I Tjing. Dan kwam de afhankelijkheid, waarbij elke beslissing in mijn leven werd gecontroleerd door een raadpleging van het boek. Vervolgens stak hoogmoed de kop op. Ik leek op een idealistische jonge missionaris die anderen wou vertellen hoe de wereld in elkaar stak, en vooral, wat die andere geacht werd te doen. Maar het leven vaart zijn eigen koers. Met of zonder boek, lijden blijft en ook de schaduw van de eigen psyche, waarbij de klootzak in mezelf onmogelijk, op een dilettante wijze, in het verborgene kon blijven. I Tjing geeft daarmee en daarna de relativering van zichzelf aan. Elk boek, hoe mooi en hoe waardevol ook, blijven letters over de dingen, maar zijn het leven niet zelf. Je eet geen boek. De vijfde stap is de integratie. De tegendelen van de eigen ziel, van de natuur, van de wereld, vinden hun plaats in een hogere eenheid. Tenslotte volgt de uitstraling op de buitenwereld. Het geleerde en geïntegreerde is vorm geworden in een levend voorbeeld, in een Zijn. Het woord is dan vlees geworden.
Soms maakte ik een terugval mee naar een vorige fase of het gebeurde dat ik lange tijd bleef steken in één fase en niet verder raakte dan mij bezit te houden met het voorspellende karakter van de I Tjing, terwijl het wijsheidsgehalte ervan mij ontglipte, tot een nieuwe gebeurtenis in mijn leven mij dwong om naar mezelf en mijn motieven te kijken. Pas als ik eerlijk keek, ontsloot zich het boek en werd een hoorn van overvloed aan inzichten die in mijn hart stroomden, net als de tranen op mijn wang, want de ideaalbeelden over mezelf werden aan diggelen geslagen, terwijl onvermoede talenten, als nieuwe kansen, werden aangereikt.

Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat er een code bestaat om de inhoud van de I Tjing te ontsluiten. De oudste commentaren lijken dit te bevestigen:

“Kijk eerst de woorden aan,
Bezin je, wat zij beduiden,
Dan komen de vaste regels aan het licht.
Doch ben je niet de rechte man,
Dan openbaart zich aan jou niet de zin.”

En dus…dus…dus… moet ik u niets vertellen, behalve dan dat ik tevreden ben, en gezien u zich misschien afvraagt hoe dat is kunnen komen, die tevredenheid bedoel ik, lijkt het me zinvol daarover iets mee te delen. Vandaar dat ik altijd weer verwijs naar dat oude Chinese boek de I Tjing, het boek der veranderingen of ook wel YI genoemd, want in het huidige Chinees spreekt men van Yiying, afgekort dus YI.

Sinds veertien jaar neemt dit boek, en de achterliggende filosofische lering, een centrale plaats in mijn leven. Het is mede de oorzaak van het feit dat ik tevreden ben!


Waar het om gaat?

VERANDERING is een “doodsimpele” waarheid. De enige werkelijkheid, en dus waarheid, is het feit dat alles verandert. De enige zekerheid is de onveranderlijke regel dat alles voortdurend verandert. Dat is een eenvoudige waarheid. Het is eenvoudig om in mijn leven vast te stellen dat alles voorbijgaat. Wat voorbijgaat, is dood. Hoogstens kan het in de herinnering, in het denken, blijven leven, maar in werkelijkheid is het dood. Verandering is dus een dood-simpele waarheid. Ik moet geen filosoof zijn om dit te begrijpen. U ook niet.

Ik neem u mee op een zwerftocht naar de grondslagen van de I Tjing of het boek der veranderingen. Als u echt de diepte ervan ervaart, komt u heel dicht bij uw eigen bron en wanneer u uit uw eigen bron kan putten, ervaart u tevredenheid. Zo eenvoudig is dat. Naast de waarheid van de verandering als enige werkelijkheid, is er dus de simpele mogelijkheid tot een leven in tevredenheid. U bent geschrokken? Toch neem ik u mee. Als u dat wilt?

Hoe kan nu de I Tjing, een boek waarvan de eerste bronnen teruggaan tot 1000 jaar voor onze jaartelling, nog altijd actueel zijn? De oorsprong ervan ligt in Siberië. De taal dat het boek spreekt is een orakeltaal. De I Tjing biedt mij een betrouwbaar model om alle verschijnselen in en buiten mezelf een plaats te geven.

In ons taalgebied bestaan er tientallen boeken die als titel I Tjing dragen, maar helaas zijn het vaak subjectieve interpretaties van de desbetreffende auteurs. Ikzelf wil in dit manuscript trouw blijven aan de vertaling van Richard Wilhelm, die meer dan tien jaar aan zijn vertaling heeft gewerkt en die daarvoor heel China heeft doorkruist. Hij had grote voeling met de oosterse manier van denken en leven. Ik hou ook van de archaïsch-poëtische taal die Wilhelm voor zijn vertaling gebruikt. Wellicht klonk deze taal modern in de oren in de jaren twintig van de vorige eeuw, maar nu straalt zij een plechtigheid uit die, naar mijn mening, het oude boek alleen maar ten goede komt. Dankzij het voorwoord van de Wilhelm-vertaling, geschreven door Carl Gustav Jung, ben ik mij meer gaan interesseren voor de psychologische diepgang van de I Tjing. Het commentaar dat Jung schreef bij een ander Chinees boek, “het geheim van de gouden bloem”, een alchemistisch geschrift, heeft mij eveneens een dieper inzicht gegeven in de I Tjing.

Toen ik in de bibliotheek voor het eerst een regel in de I Tjing las, was ik als door de bliksem geraakt. Bij alles wat ik onder ogen kreeg, kon ik alleen maar instemmend knikken. Een vreugdegevoel overheerste, want ik meende eindelijk begrip te vinden, niet bij een mens, maar in een oud boek, door velen vergeten en door anderen afgedaan als wichelarij.
Als ik de I Tjing raadpleeg, dan lijkt het wel of een “oude meester” mij aanspreekt, mij aanmoedigt en mij zinvolle richtlijnen geeft. Al veertien jaar ervaar ik de speelse vreugde bij elk I Tjing-antwoord en ik val nog steeds van de ene verbazing in de andere. Het wonderlijke toeval speelt een, voor het westen, ongehoord spel, maar daarom niet een minder waarachtig spel.

Hexagrammen (beelden uit de I Tjing die gevormd zijn door zes rechte of gebroken lijnen) vallen mij toe, als dankbare geschenken, in het fantastische leven dat mij is gegeven. Ik blijf het kind dat voor het eerst leert en ontdekt, en de wonderen daarbij zijn niet ver weg, want de ver-wondering is mijn dagelijkse vernieuwing. Ik leef in een voortdurend vernieuwende wereld van verandering.
Ik ben tevreden. En u?

Dit boek is ontstaan uit de nieuwsgierigheid van velen. Zij stellen mij vragen als ze horen dat ik de I Tjing bestudeer. Verder is het de weerslag van mijn persoonlijke weg met het boek. Ik denk dat mensen zich in dit verhaal kunnen herkennen en dat zij zich hierdoor betrokken voelen.

De I Tjing of de YI is geen dogmatische leer. Indien het al een leer is, dan is het de leer van de verandering. Niets is blijvend hetzelfde. Ik zie dan dat dingen en mensen veranderen. Of beter, niet de dingen en de mensen veranderen, maar de verandering is inherent aan de dingen en de mensen. Het is er onafscheidelijk deel van uit. De waarheid van de verandering geeft mij de zekerheid dat ik, door de verandering zelf, verbonden ben met anderen. In feite kan ik stellen dat er niets is dan de verandering zelf. Iets ontluikt, groeit aan en verdwijnt. Alles komt altijd terug en gaat altijd weer weg. Dat is de harde realiteit van de verandering. De realiteit IS hard, want ik krijg steeds, op een of ander moment, te maken met sterven, met loslaten en met opgeven. Hoe moet het dan? Hoe kan ik tevreden zijn in een wereld die mij dwingt om te leven in een staat van sterven? Dat is de essentiële vraag waar de I Tjing altijd weer probeert een antwoord op te geven, in elke nieuwe situatie, op elk nieuw moment.

De wijze figuur die tussen de regels door schijnt te spreken, stuurt ons in de richting van wat in het eerste hexagram van de I Tjing, nl. Het Scheppende (dat alleen uit rechte ononderbroken lijnen is opgebouwd), is omschreven als: “wordt een mens uit één stuk, die de kracht weet te vinden in zichzelf”. De Wu Chü of de Edele, nl. diegene die de I Tjing raadpleegt met de beste bedoelingen, is de bemiddelaar tussen de hemel en de aarde, tussen het onzichtbare en het zichtbare, tussen het energetische en het stoffelijke. De MAterie en de enerGIE vormen samen de MAGIE van opkomen en ondergaan, van de eb en de vloed in het leven.
Om in de stormen van het leven mijn weg te vinden, raadt de I Tjing mij “het Pad van het Midden” aan, dat net als in de Socratische en in de Boeddhistische traditie, aanmaant om alle uitersten te vermijden. “Overdaad schaadt,” zoals de volksmond het bondig formuleert. Maar zo eenvoudig liggen de zaken vaak niet. Geregeld bevind ik mij op een uiterste, maar merk ik het niet eens op. Een soort besef (awareness) is nodig als ik voeling wil hebben en houden met wat zich in mijn innerlijke wereld en met wat zich in de buitenwereld afspeelt. Het “boek der veranderingen” wakkert het besef (de awareness) aan. Met een beetje goede wil en als ik vastgeroeste vooroordelen laat varen, lukt het mij om de I Tjing te ervaren als een boorplatform naar hele diepe schatten in mijn eigen psyche. Ik slaag erin, door steeds weer het Grote Werk (het Magna Opus zoals de alchemisten het noemden) te herhalen, om vele giftige bestanddelen van mijn karakter (lood) om te vormen tot een ondersteunende uitstraling (goud). Misschien ben ik dan helend en positief besmettend op mijn omgeving? Misschien ben ik constructief bezig mee te werken aan een betere wereld? Ik erken de eigen verantwoordelijkheid in het grotere geheel en ik weet daardoor juiste keuzes te maken opdat ik, met anderen, erin zou slagen het leed op aarde iets te verzachten en het samen leven aangenamer te maken. Dan is er vreugde, blijmoedigheid en een sterk gevoel van tevredenheid. Dat gevoel zegt mij dat ik er vrede mee heb dat ik in vrede leef. Als iemand sterft, zeggen wij: “rust in vrede”. We hoeven niet zo lang te wachten, toch? Ik wens het iedereen toe; een leven in rustige vrede.

Kijk, ik gebruik in dit boek soms moeilijk klinkende namen en woorden, maar leest u daar gerust over. Zie het als wat dikdoenerij of een schrale poging tot enige vorm van legitimering. Ook al moet ik u niets bewijzen, toch geniet ik ervan u te kunnen aantonen op welke fundamenten de I Tjing is gebouwd. Het gaat niet om de woorden, maar om wat erachter verborgen zit. Ik had -mocht ik het talent hebben- beter in orakeltaal geschreven, maar dan leek het wel als een toevoeging op de I Tjing zelf, en dat is niet mijn recht. Groeien betekent niet altijd dat ik groter, beter, sterker, machtiger moet worden. Groei betekent de innerlijke kracht ontwikkelen, zodat ik in de realiteit van de verandering gelukkig en tevreden ben en blijf. Innerlijke kracht is uiteindelijk het fundament van de tevredenheid en wat zich in de diepten van de psyche afspeelt, is niet altijd naar boven gericht, maar houdt ook in dat ik de noodzaak erken om mij soms naar beneden te richten, zodat ik dan kleiner, slechter, zwakker en nederiger ben. Als ik steun zoek in mijn innerlijke kracht, is het resultaat van wie ik ben en wat ik doe, in feite van geen belang en is het gevaar van een psychische inflatie -wat overmoed en hoogmoed betekent- geweken.

Ik heb ze vaak ontmoet, de zogenaamde helers, de reiki-meesters, de astrologen, de lichtbrengers en de paranormaal begaafden, die zich opwerpen als adepten van het watermantijdperk en die alle heil beloven als ik maar mijn leven organiseer naar wat zij mij verkondigen. Ik zeg u niet dat iedereen die zich daarmee inlaat, zich lichtzinnig en onverantwoord gedragen. Integendeel, ik ontmoet geregeld wel mensen die authentiek, wijs en deontologisch met hun kennis te werk gaan. Toeval of niet, maar het kaf was tot nu toe talrijker dan het koren. Begrijpt u? Maar misschien ligt dat aan mij, hoor, want het spreekt voor zich dat ik niet toevallig die mensen ontmoet die ik op dat bepaalde moment ontmoeten moet. Ik bedoel maar, ik heb er uit geleerd, uit de handelswijze van mythomanen, halfgare goeroes en andere borderline types.
De I Tjing spreekt over dergelijke lui als volgt: “Hoogmoedige draak zal reden hebben tot berouw. Hij put zich gaandeweg uit. Hoogmoed betekent, dat men wel naar voren kan dringen, maar zich niet terug kan trekken; dat men alleen het bestaan kent, maar niet het ondergaan; dat men alleen weet van winnen, maar niet van verliezen. Alleen de heilige verstaat het, zich naar voren te dringen én zich terug te trekken, vast te houden én op te geven, zonder dat hij zijn ware aard verliest. Dat kan alleen de heilige!”
Hierin verwijst de I Tjing naar een “heilige” als naar iemand met een ingesteldheid die steunt op innerlijke kracht. Vaak heb ik tot mijn spijt moeten vaststellen dat sommige helers zelf ziek bleken, de reiki-meester jonge zielen zonder ervaring, de astrologen bijgelovig, de lichtbrengers duistere figuren, de paranormaal begaafden totaal onbevoegd.

De kern van de I Tjing vind ik in het tweede luik van de wilhelm-vertaling, in de Ta Tsjwan of de “grote verhandeling”. Daarin ligt voor mij de essentie! In de eerste afdeling van de Ta Tsjwan, in hoofdstuk V, §9 lees ik: “de beide oerkrachten (yin en yang, duisternis en licht, materie en energie), in hun wisseling en wederkerige werking, dienen ter verklaring van al de verschijnselen van de wereld. Maar er blijft een rest over, een laatste waarom. Deze laatste diepte van het Tao is de geest, het goddelijke, ondoorgrondelijke ervan, dat we slechts zwijgend kunnen vereren”.

De I Tjing heeft doorheen de eeuwen verschillende invloeden ondergaan. Het boek is, volgens mij, het boek van de toekomst. Het is eclectisch en op een uitzonderlijke wijze biedt de I Tjing mij de mogelijkheid om op een unieke manier mijn eigen wezen tot werkelijkheid te maken. De I Tjing is niet het doel, is er niet om te vereren, maar is een middel om mijzelf te realiseren. I Tjing is zelfrealisatie. De I Tjing is het alchemistische boek van de ziel (psyche). Het is daadwerkelijk behulpzaam bij het individuatieproces, waar Jung het telkens over heeft. Voor de eenentwintigste eeuw, waar deskundigen spreken van een mogelijke epidemie door depressie bij mensen, kan de I Tjing sommigen van hen werkelijk ondersteunen en helpen. In het voorwoord van de Wilhelm-vertaling schrijft Jung: “De I Tjing biedt zich niet aan met bewijzen en klare resultaten: het maakt geen ophef van zichzelf en het is niet gemakkelijk te benaderen. Als een deel van de natuur wacht het tot het ontdekt wordt. Het leurt niet met feiten of macht, maar voor hen, die streven naar zelfkennis, naar wijsheid -als er zoiets bestaat- is het wellicht het juiste boek. Voor de één zal de geest, die het doordringt, zo klaar zijn als de dag, voor een ander wazig als de schemering, voor een derde duister als de nacht. Wie er niet voor voelt, hoeft het niet te gebruiken; wie er iets op tegen heeft, hoeft de waarheid ervan niet te erkennen. Laat het de wereld ingaan ten bate van degenen, die in staat zijn de betekenis ervan te begrijpen”.


I Tjing

Hoe vind ik een weg die me past? Welk kompas toont mij de af te leggen weg? Wat is I Tjing? Het is een wijsheidsboek uit de wereldliteratuur. De oudste vondsten zijn drieduizend jaar oud. “I” betekent “veranderingen”, maar ook “voeding”, “vermeerdering”, enz. “Tjing” verwijst naar “oorkonde”, “geschrift”, “oud boek”. De I Tjing is een van de vijf klassieke boeken uit China. Behalve de I Tjing, zijn ook belangrijk de Sji Tjing (boek der oden), Sjoe Tjing (boek der historiën), Nei Tjing (Boek der geneeskunde) en een verloren gegaan “boek der riten”. Afhankelijk van taal en land vertaalt men I Tjing als: I Ging, I Ching, I King, YI Tjing, I Tsjing. In het standaard Chinees schrijft men: Yiying. Vandaar dat ik het boek liefst eenvoudig vertaal als “YI”.

De YI is, naast de bijbel, de koran, de talmoed, de veda's, … één van de zovele resultaten van de werking van de menselijke geest. Op mysterieuze wijze zijn de zogenaamde “heilige geschriften” ontstaan in de loop der eeuwen, en vaak zijn ze een bundeling van uitspraken, wetten, morele regels, raadgevingen, door mensen geformuleerd en gebundeld, zoals zij door grote en soms “kleinere” wijsheren van weleer zijn verteld. Soms beriepen de profetische schriftgeleerden zich op goddelijke openbaring, maar als we een inflatie (opgeblazenheid van het ego) van de menselijke psyche voor mogelijk houden, moeten we vaststellen dat er geen bronnen zijn die de goddelijkheid van hun woorden bevestigen. Maar dàt de wijsheidsliteratuur een grote waarde heeft, blijft buiten alle verdenking, gezien de culturele en religieuze prestaties die de inhoud ervan tot gevolg heeft gehad. De Geestkracht van het zogenaamde goddelijke kan in die mate in de mens werkzaam zijn dat een contact met individuele mensen, wegens hun introverte geaardheid en geestelijke interesses, mogelijk is. Het denken van dergelijke profeten, hun denkgeest, is als het ware bevrucht door de Geestkracht van de godheid. Een dergelijke speculatie blijft, wat mij betreft, steeds als mogelijkheid open. In zekere zin wijst de schaarsheid van wijsheidsliteratuur erop dat er sprake is van uitzonderlijkheid, zowel van het product (Heilige Boeken) als van de producent (profetische schrijvers).

Ik denk dat ik, in een specifieke periode de YI heb ontdekt, een zoekende periode die typisch is aan een bepaalde leeftijd. Ik was in de ban van de “zingevingsvraag”. In alle tijden keert het probleem van de zin of de onzin van het leven terug. Is zingeving tijdsgebonden? Is het niet eenvoudiger om niet zoveel dingen in vraag te stellen, en zeker niet de eigen bestaansgrond? Is het niet beter het “carpe diem” te cultiveren en het ervan te nemen, elke dag opnieuw? Ik was in de ban van dergelijke vragen. De YI heeft mij sinds 1988, als een wijze vriend, begeleid bij de ontdekking van enkele antwoorden, of bij de acceptatie van het niet antwoordbare. Hoewel de YI heel oud is, hebben de vele commentaren en aanvullingen de oorspronkelijke bron ervan troebel gemaakt. Zo vergaat het vele oude geschriften. Daarom houd ik mij aan de vertaling van Richard Wilhelm. Hij baseert zich op de chou-i-chê, de Kang Hsi of Paleiseditie uit 1715. Ik wil niet een zoveelste interpretatie geven van de 4900 orakels waaruit de YI bestaat. Het geschrift is door de eeuwen heen gegroeid van voorspelboek tot wijsheidsboek. De orakels zijn verdeeld over 64 oer-beelden (archetypen) van de psyche. Elk oerbeeld, ook wel hexagram genoemd, bestaat uit zes stappen (lijnen). Het hexagram toont ons, in een concrete vorm, een innerlijke gebeurtenis of een daarmee verbonden uiterlijke situatie. We verfijnen (calcinatio) de omgevingsfactoren door de focus te richten op één welbepaald hexagram.

Wat is de dus YI? De I Tjing? Het boek der veranderingen? Een bijzonder vreemd boek dat antwoord geeft op onze vragen over natuur, wereld en mens. Kan dat wel? Ja, dat kan.

Een oud boek, van oude meesters, heeft mij daar gebracht waar ik nu ben. En wat het mij leerde? Dat ik steeds op de juiste plaats ben, op de juiste tijd! Ik ben tevreden!


De Grond

Het verhaal waarin ik u zal meevoeren heeft dus alles te maken met een mysterieus boek dat de respectabele leeftijd van enkele duizenden jaren heeft. Misschien zal u hoofdschuddend nu al deze tekst dichtslaan, niet begrijpend dat er lieden zijn die zich verdiepen in oud geouwehoer. Toch is het bizarre geschrift waar ik naar verwijs de bron geweest voor het leven, het werk en het handelen van duizenden mensen; geleerden, militairen, mystici, zwervers, eenlingen, kunstenaars, leraren, kortom: wijze en minder wijze mannen en vrouwen doorheen de menselijke geschiedenis. Het boek was de grond waarop leerstellingen als het taoïsme en het confucianisme welig groeiden. Carl Gustav Jung vond er de mosterd in die de smaak aan zijn ideeën gaf. Maar vooral zijn het de miljoenen anonieme zoekenden die wijsheid voor hun handelen en kennis van zichzelf mogelijk maakten door dit vreemde document.
In het westen zijn het de vertalingen van James Legge en Richard Wilhelm geweest die ons een beter inzicht hebben gegeven in de YI.

Zoals je al weet, een Chinees boek dus! Als je de Nederlandse vertaling leest, heeft de tekst nog altijd de ondoorgrondelijkheid dat je ofwel nieuwsgierig of er afkerig van maakt. Voor mij betekende het boek de start van een levensweg die ik nooit zou bewandelen indien ik niet met de YI kennis had gemaakt. Mijn verhaal is het verhaal van velen.

Het boek is nooit tot een eigen leer uitgegroeid, iets wat er precies de oorzaak van is dat het nog steeds zijn actuele kracht behoudt. Het boek is dus geen leer! Het boek bestaat uit 4900 Chinese schrifttekens, hiërogliefen. Ze zijn oud, en dus archaïsch. Stel je eens voor dat wij een boek hadden gevonden, uit het oude Griekenland, met een gesloten filosofie en bestaande uit orakelteksten van de Pythia, van het orakel van Delphi. De rijkdom van een orakel is de symbolische kracht! Het narratieve en het symbolische krijgen betekenis binnen een specifieke situatie, binnen een context waarzonder geen betekenis te vinden is. Wat hierna volgt is niet een zoveelste interpretatie van de 64 oer-tekenen (hexagrammen zoals ze in de YI heten), maar een verdieping in één aspect van die oude oorkonde; nl; een aspect dat de subjectieve verhouding weergeeft tussen een individu en een boek, tussen een subject en een object.

Aanvankelijk was ik van plan een verhelderend boek te schrijven over de I Tjing. Een zoveelste boek over een boek. Gelukkig liet ik vooraf een vriend enkele hoofdstukken lezen. Hij heeft mij op een vriendelijke, maar niet minder duidelijke, wijze laten weten hoe absurd, en zelfs overmoedig, zo'n project wel was. In die periode kwam het boek “De I Tjing voor de 21ste eeuw” van Han Boering op de markt. Meer moet dat niet zijn, dacht ik. Leve de Han. En voor de rest… wat is mijn ervaring met de YI? Misschien is dat wel een boeiend verhaal? Alhoewel, er is geen verhaal. Er valt niets te vertellen. Dat is het bijzondere. Ik ben gewoon wie ik ben. Dat is mijn naam.


De Naam

“De naam die genoemd kan worden, is niet de ware naam,” schrijft Lao-Tse, de auteur van de Tao-Te-Tjing, een taoïstisch filosofisch geschrift uit de 6de eeuw voor onze jaartelling. Een titel voor een boek is zoals een naam voor een kind. Ik heb vele mogelijkheden om uit te kiezen. Ik zal niet onnodig uitweiden over details van mijn leven; daarvoor ben ik niet belangrijk genoeg en ik wil bovendien niet vervelen. Natuurlijk kan ik niet anders dan in grote lijnen de context vertellen waarin situaties zich hebben afgespeeld.

Toen de Lydische koning Croesus het orakel van Delphi raadpleegde omtrent het plan om Perzië binnen te vallen, kreeg hij als antwoord dat hij “een groot rijk zou vernietigen”. Achteraf bleek dat het zijn eigen rijk was dat ten onder ging na deze gewaagde operatie. Je ziet maar wat een nare gevolgen het fout interpreteren van een orakel met zich mee kunnen brengen. Het is daarom belangrijk de context te kennen waarbinnen een orakel zich aandient.

“In den beginne was het woord”. Of de naam, zo u wil. Ik had een beschermde kindertijd. Mijn ouders waren relatief moderne katholieken die veel belang hechtten aan het doorgeven van hun geloof én de passende rituelen die bij de katholieke sekte hoorden. Ik werd misdienaar en voorlezer. Als twaalfjarige wou ik priester worden, een verlangen dat gelukkig snel, met de medewerking van enkele leuke vriendinnen, voorbij ging. Veertien jaar was een mijlpaal in mijn jonge leven; een broer van me sterft door zelfdoding. Eensklaps leek het of de God waarin ik meende te geloven en waarop ik vertrouwde, uit mijn leven was gevlucht. Of liever; ik verstootte een Wezen dat zo hardvochtig omging met “zijn kinderen”. Hij moest maar niet denken dat ik Job was. Tegelijk startte een lastige puberteit. Mijn ouders zaliger wisten geen raad met me. Ik was de jongste zoon van zeven kinderen. Het verdriet dat ik mijn omgeving aandeed, was een wraak op God. Zo redeneerde ik als jongeling. Maar het bracht geen vreugde, geen tevredenheid. Studies wilden ook niet vlotten. Vervolgens ben ik, amper 23 jaar oud, in een huwelijk gestapt…en ben ik vroeg, twee jaar later, “gelukkig” gescheiden. Maar goed, ik vertel u dat opdat u zou begrijpen in wat een gemoedsgesteldheid ik mij in die periode bevond. Uiteindelijk kon dus de pluk-de-dag-filosofie mij niet bevredigen. Integendeel. Hoe minder ik scheen na te denken over het eigen denken, voelen en handelen, hoe ongelukkiger ik mij voelde en hoe heviger het onbehagen mij uitholde tot een zinledig bestaan. In een regressieve reactie zonk ik nu en dan in herinneringen aan een vrolijke kindertijd tussen kaarsen, wierook en kromgebogen ouwe priesters.

Geheel onverwacht daagde een lichtje. Opeens besefte ik bij mezelf dat de hele onhoudbare situatie vervlochten was met één vraag: “hoe is Zijn Naam?” Achteraf gezien moet ik mij gevoeld hebben zoals een Galahad die op zoek is naar de Graal. In de mythologische Graallegende moet de held Galahad de gewonde Visserskoning vragen “wie ben je?” en “voor wie is de Graal?” Dat was de hele queeste: wie is die Godheid waar zoveel om te doen is en die blijkbaar zo drastisch mijn leven heeft bepaald. Mijn escapades en mijn helse zoektocht bleken altijd weer in verband te staan met dat Onzichtbare Wezen dat Onkenbaar is. Ik zweer je, het moment dat ik dit inzag: een klop op mijn kop! Ik hoorde het donderen tot in Keulen, neen, tot in Tokio.

Er zijn vele namen bedacht om het onnoembare te benoemen: grote geest, boeddhageest, christusgeest, tao, kama, hsin, ... “Diegene Zonder Naam” manifesteert zich via de pneuma, de chi, de libido, de ki, de energie, de kundalini, de prana, de genade,...

Gemakshalve noem ik hierna de Naamloze gewoonweg “HET”.

Tenslotte spreekt de Naamloze in de bijbel -ik ben in een maatschappij opgegroeid waarin de christelijke tradities een erg belangrijke rol hebben gespeeld, dus waarom niet het christelijke heilige boek als referentie nemen?- slechts eenmaal over zichzelf onder de naam: Ik Ben Die Ben. Wanneer u het persoonlijke voornaamwoord “ik” vervangt door “hij” of “zij” of “de dingen” of door het onzijdige “het”, dan krijgt u achtereenvolgens:

Hij Is Die Is
Zij Is Die Is
De Dingen Zijn Wat Ze Zijn
Het Is Wat Het Is

Dit zijn, naar mijn mening, allemaal perfecte definities van het Naamloze Goddelijke. Ik hou het dus bij HET. Daarmee ben ik tevreden.

De link naar de I Tjing is ook gemakkelijk gelegd. De werking van HET noem ik dan “Kracht”. Deze kracht manifesteert zich op tweeërlei wijze: energetisch of stoffelijk, dus via Geestkracht en/of via Vormkracht.

De basismaterie (Prima Materia) van het dagdagelijks bestaan is “dat wat er is”, dus HET. Zoals HET in ons is, zo zijn wij in HET: dat is het mysterie waar alles om draait. Ben ik op HET gericht (bewust van HET) of leef ik een leven in onwetendheid (onbewust van HET)? Niemand dwingt mij, maar eenmaal het besluit genomen dat ik ga zoeken naar kennisname van HET, dan is er geen weg terug. Ik heb het vuur van de goden gestolen, ik heb in de appel van “goed en kwaad” (dualiteit) gebeten en ik ben het paradijs ontvlucht (volwassen geworden, weg van regressie en romantiek) met als doel een “nieuwe hemel en een nieuwe aarde” te scheppen, door het “Grote Werk” (Magna Opus) in mezelf te volbrengen. Ik ben uit het nest gevlogen, ontgroeid, en ik zwerf maar wat, wetende dat ik op weg ben naar nergens, dus naar thuis, naar HET.


Zwerven

In het boek “De Alchemist” van Paulo Coelho zie ik hoe de hoofdfiguur op zoek is naar een schat. Hij reist daarvoor naar de piramiden van Egypte en hij komt tot de ontdekking dat de schat begraven ligt naast de kerk van zijn dorp. Hij dus terug naar af.

Zo zie ik mijn eigen reis. Het katholieke geloof liet ik schijnbaar achter me. Ik werd getrokken naar het taoïsme en het boeddhisme. Ik las boek na boek, volgde lezing op lezing, en was erg geïnteresseerd in het lamaïsme en het zenboeddhisme en tai-chi en yoga.
Via Danny, een goeie vriend, kom ik in aanraking met de I Tjing, het boek der veranderingen. Ik ben van dan af aan gefascineerd door China. Ik heb het zo te pakken dat ik alle meubelen het huis uitkieper en op de grond leef, eet, vrij en studeer. Ik gebruik stokjes om te eten en de kleuren in huis zijn hoofdzakelijk rood. Zo erg kan iemand zichzelf verliezen, en datgene nabootsen wat men niet is, om zichzelf te vinden.

In de vertaling van de I Tjing van Richard Wilhelm vind ik een voorwoord dat door Carl Gustav Jung is geschreven. Dit raakt mij diep. Ik ben eensklaps een freak van Jung. Alles wat in het Nederlands over Jung is verschenen, verslind ik, als een ziekelijk monster, op zoek naar volmaakte bevrediging. Ik kom in aanraking met de alchemie, ik leer over droomduiding, analytische psychologie, hoe overdracht werkt, de macht van projecties, over archetypen en synchroniciteit. Een magische wereld gaat open, een wereld die evenwel in mijn omgeving zo erg met de realiteit overeenstemt dat ik verder moet gaan. Ik hoor voor het eerst over het begrip “gnosis”, ik verken de antieke wereld van Antiochië, Alexandrië, de ideeën van het hermetisme; ik leer over Nag Hammadi en de apocriefe evangeliën, waar nu een Jezus op het toneel verschijnt die anders is dan in de evangeliën die enkel door de katholieke sekte zijn erkend. Ik leer een Jezus kennen die “Maria Magdalena op de mond kust”, een Jezus die spreekt in koantaal, in orakeltaal en ons aanraadt: “wees voorbijgangers!”. Ik ben terug aan af, na enkele jaren geestelijk rei-zen; het ene boek uit, het andere boek in.

Ik kom bij mijn dorpskerk en vind diep onder de fundamenten een schat. En met het nieuwe beeld van Jezus ontstaat een nieuwe kijk op alle leermeesters van vroeger. Ik zie hen als mensenzonen en -dochters die wij allen zijn, die hun levensdoel vorm hebben gegeven op hun eigen unieke manier. Ik zie God, Allah, Jezus, Mohammed, Boeddha, Khrisna, Brahman, enz. anders, geheel anders, net zoals ik oost en west nu anders zie, als verschijningsflitsen van één en hetzelfde fenomeen, als diverse Namen van het Naamloze, van het Mysterie dat het Goddelijke Is, als delen van het Ene Grote Geheel, van het Hele Al (Heelal), van HET.


De Eenheid is vol en leeg!

Nu ik dit schrijf, is het dertig graden buiten en spelen kinderen in de tuin van de buren. Ze gillen van plezier in het plastieken bad dat er tijdelijk werd geplaatst. Ze versterken bij mij het gevoel van gemis aan mijn eigen dochter die nu bij de mama is. Ik schrijf én ik ben vader. Het één kan niet zonder het andere en zo is het altijd, maar veelal ervaren we het ene en verdwijnt het andere. Ik ben nu tevreden omdat het vlot met schrijven én omdat ik mijn dochter mis. Schrijven én gemis!

De YI vormt een gesloten eenheid. Het boek weerspiegelt de grotere Eenheid van het geheel. In die betekenis is de YI holistisch. In China spreekt het taoïsme over het tao als een eenheid dat zowel alles (vol) als niets (ledig) bevat en symboliseert het abstracte beeld van een universum dat op zichzelf bestaat en Alles in zich heeft. Alleen deze “Vol-Ledigheid” bestaat, ook al omvat zij het niet-bestaan. Dit macrokosmisch gegeven krijgt een weerspiegeling in de mens, in de eenheid tussen lichaam, psyche (ziel) en (denk)geest. De lege cirkel is de perfecte uitbeelding van de werkelijkheid als totaliteit die tegelijk vol én ledig is:

De Lege Cirkel, het Hele-Al
De Prima materia

De paradox is dat, hoe meer ik de YI bestudeer, hoe dichter ik de godheid benader, in de betekenis dan van “volledigheid” of “totaliteit”. Ik voel mij, door de YI, een “heler” mens geworden. Hoe dichter ik echter de godheid nader, hoe minder ik er blijkbaar over kan zeggen en hoe minder ik erover weet. Een mooie poging tot definiëring van god is “ultieme paradox” of “alles en niets”.

Stel, ik praat met een vogel, zoals Fransiscus van Assisië wel eens deed. Als ik denk dat ik met de godheid praat, dan heb ik het verkeerd voor. Ik lijk wel gek. Als ik echter denk dat ik niet met de godheid praat, heb ik het ook verkeerd voor. Waarom zou de godheid niet in een levend wezen als een vogel aanwezig zijn? Ik praat met god en ik praat niet met god. Als ik echter al praat met god, dan ben ik niet stil. Maar de godheid is ook stilte. Ziet u? Ik vind het moeilijk om met HET in contact te treden. Misschien is essentieel contact gewoon niet eens mogelijk? Nochtans kan ik niet ontkennen dat de Totaliteit, dat HET, bestaat en dat de uitwerking ervan invloed heeft op hoe ik leef en op wie ik ben! Ik kan dus beter zwijgen over de godheid en het enkel hebben over de uitwerking ervan.

Via Mandala's (=cirkels) geeft de oosterling vorm aan zijn streven om de menselijke psyche, om de delen van het Zijn, bij-één te houden. De lege cirkel is een projectie van Tao, een beeld van Eenheid, een uiting van Volledigheid, van HET, nl. van de dingen zoals ze zijn, de dingen “an sich”. De YI helpt mij, als raadpleger van het orakel, als edele, om mijn “eenheid-van-zijn” te bewaren en om op die manier, in een soort verbond, op dezelfde golflengte te vibreren als het Grotere Geheel. In diverse mythologische verhalen vinden wij het beeld terug van een gesloten alomvattende kosmos, gepersonifieerd in een persoon; bijv. Pan-Ku, de Antropos, de Adam-Kadmon, de Osiris, de Brahman, de Christos, enzovoorts. Soms projecteert (zoals een dia op een scherm) iemand de totaliteit in een kracht, soms in een persoon. Maar je hebt ook mensen die daar in het geheel niet mee bezig zijn. Ze proberen zelfs om de totaliteit te ontkennen. Ze projecteren, in eerste instantie, dus bewust, niets. Ze hebben geen dia, geen beeld van de godheid, van de totaliteit. Nu is het zo dat projectie een psychisch gebeuren is. Alles waar we ons niet van bewust zijn, manifesteert zich als projectie. Ik kan talent hebben om te dansen, maar me daar niet van bewust zijn. Dan kan ik onbewust mijn talent projecteren op iets of iemand buiten mezelf. Ik kan verliefd worden op een danseres of ik kan passioneel een voorliefde koesteren voor opera's en musicals. Mandala's tekenen is een bewuste poging om aan de totaliteit vorm te geven, net zoals het aanbidden van een godheid dat is. Je zou het een bewuste poging tot projectie kunnen noemen, ook al zijn “bewust” en “projectie” met elkaar in tegenspraak.

Wij kunnen onmogelijk een bewustzijn ontwikkelen dat de gehele totaliteit kan omvatten, behalve dan enkele uitzonderingen, zoals mystici en dergelijke. Toch is de totaliteit altijd aanwezig. De totaliteit is een constante realiteit. Mensen die geen bewust godsbeeld koesteren, zijn toch onderhevig aan de totaliteit, aan HET. Daarom zullen zij onbewust toch een beeld van HET ontwikkelen, in hun dromen, in hun neuroses, angsten, of in andere vormen van projecteren, zoals wanneer iemand ALLE kwaad in de wereld toeschrijft aan één bevolkingsgroep of zoals iemand die zijn HELE leven geruïneerd acht door iemand anders dan zichzelf.

De totaliteit manifesteert zich als uitwerking. Een mogelijke uitwerking van HET bestaat erin dat ik ofwel geloof in “iets” of dat ik geloof dat er “niets” is. Maar ik spreek in wezen over hetzelfde. Iets is Niets en Niets is Iets! Heel moeilijk om dit te doorgronden. Ik heb er eigenlijk geen flauw idee van, maar het klinkt wel goed. De filosofie is nu niet zo belangrijk. Filosofie is luchtkastelen bouwen. En ook al doe ik vaak zelf niets liever dan dat, de uitwerking van HET op mijn leven is iets helemaal anders. Dat raakt mij wel. Als ik het bestaan van een Bron aanneem en weet dat alles mij gegeven is, dan ga ik anders met de dingen om dan wanneer ik denk dat er geen Bron bestaat en dat het leven zelf op mijn eigen schouders rust, dat ik het ben die het moet waar maken, dat ik het ben die mij moet bewijzen en dat ik het ben die moet vechten om te bestaan.
Ziet u? Ik kan de Bron niet aan u bewijzen, net zo min als ik u de Bron kan onthouden of kan doen alsof er geen Bron is. Er valt namelijk niets te bewijzen. Er is alleen de dagdagelijkse realiteit. Daarin manifesteert zich de Bron die zich voortzet in mensen en dingen.

Misschien bedoel ik eigenlijk met de Bron ook niet de godheid zelf, maar het beeld dat ik, als individu, van een godheid heb. Ik bedoel maar, de totaliteit ontgaat mij voortdurend. Het ontgaat me au fond dat ik helemaal ben. Gewoon.

Ik ben tevreden omdat ik ben wie ik ben. Ik moet niet trachten iets anders te zijn. Ik moet niets. Dat is alles. Als ik mijn aandacht op het Ene houd, op HET, dan is alles Een, zonder dat er iets is dat ik ontken. Zonder dat iets niet-één is. Ik nodig iedereen uit om, tegen de stroom in, al de aandacht bij het Ene te houden. Ik zie HET als een autonome kernkracht die achter en die in de dingen werkzaam is. Ook in de YI, zo zegt het commentaar, werkt er een krachtbron achter en in de beeldentaal, een soort orde achter de chaos van orakels, lijnen en beelden.
Ik sta niet los van het leven. In feite is er niets anders dan heelheid. In feite ben ik niets anders dan heel. Als ik dat ben vergeten, heeft het bestuderen van de YI tot doel mij dit te helpen herinneren. Ik vermoed trouwens dat het geheim van de zelfkennis erin bestaat dat ik tot besef kom dat ik HET ben, en daardoor heel. Dit besef maakt een negatieve geestesgesteldheid haast onmogelijk.
Dit HET, de totaliteit, het volle en ledige, is de oorsprong van alle bestaan. Tegelijk is het de eindmeet. Alles keert, in een cyclisch proces, terug naar zijn oorsprong. Begin en einde vallen samen. In de westerse alchemistische verbeelding zien wij hoe een slang in haar eigen staart bijt; het beeld van de Ouroboros.

Hoezeer wij in onze culturaliteit ook pogen om een volmaakte samenleving te creëren, het kan blijkbaar niet lukken. De neiging tot perfectie schijnt desastreuze gevolgen met zich mee te brengen. Een christelijk geïnspireerde samenleving ervaart een voortdurende staat van frustratie, aangezien de leden ervan zich genoodzaakt zien een voorbeeld te volgen, een Christus te evenaren die onnavolgbaar en niet te evenaren is, aangezien zijn goddelijke perfectie niet voor een mensenkind is voorbeschikt. Wij zien een wanhopig streven naar perfectie, een geïdealiseerde “gemaaktheid”, een artificiële maatschappij dat de werkelijke noden en verlangens vaak onbevredigd laat vanwege het eenzijdig streven naar hoogtepunten, naar climaxen, naar orde, macht en controle.

De “Ubermensch”-gedachte laat velen niet los, wat er ook in de vorige eeuw is gebeurd, op zoek als zij zijn naar een geconditioneerde doelstelling: de Verlichtingsidealen van onze samenleving. Men verkrijgt derhalve vreemde bijverschijnselen als resultaat. Wij zien dan hoe ideologieën en idealistische leiders plotseling omslaan in een dictatoriale werkelijkheid. Wij zien hoe de natuur zich keert tegen de eenzijdigheid van de rede.
De natuur kan onmogelijk eenzijdig zijn, aangezien de natuur allesomvattend is en dus ook schaduw, leed, het niet-perfecte, in zich draagt. De natuur is niet iets dat losstaat van ons. Wij zijn natuur. De woorden cultuur en natuur zijn geen tegenstellingen. Het feit dat wij cultuur voortbrengen, is precies onze natuur, zoals een vogel dat een nest bouwt, moet bouwen, omdat deze dadendrang ingebakken zit in zijn eigenheid. Dit heeft een oosterling altijd onthouden. Zijn beeld van Verlichting richt zich op het vol-ledig uiten van onze natuurlijke aard, zonder uitsluiting van wat dan ook. Het tot werkelijkheid brengen van een volledig-mens-zijn is datgene waar de YI-filosofie toe bijdraagt.
U bent zelf de Mensenzoon van Moeder Aarde en Vader Hemel. U bent zelf de held van het verhaal. U hoeft niets of niemand te volgen, behalve uw eigen diepste wezen, uw eigenheid waarvoor u bent voorbestemd. Dit besef is in mijn levensverhaal een enorme bevrijding geweest. Ik hoef niet meer, in navolging van Christus, zonder zonde te zijn. Geen erfzonde of oerschuld weegt op mijn schouders. Geen duistere plek in mijn ziel is waardeloos, daar zij deel uitmaakt van de oorzakelijkheid waarvan ik het gevolg ben, een product van HET, van de goddelijke totaliteit.

Het steven naar volmaaktheid laat ik los. Ik stelde op een haast Spinoziaanse wijze vast dat allen en alles één en hetzelfde HET waren. Ook al is dit “weten” zinvol, praktisch gezien weet ik geen blijf met een dergelijke weten-schap. Als mijn vriendin mij bedriegt met mijn beste vriend, dan neig ik in een eerste reactie, ondanks het holistische beeld van de werkelijkheid, tot: “ik sla 'm de kop in”.

Ik heb moeten afkicken van het schuldbesef. Hoewel ik in onschuld ben geboren, hebben er zich dingen voorgedaan waarbij mijn motieven en daden niet goed te keuren zijn, omdat zij mezelf of anderen hebben beschadigd. Zo dacht ik over mezelf. Ik heb dan maar zelf een gebed gemaakt dat ik in die periode vaak heb opgezegd, als een mantra, om goed in mij te laten doordringen dat oordelen over “goed “ en “fout”, als moreel concept, mij niet verder brengt in mijn groei, tenminste zolang ik de achterliggende kracht van de totaliteit daarin niet erken.

Ik vergeef mijzelf
Daarom ben ik waardig te ontvangen
Zonder begrenzing, zonder tijd

Ik vergeef mijzelf
Daarom kan ik geven wie en wat ik ben
Zonder begrenzing, zonder tijd

Ik vergeef mijzelf
Daarom laat ik los wat voorbij is
En vergeef ik allen van wie ik dacht
Dat zij mij nadeel hebben berokkend

Omdat ik mezelf en alle levende wezens vergeef
Vergeef ik HET, vergeef ik God
Daarom ontvang ik genade en onvoorwaardelijke liefde
Zonder begrenzing, zonder tijd.

Omdat ik alles ontvang, kan ik alles geven.


Yin en Yang

Ik zie een chronische ziekte om me heen. Een fundamenteel onbehagen. Ik weet waarover ik spreek, want onbehagen is me niet vreemd. Ik had de ontevredenheid nodig om tot innerlijke vrede te komen. Er ontbrak mij lange tijd een inzicht, een sleutel die mij de mogelijkheid bood een deur te openen die mij de vrijheid gaf. Natuurlijk ben ik geen on-mens. Ik bedoel, ik ben niet totaal bevrijd van dit probleem. Ik ben geen boeddha. Het monster dat mij gevangen hield en die de sleutel verborg, heette “denken”.

Ik had vele problemen. Denk jij ook vaak dat jouw problemen groter zijn dan die van een ander? Problemen zijn problemen! De Dalai Lama heeft daar een oplossing voor gevonden. Hij zegt dat er oplosbare en onoplosbare problemen zijn. De oplosbare problemen moet ik oplossen, zodat het geen problemen meer zijn. De onoplosbare problemen moet ik loslaten, zodat ze verdwijnen en dus geen probleem meer voor mij zijn?

Maar goed, ik dacht dat ik vele problemen had. Ik dacht dat ik dacht. Maar wat denkt er in mij? Wie? Ik! Wie is dat? Als ik mijn “ego” wou tonen, mijn “ego” cadeau doen aan een geliefde, het verpakken of iets dergelijks, dan kon ik dat onmogelijk, want ook al snij ik me in duizend stukken, ik zou nergens een “ik” of “ego” vinden. Over wie heb ik het dan? Ik kon, dankzij het denken, tot de slotsom komen, dat het “ego” niets anders is dan “gedachten” over mezelf. Het was een complex geheel aan ideeën. Aangeleerd of zelf gedefinieerd, het maakte niets uit, maar wat echt telde was het volgende: als ik de gedachten over mezelf kon stoppen of tenietdoen, dan was ik “ik” niet meer. Ik had dus het denken nodig om het denken te stoppen. Dat is een vreemde conclusie.
Vervolgens was er nog iets. Om “ik” te zijn, moest ik mezelf voeden met ideeën over mezelf. Dat is erg uitputtend, vooral als je weet dat het allemaal geen steek houdt, dat het geen fundamenten heeft, want gedachten komen en gaan, als met de wind en de mode. Ik kon niet anders dan de gedachten te richten over vergelijkbare situaties of mensen. Met het denken stond ik steeds met één voet in het verleden, wat opnieuw lastig was, want het verleden was inmiddels totaal veranderd of omgevormd tot een heden. Ik vergeleek altijd met vroeger en met anderen. Ik kon niet anders dan inzien dat denken nooit echt nieuw kan zijn, want het hangt af van vroeger en van hoe anderen er tegenaan kijken. Al te afwijkende ideeën bijvoorbeeld heeft menigeen in een psychiatrische inrichting doen belanden.

Ik werd moe van mezelf, moe van denken, moe van “ik”. Na een tijd hou je alles voor bekeken. Een jongeling kan best een groot ego opbouwen, waarom niet, hij of zij moet er nog tegenaan gaan, het waar maken in het leven. Cafés, vrouwen, muziek, trends, reizen, uiteindelijk gaat het allemaal vervelen. Het denken kan niet anders dan eindigen, door de voortdurende herhaling van zichzelf, eindigen in vaalheid, verveling en onbehagen. Het denken kan niet denken uit zichzelf. Het is afhankelijk van iets dat veel groter is, namelijk de totaliteit. De echte bron ervan is HET. Als het denken HET niet erkent, is het zijn bron kwijt, is het op zichzelf aangewezen en put het zichzelf uit. Niet “ik” leef, maar HET leeft in mij! Zolang ik niet tot dit besef kom, bevind ik mij in een innerlijk conflict.

Denken is nooit stil, want denken is bewegen. Denken is nooit nieuw, nooit stil en nooit vrij. Alleen de achterliggende Kracht van HET is stil, is nieuw en is vrij. Omdat HET vrij is, is het liefde, want in liefde is geen conflict. In denken is er altijd conflict, daarom kan denken nooit liefde zijn.
Als jongeman wou ik “dat wat is” veranderen in iets anders. Ik wou HET veranderen in IK. Ik wou de godheid scheppen naar mijn beeld, niet beseffend dat ik geschapen ben naar het beeld van HET.
Dan volgt de gespletenheid, het onbehagen, de hunkering naar iets dat echt verfrissend en zonder conflict is!

Ik wou TRANSFORMEREN. Ik wou dat ik veranderde. Ik wou groeien. Iets hield mij tegen. Maar wat? Intussen vloeide de levenskracht langzaam weg.

Het belangrijkste kenmerk van het denken is zijn mogelijkheid tot analyse. Het denken structureert ook, deelt in, ordent, ontwart, splitst en verdeelt. Als we over denken spreken, hebben we het over de mogelijkheid tot onderscheiden. Het onderscheidingsvermogen is een belangrijk aspect van het bewustzijn. Nochtans is het ook de gevangenis. Als ik de navelstreng met de totaliteit, met de eenheid, met HET, doorknip, zit ik vast in de dualiteit van zus en zo, van her en der, van dit en dat. Dat is de oorzaak van de chronische ziekte waar ik het over heb. In de gespletenheid van onze psyche en in het eenzijdig denken zitten de kiemen van onbehagen en ontevredenheid. Terwijl ik het ene heb, wil ik het andere; nu ik hier woon, wil ik naar daar verhuizen; nu ik zo ben, wil ik anders zijn; woon ik met een vriendin, dan wil ik alleen door het leven; woon ik alleen, dan wil ik een vriendin. Langzaam schuift iemand, in een dergelijke geestesgesteldheid, weg in het moeras of in een diepe kerker van eenzame vergetelheid.

In het grotere geheel van de kosmos krijgt de dualiteit betekenis wanneer HET zich uitwerkt in materie en energie, in Vormkracht en in Geestkracht. Maar het ene kan niet zonder het andere. Het zijn tegendelen IN de Eenheid.
In de YI beeldt zich dat uit als yin en yang. Yin is dan een gebroken lijn:



Het spanningsveld tussen yin en yang zorgt ervoor dat een scheppingsproces op gang gebracht wordt. Het universum kan op die manier, door de dynamiek van de voortdurende verandering en omvorming, zichzelf in stand houden door de afwisseling van inkrimpen en uitdeinen. Een rigide Eenheid waarin geen verandering zou plaatsvinden, kan onmogelijk organisch leven in zich dragen. Zelfs machines, stenen en andere schijnbaar onveranderlijke materialen hebben yin-atomen en yang-electronen in zich. Op macro- en microkosmisch vlak spelen zich dezelfde fenomenen af waarbij een kern, een centrum, in een relatieve stabiliteit wordt gehouden door de omcirkeling van de daarvan afhankelijke inhouden.

Cultuur-historisch is het misschien belangrijk te weten dat in de joodse traditie, waaruit het christendom tenslotte is ontstaan, oorspronkelijk sprake was van de eenheid tussen Jahweh en Satan. In het oud-testamentische boek Job vind ik dat terug. Zij vormden een eenheid. Toen de Joden naar Babylonië werden verbannen in de 6de eeuw voor Christus, kwamen zij in contact met het zoroastrisme, waar de goddelijke tweelingbroers Ahoera Mazda en Ahriman steeds werden aanzien als zelfstandig naast elkaar staande machten van het licht en van de duisternis. Misschien hebben de Joden tijdens hun ballingschap in Babylonië een belangrijke verschuiving ondergaan in hun religieus denken en werden god en duivel twee verschillende entiteiten. Dit extreem dualisme, dat losstaat van een overkoepelende grootheid als eenheid, heeft belangrijke gevolgen gehad tot op heden, zeker wat betreft onze manier van denken over “goed” en “kwaad”. De Amerikaanse president spreekt anno 2002 over “de as van het kwaad” en bedoelt daarmee drie landen die zogenaamd duivelse plannen hebben die tegen Amerika en het westen gericht zijn.
De Joden hebben nog wel het één en ander uit de Zend-Avesta (heilige boeken in het zoroastrisme) overgenomen. Zo geloofde Zoroaster dat de ziel onsterfelijk is, dat de ziel na de dood het lichaam na drie dagen verlaat en voor een rechtbank moet verschijnen. Aan het eind van onze wereld zal een persoon komen die Saoschieaan heet en de mensen zullen hem volgen en hij zal hen naar een nieuw leven leiden. We vinden, in een enigszins gewijzigde versie, dezelfde ideeën terugkomen in het Joodse en Christelijke godsdienst.

Maar het allerbelangrijkste is de verschuiving van “tegendelen” binnen het Ene naar losstaande “tegenstellingen” als Krachten die in strijd zijn met elkaar. Slechts in bepaalde periodes, in bepaalde beperkte kringen, heeft met het monistisch dualisme weten te behouden.
In bepaalde Griekse en Alchemistische geschriften is de holistische gedachte wel terug te vinden. In de Tabula Smaragdina, een oude Arabische tekst uit de 8ste eeuw, maar die teruggaat op een veel ouder Grieks exemplaar, en waarvan de auteur, de wellicht fictieve en legendarische Hermes Trismegistos is, zegt het volgende:

“Dat wat boven is, is gelijk aan wat onder is,
en dat wat onder is, is gelijk aan dat wat boven is,
om de wonderen van het Ene te doordringen.
En zoals alle dingen geworden zijn uit Eén,
Door de overweging van Een,
zo ontstonden alle dingen uit dit Ene door aanpassing.”

In het veel oudere “evangelie van Thomas” (rond 50 n. Chr.) staat:

“Jezus zei:
Als jullie twee tot één maken
zullen jullie zonen des mensen worden;
en als jullie zeggen: berg verplaats je,
zal hij zich verplaatsen.”

Voor een oosterling, in het bijzonder een Chinees, zijn dergelijke gedachten nooit weggeweest. De eerder aangehaalde Lao-Tze schrijft in de zesde eeuw voor onze jaartelling:

“Tao baart een
Een baart twee
Twee baart drie
Drie baart de tienduizend dingen
De tienduizend dingen dragen het duister beginsel buiten
En het lichtbeginsel binnen
Door ijle adem (chi) komt samenklank”

Wat is nu het belang van dit alles voor mezelf. In de YI vind ik concreet een orakel over de verhouding van water tegenover vuur. Als beide krachten in evenwicht gehouden worden, ontstaat de mogelijkheid van stoom. Vuur en water hebben diverse symbolische betekenissen. Vuur is de actieve kracht in het leven, water staat voor de receptieve, ontvangende, en dus eerder passieve houding in het leven. Is er teveel water, dan dooft het vuur. Is er een teveel aan vuur, dan verdampt het water. Op deze symbolische wijze verhouden yin en yang zich, afhankelijk van de tijd en de context waarbinnen een gebeurtenis zich afspeelt. Soms is de tijd rijp voor een volledige yinhouding, soms voor een volledig yanggedrag. Het laatste is bijvoorbeeld zo als de zon op het middaguur aan de hemel staat. De expansie van yang is tot een hoogtepunt gekomen en kan nu, vervolgens, door de tijd, niets anders dan afnemen. Meestal bevinden wij ons in een situatie waarbij yin en yang alle twee aanwezig zijn en waarbij beide krachten zich tot elkaar in een bepaalde dosering verhouden. De YI verwijst daar voortdurend naar. Ik kon de wetten leren van opgang en ondergang, van expansie en verval.
Waar yin en yang elkaar in evenwicht houden, vind ik de energie (stoom) om vooruit te gaan, het grote water (dit leven) over te steken, zonder vrees of hoop, de weg voortgaand die alleen voor mij is bestemd; niemand nabootsend, niemand ontkennend of afwijzend, niemand onwaardig door mijn eigen waardigheid.

Als u een rechte en een gebroken lijn bijeenbrengt, hebt u een kruis. In het oosten bestaat het Tai-chi symbool waar yin en yang in een cirkel zijn bijeengebracht. In de alchemie sprak men van de quaterniteit van de cirkel. Dit zijn symbolen om de psychische nood aan te geven van een fundamenteel innerlijk evenwicht dat berust op de verhouding van duale krachten in ons leven en die de basis vormen van alle veranderingen.

De ervaringen die ik opdoe, de gedachten die opkomen, de handelingen die ik onderneem, ondergaan een onderdompeling (solutio) in het reflectief en introspectief vermogen. Ik ga fantaseren en associëren omtrent een ervaring en ik geef die een betekenis (zin).

Op de een of andere manier geef ik alleen door wat ik zelf heb ontvangen. Zelfs inspiratie is nooit nieuw. Het is een nieuwe vorm van wat er altijd al is geweest. Ik kan alleen maar (door)geven. En geven is niet-hechten-aan. Het betekent dat ik mezelf bevrijd en door mezelf te bevrijden kan HET in mij werkzaam zijn. De stof doorgeven, is ze loslaten, omdat ik besef dat niets van mij is. Ik voel op een gegeven moment dat ik niet heer en meester ben over wat met mij gebeurt.

Eerst dacht ik dat een ”geloof in een opperwezen” een gevolg is van mijn katholieke opvoeding. Maar de YI heeft geen enkele band met de katholieke leer, en toch heb ik de ervaring van een “grotere kracht” die ik zeker geen persoonlijke eigenschappen toeken, maar die wel invloed heeft op mijn keuzes, beslissingen en de dingen die mij overkomen, enz. Ik heb moeten leren de “levensstrijd” op te geven en deze in te ruilen voor een (over)gave. Ik heb het regressieve “magische” denken omvormd tot een soort “mystieke” visie op het leven. Ik kon kiezen voor een geestesgesteldheid van overgave of voor een Darwiniaanse levensstrijd?

Misschien heeft u geen idee waarover dit probleem eigenlijk gaat? Als er al een probleem is? Maar ik zit wel met een probleem? Hoe moet het nu? Ik vind in het boeddhisme een belangrijke gedachte: niets bestaat op zich-zelf en niets is uit zichzelf ontsproten! Alles is altijd weer afhankelijk van iets of iemand anders. U overleeft niet zonder zon, water, koestering, voedsel, enz. . Doordat we afhankelijk zijn, staan we niet op onszelf. We hebben alleen de mogelijkheid om daar bewust over na te denken. Door het denken, ontdek ik de dualiteit, de paradoxen die zich voordoen in het gewone leven. Als ik denk, ben ik afgescheiden van het Ene, van de Totaliteit. Zo denk ik erover. Zonder dualiteit is geen oordeel mogelijk. Als alles wat ik ben, gekregen is, dan sta ik in het krijt met de gever. Ik begrijp ineens hoe het komt dat mensen geloven in een erfzonde, een basisschuld. Ik moet mij haast schuldig voelen omdat ik leef, omdat ik geboren ben. De denkgeest komt soms, in zijn dualistische methode, tot bizarre redeneringen. Ben ik gek? Ik kan dus ervaren dat ik in een betere situatie terecht ben gekomen door toedoen van iemand anders. Ik hoef daarvoor geen schuld op mij te nemen, want zelf ben ik er op mijn beurt oorzaak van dat anderen het beter hebben.
Wie schuld opneemt, is de denkgeest. Het denken alleen kan dus geen oplossing geven aan de talrijke vragen die ik heb over mijn bestaan. Ik kan best gewoon vaststellen en waarnemen wat er gebeurt en dankbaar zijn met elke verrijking en vermeerdering.

Een ander heet hangijzer! Ik leef in een anoniem systeem. Men noemt het vrije-mark economie of kapitalisme. Het economische en politieke systeem waar ik in leef is gestoeld op het principe van dualiteit, losgekoppeld van een hogere eenheidsbron. In België spreekt men van de actieve welvaartstaat. Mooi zo. Ik moet toegeven dat, als ik er niet te veel over nadenk, mij vrij goed voel in een dergelijke omgeving. Ik wens niet te ruilen met een ander continent. Zelfs in Europa zijn er subtiele verschillen. In was onlangs in Rotterdam en ik was blij toen ik terug thuis was. Alles is er zo klein, in Nederland; de huizen, de wegen, de maaltijden, de pilsjes. Dezelfde week was ik in Frankrijk en daar was alles zo groots. De “grandeur” van Frankrijk betekent voor mij vooral de landschappen en de natuur, voor de rest viel er weinig te beleven. Het scheelde niet veel of ik had op de pechdienst beroep moeten doen, omdat ik dertig kilometer ver mocht rijden om een benzinestation te vinden. Ach nee, geef mij maar de Westvlaamse grond.

Maar waar het om? Hoe zit het anonieme systeem waarin wij leven eigenlijk in elkaar. Laten we het vrij simplistisch houden. Al onze handelingen worden bepaald door de wet van vraag en aanbod, en door de noodzakelijk drang naar winst. In beide gevallen is het cruciale punt de verhouding tussen schaarste en behoefte. Voilà, dat is pas een mooie samenvatting. Zowel economisch, sociaal, politiek, cultureel, gaat het erom dat iets er is of dat iets er niet is. Ik heb iets of ik heb het niet! Dat is de dualiteit. Om het systeem gaande te houden, is het noodzakelijk om behoeften te creëren die in feite geen werkelijke behoeften zijn, in die zin dat ook zonder het begeerde product, een aangenaam leven mogelijk is. Geleidelijk sluipt het gif in de maatschappelijke aderen, want de artificiële behoeften krijgen langzaam aan de waarde en de betekenis van de werkelijke behoeften, zoals zuiver water, gezonde lucht, voedsel, zon. Neem nu een wasmachine. In principe totaal overbodig om te leven. Natuurlijk spaart zo'n machine veel tijd en maakt ruimte vrij om andere activiteiten te doen. Het is een handig instrument, maar waar ligt de grens. Televisie, computer, monopolie, Armanipak, auto, filmtickets, coca-cola, enzovoorts. Er komen dagelijks nieuwe zogenaamde noodzakelijke snufjes en producten bij, en voor je het weet zit je in de val en kan je niet meer zonder een bepaald merk, een bepaald product, een bepaalde gewoonte. Ons systeem is gebaseerd op “méér”. Maar aan “meer” komt nooit een einde. Probeer het maar, om nee te zeggen, tegen de vele lonkende prularia op de consumentenmarkt. Staatscontrole op het privé-leven door politie en partijleden is er bij ons gelukkig niet en sociale controle waarbij “verklikken” regeltje één is, hoort godzijdank niet bij het normale sociale verkeer. Er heerst echter een meer subtiele vorm van dictatuur; die van de behoefte. Wie van een leefloon afhankelijk is of wie bewust kiest om consumptie tot het allernoodzakelijkste te beperken, is al vrij vlug gebrandmerkt als asociaal of wordt als marginaal aanzien, als iemand die geholpen moet worden, als iemand die van een ziekte bevrijd moet worden. Dus stopt men nog maar eens een zoveelste reclamefolder in de bus, in de hoop dat ik mij zal bekeren tot de religie van het “gouden kalf”. Ik rij met een twaalf jaar oude renaultwagen. Als ik mijn wagen in de stad parkeer, zie ik de medelijdende blikken en ik dank hen glimlachend in het diepste van mijn hart.

Waarom is een dergelijk systeem zo funest voor de gezondheid van elke onderdaan. Waarom de vele depressies? Waarom drijven werkloosheid en scheiding zoveel Vlaamse mannen tot zelfmoord? Het is de belangrijkste doodsoorzaak van mannen tot 50 jaar in België! Ik denk dat het de volgende jaren nog erger gaat worden!

Geloof het of niet, maar we koesteren een systeem dat voortdurend aanstuurt op, en slechts kan bestaan door frustratie en onbehagen! U moet dit en dat hebben, u moet zus of zo gekleed zijn, u moet iets zien, iets proeven, iets horen, iets denken. Zoniet bent u een sukkelaar, een buitenstaander, een zonderling, een zieke.

We leven in een maatschappij waarin we proberen “wat is” te veranderen in een “zou moeten”. Dat is een verzet tegen HET dat al IS. Er MOET niets, want alles is al! We kunnen evenwel proberen te ont-moeten!
Het “ik” wil een onderscheid maken tussen de zoeker en het gezochte. Ik meen iets te vinden dat buiten mijzelf is: een heiland, een redder, een leer, een product, een modegril. Niemand lijkt de graal te vinden, de loutere zin, omdat het individu niet zelf de juiste vragen stelt. Hij laat anderen de vragen stellen en de antwoorden geven. De vraag is echter al het antwoord! De vraag is een gebed, een “bede” tot HET. In HET, in de totaliteit is geen conflict. Eenmaal uit HET, in de dualiteit, is er een vervreemding tussen “ik” en “jij”, tussen “zij” en “wij”, tussen “voor” en “achter”, tussen “vroeger” en “nu”, tussen de zoeker en het gezochte, tussen de kijker en het bekekene.
Het “ik” wil “worden”. Dat is een ramp. We willen iets worden wat we niet zijn, of “worden” doorheen de tijd, die ook al een illusie is! Zo weerstreeft het “ik”, het “ego” met zijn kleine kinderlijke wil de Grote Wil van HET.

Het is moeilijk om dit juist te begrijpen. Ik weet ook niet of ik het wel juist inschat, maar behalve de boven aangehaalde kritiek, zijn er ook veel positieve punten aan onze manier van leven. Geen maatschappelijke revolutie is hier aan te bevelen, maar wel een innerlijke transcendentie van het individu. Dit kan door een hoge vorm van individueel bewustzijn en een hoge mate van “vrijheid” om in de samenleving “bij te dragen naar vermogen” en te “ontvangen naar behoefte”. Door een innerlijk proces kunnen we onszelf bevrijden en de slavernij in een anoniem systeem opheffen, zonder het waardevolle dat er ook is weg te gooien. De YI is ook hier weer een goede gids. Ik probeer bij mezelf uit te zoeken wat ik echt nodig heb, wat mijn werkelijke behoeften zijn. Als ik overweeg om iets aan te kopen, leg ik een lijstje aan. Ik laat de lijst een maand of langer liggen en kijk dan nog eens of het wel echt nodig is om die aankoop te doen. In negen op de tien gevallen blijkt dat het overbodig is.


Tussen de hemel en de aarde staat de mens.

De grond van mijn verhaal is de I Tjing, maar de YI steunt op de Logos, op het Woord, op de Naam, en die is HET. Aangezien HET levenloos zou zijn indien het karakter ervan niet de beweging is, moet het wel veranderen en het verandert slechts dan wanneer de innerlijke tegendelen yin en yang het voortdurende scheppingsproces gaande houden. In die zin is stilstand slechts een latente vorm van bewegen. Zelfs in een toestand van rust is sprake van dynamiek. Ook wanneer u slaapt, klopt het hart.
Het klare feit is dat alles in voortdurende beweging is, en daardoor blijft nooit iets hetzelfde. Organisch leven houdt in dat oude dingen verdwijnen en nieuwe dingen ontstaan. De hindoegoden Brahma, Vishnu en Shiva geven dit organisch principe weer door middel van een scheppende, een onderhoudende en een vernietigende godheid. Dat dit cyclisch gebeuren plaatsvindt, is niet zo erg. Mijn besef en bewustzijn over de gebeurtenissen in mijn leven maken de werkelijkheid tot een al dan niet pijnlijke ervaring. Ik kan het idee hebben dat ik leef in een constante staat van loslaten, in een staat van verval en een staat van lijden. Mijn gedachten kunnen zich eenzijdig hechten aan de overtuiging dat, doordat alles verandert, ik altijd en alleen maar dien los te laten. Ik zou liever behouden wat onhoudbaar is. In feite is “de drang tot behoud” een doodswens, want “leven” houdt niets vast en is een oeverloos bewegen. Als ik de dode stof loslaat, bevrijdt ik de levende geest.

De voorwaarde voor de verandering is dus het dynamisch spel van tegendelen. Maar in de YI vind ik, naast de tegendelen yin en yang, ook een weergave van het proces van opkomst, behoud en verval. In de YI heeft elk van de vierenzestig hexagrammen (oerbeelden bestaande uit zes yin- of yanglijnen) twee “trigrammen”, een bovenste en een onderste trigram. Een trigram bestaat uit drie lijnen die yin of yang zijn. De drie lijnen worden ook velden genoemd. De onderste lijn van een trigram is het aarde-veld, de middelste lijn is het menselijke veld en de bovenste lijn is het hemel-veld. Als we yin- en yang- combinaties maken, ontstaan er acht mogelijke trigrammen:




Misschien verveel ik u met lijntjes en trigrammekes. Ik probeer u te tonen hoe de YI in elkaar steekt, dat het orakelboek werkelijk een weergave is van een groeiproces dat erg universeel-menselijk is. Ik ervaar de dualiteit van yin en yang, zoals eerder beschreven, in mijzelf zowel als in de buitenwereld. Ik weeg de dingen af. Ik geef de dingen hun plaats en ik maak keuzes. De orakels in de YI spreken dan van heil, onheil, berouw en beschaming.
Maar het denken over de dingen houdt mij in de dualiteit vast. Mijn rationele vermogens dienen ter onder-scheiding (separatio) van het ene tegenover het vele, het positieve tegenover het destructieve, enz. Ik denk dan plotseling het ei van Columbus gevonden te hebben, maar ik vergeet de kip. Ik bedoel maar dat ik niet verder geraak dan de twijfel en de uiteindelijke verveling.

Ik heb mij een tijdlang taoïst gevoeld. Ik dacht dat de natuur, het lichamelijke, de gezondheid en het fysieke, het allerbelangrijkste waren. Ik had 56 soorten kruiden staan. Ik volgde yoga, tai-chi en tantra. Ik was eigenlijk vooral met mezelf bezig en na verloop van tijd gaf mij dat niet de volledige voldoening waar ik naar hunkerde. Ik wou ook sociaal en spiritueel actief zijn, maar een mens heeft maar 24 uren per dag. Dus sloeg ik een geheel andere weg in, de Maria-verering, en werd erg spiritueel. Zo erg spiritueel, dat ik mijn lichaam vergat. De kruiden beschimmelden, de benen werden stroef en sexuele verlangens werden aan de kant gezet. Ik was van het ene uiterste in het andere gesukkeld.

In mijn omgeving zag ik dezelfde eenzijdigheid bij mensen. Sommigen hielden zich voornamelijk bezig met lichamelijk georiënteerde disciplines (bio-energetica, macrobiotiek, …) en andere richtten zich eenzijdig op het geestelijke (spiritisme, meditatie, sjamanisme,…). Ik kon bij hen en bij mezelf gelijklopende problemen vaststellen. Op een bepaald moment komt er vertwijfeling. Ik bleef onbewust van vele “blinde vlekken” die zich situeerden in de alledaagse werkelijkheid; fixaties op de moeder, psycho-somatische kwalen, dwangneurotische zelfverheerlijking, enz.. Ik herkende dergelijke zaken eerst bij anderen, natuurlijk, en pas daarna bij mezelf. Ik was vaak verdrietig in die tijd. Ik had het gevoel dat ik mij erg inspande, maar dat ik bleef steken in illusies en idealen. Ik leefde in een eigen wereld, geïsoleerd van buren, collega's en de man op de straat. Ik naderde toen wellicht een depressie. Ik was ontgoocheld in mezelf en voelde me schuldig.

De dualiteit hield mij gretig in zijn greep. Ik vond geen brug die de kloof tussen de geest en het lichaam kon dichten. Ik was al die tijd nalatig ten overstaan van de eigen psyche. Als ik nog altijd zie hoe menig spiritueel zoeker de “moeder de kerk” inruilt voor een andere moeder of vader; een goeroe of een sekte, dan is het mij vrij duidelijk dat de persoon in kwestie, op zoek als hij is naar transpersoonlijke ervaringen, blijft steken in een pre-persoonlijke toestand van kinderlijke regressie. Het transpersoonlijke streven en de pre-persoonlijke werkelijkheid is in conflict en beide kunnen elkaar slechts vinden door middel van de opbouw van een stevige persoonlijkheid, van een “ego” dat weet wat het wil, weet wat het is en weet hoe het zichzelf in een latere fase kan overstijgen (niet vernietigen).

Met schaamrood op de wangen erken ik bij mezelf hoe vaak ik heb gepoogd een probleem te verschuiven en niet de moed had een overwinning of een oplossing van een innerlijk conflict te bewerkstelligen. Ik heb de eigen angsten, driften, buien zo vaak geprojecteerd op de buitenwereld. Ik dacht dan dat de problemen waar ik dagelijks mee geconfronteerd werd, oorzakelijk toe te wijzen waren aan iets of iemand buiten mijzelf. Ik oefende twee uren za-zen per dag, maar ik was niet in staat in mijn eigen materieel onderhoud te voorzien, wat ik vervolgens toeschreef aan het kwade werk van de satanische godheid van het geld. Sommigen menen misschien in hun meditatie contact te hebben met geestelijke gidsen en engelen, maar zien niet hoe elk medemens zich van hen verwijderd vanwege het onmogelijke narcistische karakter dat zij hebben ontwikkeld.

De YI is in de antwoorden dat het geeft, vaak erg confronterend. Het boek vlijt niet. Ik ken mensen die zelfs bang zijn voor de antwoorden van het boek. Dat is wat overdreven, maar de achterliggende innerlijke motieven van het eigen gedrag komen bloot te liggen, en wie echt wil kijken, zal ook zien. En zo kan het dan dat, na verloop van lange tijd, zandkorrel na zandkorrel, de ogen helderder kunnen kijken, de kop uit het zand wordt gelicht, en een zelfbeeld naar voor komt dat strookt met de echte, veranderende, realiteit.

In de gnostiek van de tweede eeuw, hangt men de idee aan dat de goddelijke geest zich manifesteert in de psyche die opgesloten zit in het lichaam. Al vlug ontstond in die tijd een haat-liefde verhouding met het stoffelijke-lichamelijke aspect van het leven. Een valse Demeurg zou de aarde hebben geschapen en houdt de mensen vast in de materie. De gnosis onderscheidt drie soorten mensen: de pneumatische, de psychische en de hylische. De pneumatische mensen zijn volmaakt en spiritueel (perfectus) door de goddelijke vonk die zich in hen bevindt. De psychische mens is de eenvoudige gelovige, die onwetend is, en die onderricht ontvangt van de pneumatici. De hylische zijn de aardse, stoffelijke mensen die als laagste soort werden beschouwd. De filosoof S. Kierkegaard komt in de 19de eeuw tot een gelijkaardige indeling: de esthetische, de ethische en de spirituele types van mensen.
De alchemie heeft een veel welwillender houding tegenover het lichaam. Zij zien eerder, net als in diverse gelijkaardige oosterse leerstellingen, het lichaam als een voertuig van de ziel, een mogelijkheid om zich te uiten, om vorm te geven aan abstracte waarden als liefde, respect, mededogen,… .

De YI verdedigt de gelijkwaardigheid van Yinkracht en Yangkracht, maar zij nemen elk een eigen POSITIE in binnen de totaliteit van de dingen. De lichte yangkrachten nemen initiatief en leiding, zodat zij sturend optreden, tot bepaalde keuzes komen en ideeën weten te ontwikkelen. Vervolgens, in overgave, krijgen de yinkrachten de mogelijkheid om vorm te geven aan het vormloze. De Grote Yin volgt op de Grote Yang. Nadat de zon haar stralen op de planeet aarde heeft laten schijnen, ontstaat alle leven, in diverse vormen: bomen, planten, vissen, dieren en mensen.
Het lichaam volgt de ziel en beide bestaan bij de gratie van de geest. Hoe onbewuster het individu is van zijn ziel, hoe meer hij ten prooi is aan de lichamelijke driften en de onbeheerste emoties, en des te meer hij het slachtoffer is van waanideeën en ziekelijke overtuigingen.

In de Christelijke visie domineert de gedachte van de drievoudige geaardheid van de godheid, nl. als Vader, als Zoon én als Heilige Geest. In analogie met wat ik hierboven aangaf, is het geestelijke de Vader, het lichamelijke de Zoon en het psychische de Heilige Geest. In het Katholieke geloof is de Heilige Geest mannelijk. Hij bevrucht Maria. Maar in het apocriefe evangelie van Filippus staat: “hoe kan een vrouw een vrouw bevruchten?”. Oorspronkelijk is de Heilige Geest de psyché en in de Griekse traditie is Psyché een vrouw. Maria is niet bevrucht, in fysieke zin, door de Heilige Geest, maar zij is bezield door de Geest. Zij volgt haar ziel, haar missie, haar opdracht.

Het patriarchale overwicht binnen de kerk bant al het vrouwelijke uit de drie-eenheidsgedachte en komt zo in een onevenwichtige situatie terecht waarbij de godheid enkel als “vaderlijk” en “mannelijk” wordt aanzien. Dit is helemaal niet in overeenstemming met de alchemistische traditie en met de YI-filosofie. De visie van de YI is dat, in het universum, een streven naar evenwicht tussen de twee tegendelen yin en yang, het vrouwelijke en het mannelijke, een natuurlijke streven is. De tendens van de Eenheid, van de kosmos, is een evenwichtsstreven. Nochtans resulteert evenwicht in stagnatie, in een steriele stabiliteit. Er gaat van het evenwicht geen kracht uit. In de natuur is niets echt en altijd in evenwicht. Het is precies de onevenwichtige, bewegende en veranderende dynamiek tussen tegengestelde tendensen dat alle verschijnselen in hun bestaansrecht houdt. Het relatieve evenwicht dat ik in mijn leven ervaar houdt net in dat ik het onevenwicht, dat ik de tegendelen in HET, en de verandering aanvaard. De “duivel” is dan niet meer de andere (l'enfer, c'est l'autre), zoals Sartre wil geloven, maar de “duivel” is “god”, l'enfer, c'est Dieu. Voor een Katholiek is dit een ondraaglijke gedachte, maar omdat hij ze niet kan en wil dragen, blijft men het kwade van de wereld projecteren op zonderbokken en op krachten en figuren uit “den vreemde”.
De katholieke leer heeft in de vorige eeuw een bescheiden poging ondernomen om het evenwicht tussen mannelijk en vrouwelijk te herstellen, namelijk met de erkenning van de ten-hemel-opneming van Maria, de moeder van de Zoon. Mocht Maria evenwel ook als godheid worden erkend, en de Heilige Geest als vrouwelijk, dan is er een totaal evenwicht tussen mannelijke en vrouwelijke tendensen binnen het goddelijke, binnen HET. Zover is de Kerk nog niet. Toch ontstaan, sinds kort, kleine gemeenschappen die de figuur van Maria prefereren boven de andere drie en die haar goddelijkheid toeschrijven. Als deze tendens zich voortzet, zal het onvermijdelijke en logische gevolg de erkenning betekenen van het priesterlijke ambt voor vrouwen. Misschien kan dit in de toekomst de redding van de Rooms-Katholieke Kerk inhouden. Het is nuttig de draad weer op te nemen. De Antieke en Keltische traditie, waarbij de godheid van de Grote Moeder werd aanroepen, kunnen we opnieuw in ere herstellen. De gevolgen op maatschappelijk en individueel psychisch vlak zijn dan van uitermate groot belang. De vrouwenemancipatie en de aandacht voor het milieu hebben zich toch weten te ontwikkelen, maar daarmee is, precies door de strijd met het patriarchale kerkelijke, de draad met het religieuze en psychische verbroken. Hier en daar ontwikkelden zich new-age-rages, zoals de wicca en workshops onder vrouwen, waarbij op rituele wijze de maan wordt vereerd, maar een fundamentele opname van het vrouwelijk yin-aspect in het totale leven van mannen en vrouwen is er nog niet. Het gevolg daarvan is het blijvende onbegrip tussen mannen en vrouwen en de daaruit voortkomende relationele conflicten, die op hun beurt er weer de oorzaak van zijn dat depressies en zelfdodingen weergaloos verder uitdeinen.

Ik heb het Maria-gebed ruimer geïnterpreteerd. Ik geef haar de plaats die haar toekomt, de Isis, de Sapientia, de Grote Moeder die heerst over lichaam, materie en natuur. Zij is voor mij de Kwan-Yin, de Grote Yin.

Ik groet U, Grote Moeder
U bent vol van genade
De Geest is met U
Het geluk biedt u ons aan
Meer dan om het even wie en wat
En vreugde geven alle vruchten uit Uw Schoot
Grote Moeder
Bidt voor ons
Die bedelen om Geest
Nu en in het uur van onze dood
Zo is het.

In de YI is elk trigram een visualisatie van een drie-eenheid. De middelste lijn van een trigram, de menslijn, staat tussen de hemellijn boven en de aardelijn beneden. Tussen de zon en aarde, beweegt zich de maan. Welke vraag ik aan de YI ook stel, ik hou altijd rekening met drie aspecten: Wat denk ik erover? Hoe voel ik mij erbij? Wat is het concreet?

Als ik de YI raadpleeg, is de manier waarop ik een vraag formuleer, erg belangrijk. Hoe stel ik de juiste vraag over een bepaalde levenssituatie of over een probleem waarbij ik betrokken ben? Het is essentieel om “open vragen” te stellen en weinig “gesloten vragen”. Een gesloten vraag is een vraag waarop alleen de antwoorden ja en neen mogelijk zijn. De vraag “moet ik volgende week vrijdag naar de garagist met mijn wagen?” is een gesloten vraag. Bij een open vraag zijn er vele antwoorden mogelijk. Ik zal dan door associaties en deductie tot antwoorden komen, die mij in staat stellen een passende keuze te maken, en dus een daadwerkelijke handeling, een uitdrukking van mezelf, een betrokkenheid, een deelname aan het scheppingsproces van HET.
Alle onderwerpen komen in aanmerking, zowel op fysiek, emotioneel, relationeel, existentieel, als op spiritueel vlak.

Enkele voorbeelden van vragen aan de YI zijn:

- Wat zijn mijn belangrijkste schaduwkanten?
- Hoe kan ik aan mezelf werken?
- Wat zijn mijn belangrijkste talenten?
- Wat is op dit moment in mijn leven van het allergrootste belang?
- Hoe zal de volgende week verlopen?
- Wat zijn de gevolgen wanneer ik ervoor kies om……..?
- Wat betekent de droom die ik vannacht heb gehad?
- Wat betekent de …lijn van hexagram… bij de vraag die ik heb gesteld?
- Wat moet ik op dit moment in mijn leven loslaten?
- Waarop kan ik vertrouwen?
- Hoe ga ik het beste om met ……?
- Waar moet ik morgen op letten?
- Hoe is mijn huidige levenssituatie?

De samenleving waar ik deel van uitmaak, bestaat uit diversiteit. Als ik daarin mijn eigen plaats wil vinden, zal ik moeten leren hoe ik het beste kan omgaan met de diversiteit. Ik bevind mij tussen miljoenen “voelvormen”. Alles wat een vorm aanneemt, kan bij mij een gevoel van macht of van onmacht teweegbrengen. Als ik mij een weg wil banen in de diversiteit, moet ik tot een oordeel komen van wat goed voor mij is en van wat niet goed voor mij is. Ik moet dus vaardigheden aanleren om te kunnen leven in een wereld van diversiteit zonder dat ik mijn eigen kern verlies! Als ik de kern vind, valt er niets meer te verliezen, hoef ik nergens nog bevreesd om te zijn. Deze kern is “grijpen naar je stut”, is de essentie, de Bron die mij voedt. Als ik mij laaf aan de Bron, kan ik al de rest loslaten. Het voelt alsof ik onder de douche sta, iets wat ik nu durf te doen. De diversiteit van voelvormen klettert me om het lijf, maar ik wankel niet (meer). Vaardigheden als geduld, respect, vertrouwen, vergeven, loslaten, accepteren, zijn bij mij, door de YI, versterkt, en ik was mij schoon in yin, in de wereld van vormen en dingen. Ik word er een mooier mens van, vermoed ik. Ik ben (vol)gewassen.

Ik hou van het verhaal van Jezus die tussenbeide komt wanneer men een overspelige vrouw wil stenigen. Hij komt niet echt tussenbeide. Men vraagt zijn mening. Hij antwoordt dat wie geen zonde heeft, de eerste steen mag gooien. Iedereen loopt weg natuurlijk. Vervolgens zegt hij: “ook ik veroordeel u niet, ga en zondig niet meer”. Wat kan dat betekenen, vraag ik mij af. Jezus wilde misschien zeggen dat ook hij zonden heeft? Anders had hij toch een steen naar haar gegooid? Dat is een stelling die natuurlijk in strijd is met de Christelijke idee van de “godheid” Jezus. Anderzijds was Jezus ook mens, dus waarom niet? Ik kan de woorden ook letterlijk nemen. Hij spreekt van “veroordelen”, niet van oordelen. Hij oordeelt wel, maar veroordeelt niet. Dat is een belangrijke nuance. Oordelen getuigt van een gezond onderscheidingsvermogen. Jezus houdt zich afzijdig van een dwingende moraliteit. Hij legt niemand iets op. Hij gaat met de diversiteit van de wereld om, zonder zijn kern te verliezen. Jezus blijft wie hij is, maar dwingt niemand om te worden als hij. Een raadgeving doen is niet dwingend. Oordelen is een individuele zaak.

Als ik de YI raadpleeg, dan concentreer ik mij eerst op de vraag. Dat hoeft niet te lang te duren, gewoon proberen om gedachten en omgevingsfactoren die storend zijn voor mijn concentratie, en die geen betrekking op de vraag hebben, uit te schakelen.
Ik plaats yin- en yanglijnen op elkaar. Niets bijzonders. Ik kan in feite op verschillende manieren het orakel van de YI raadplegen. In oorsprong is de YI een plantenorakel. Daarvoor gebruik ik vijftig duizendbladstengels. Via een ingewikkeld ritueel, dat ik hier niet zal uitleggen omdat ons dat te ver zou leiden -zie daarvoor deel twee van de Wilhelmeditie-, kom ik tot een bepaald hexagram. Ik lees dan wat bij het orakel geschreven staat. Behalve het plantenorakel, kan ik ook gewoonweg het boek opengooien en lezen waar mijn vinger naar wijst. Ik kan ook een getal bedenken tussen één en vierenzestig en het hexagram opzoeken dat bij het getal hoort. In het westen is de driemuntenmethode de meest gangbare. In China was het Shao Yun (Shao Yung) die deze methode heeft gepropageerd. Zij werd tijdens de zuidelijke Song-dynastie (1127-1379) op grote schaal toegepast. Hoe zit dat systeem in elkaar? Ik werp drie munten zes maal na elkaar op. Ik geef de getalwaarde drie aan de kopzijde en de getalwaarde twee aan de muntzijde. Ik maak een hexagram door onderaan te beginnen bij de eerste worp. Vervolgens bouw ik, na zes yao (lijnen) een figuur op uit deelbare of ondeelbare lijnen. Een deelbare lijn is een yinlijn en komt voor wanneer de som van de drie munten deelbaar is door twee (bijv. Munt+Kop+Kop=2+3+3=8=deelbaar door twee = yinlijn). Een ondeelbare (rechte) lijn is een yanglijn en komt voor wanneer het getal dat u bekomt, door de getallen van de drie muntzijden op te tellen, niet deelbaar is door twee. Dus na zes worpen bekom ik een hexagram. Als ik het systeem toepas, krijg ik telkens vier mogelijkheden. Ik krijg als som van de gegooide munten de getallen 8 of 6 of 7 of 9. De 6 en de 8 zijn yinlijnen, de 7 en de 9 zijn yanglijnen.

De trigrammen als symbolen tonen mij de uitdrukking van de beweging van de dingen in hun verandering. Ik bedoel niet dat trigrammen afbeeldingen van de dingen zijn. Ze verwijzen niet naar een “zijnstoestand”. Trigrammen, net als hexagrammen, zijn archetypen. Daarom hebben ze, door de eeuwen heen, diverse associatieve betekenissen gekregen.
Trigrammen weerspiegelen processen in de natuur die overeenstemmen met de symboolwaarde ervan. De Chinese namen voor de trigrammen zijn K'oen, Tsjen, Li, Twei, Tj'ièn, Soen, K'an en Ken. Vertaald volgens Wilhelm zijn het respectievelijk Het Ontvangende (de aarde), Het Opwindende (de donder), Het Zich-Hechtende (het vuur), Het Blijmoedige (het meer), Het Scheppende (de hemel), Het Zachtmoedige (de wind), Het Onpeilbare (het water) en Het Stilhouden (de berg).
Plaats ik de acht trigrammen onderling op elkaar (acht x acht mogelijkheden), dan ontstaan vierenzestig hexagrammen. Als ik alle lijnen van alle hexagrammen, driehonderd vierentachtig in het totaal (64 hexagrammen met elk 6 lijnen), met elkaar combineer, kunnen ontelbare verbindingen verschijnen. De drieënveertig lottocijfers zijn, in vergelijking daarmee, een peulschil.

Het eerste jaar dat ik de YI bestudeerde, was een experiment niet ver weg. Ik dacht dé methode te vinden om rijk te worden. Als de YI zo betrouwbaar was, zo dacht ik, waarom dan het boek niet toepassen op het vinden van de juiste lotto-trekking. Zo gedacht, zo gedaan. Ik werp de munten op en verschillende lijnen en getallen springen in het oog. Daaruit neem ik intuïtief enkele cijfers en kruis die aan op het lotto-formulier. Terwijl ik daarmee bezig was, had ik een naar gevoel. Ik twijfelde aan mijn gedrag en vooral aan mijn motivatie. Hoe was het mogelijk dat ik een sacraal boek gebruikte voor egoïstisch financieel gewin? Ik stopte het experiment en ik stelde een nieuwe vraag aan de YI: wat vindt de I Tjing van mijn gedrag en het experiment? Het antwoord, hexagram 4, maakte onmiskenbaar duidelijk dat ik getuigde van jeugddwaasheid, van onwetendheid, dat de gemene man in mezelf aan het werk was en verderf uitzaaide. Het orakel “De jeugddwaasheid van een beperkte geest brengt beschaming” geeft als uitleg: “Voor jeugdige dwazen is niets hopelozer dan in hersenschimmen verstrikt te raken. Hoe eigenzinniger ze vasthouden aan de ideeën, die ze zich eenmaal in het hoofd hebben gezet, des te zekerder zal beschaming hun deel zijn.”
Ik schaamde mij. Ik voelde mij betrapt, zoals bij het spieken op school. Ik voelde mij zo slecht dat ik de resultaten van het experiment verfrommelde en in de prullenmand gooide. Ik bekwam van de emoties, dronk wat koffie en enkele minuten later overwoog ik een nieuwe vraag aan de YI. Ik vroeg: wat vindt de YI van het feit dat ik met het experiment stop en de gevonden notities in de prullenmand heb gegooid? Als antwoord kreeg ik hexagram 24, Het Keerpunt (de ommekeer) dat veranderde naar hexagram 50, De Spijspot. De twee hexagrammen verwijzen naar een verandering, een transformatie in de goede richting. Ik voelde mij heel sterk bevestigd in mijn nieuwe handelswijze. In eerste instantie was het experiment opgezet om me persoonlijk te verrijken, terwijl de tweede vraag ontstaan was uit het besef dat ik foutief van de YI gebruik had gemaakt.

Ik heb tot op heden het gevoel dat, door middel van de YI, een leraar aan het woord is die mij duidelijke richtlijnen geeft om mijn integriteit en authenticiteit te bewaren. Nog altijd gebeurt het wel dat de YI mij terechtwijst en aantoont dat overmoed en trots de kop opsteken. Op andere momenten is het een ondersteunde en positief bevestigende bron van inspiratie. Ik heb nooit een betere en eerlijker vriend gehad.

Het trigram k'an (het onpeilbare, het water) is als archetype nauw verwant met de anima. De anima en de animus worden ook wel de psychische bruid en bruidegom genoemd. De anima in de man (de vrouwelijke kant van de man, veelal geprojecteerd op de buitenwereld, in eerste instantie op zijn moeder, in een latere periode op zijn levenspartner) of de animus in de vrouw (de mannelijke eigenschappen in een vrouw, veelal geprojecteerd op de ander in de buitenwereld, in eerste instantie op de vader, in een later stadium op de partner), hebben invloed op de ervaringen en de omstandigheden van de dagelijkse realiteit. Zij liggen aan de basis van moeilijke fasen in het leven, maar zijn tegelijk een zegen voor de groei van de persoonlijkheid, want beide archetypes maken het mogelijk om een unieke zin aan het leven te geven. Als wij de levenszin niet in onszelf ontwikkelen, zoeken wij die buiten ons en dan bevinden wij ons ongewild in de figuurlijke shit.

Ik gaf mij blindelings over aan een bepaald type vrouw. Soms leek ik “in bezit genomen” door haar. Ik was mezelf niet meer. Soms verdween een vrouw en werd alles rustig. Vrienden zegden dat ik “weer mezelf was”, maar algauw verscheen een nieuwe deerne en net als een Lorelei zoog zij mij mee naar de diepe duisternis van de liefdeszeeën. Ik schreef toen mooie verhaaltjes en gedichten. Die werden nog gepubliceerd ook. Stel je voor! Een proevertje?

“Hij houdt haar knie vast, zegt een zin -of was het een woord, maar dat is hij vergeten- en laat haar knie weer los. Zij zit op zijn schrijftafel, met opgetrokken benen, half gespreid. Zij zegt dat ze zichzelf niet eens kent, niet weet wat ze wil, dat alles haar onverschillig laat. Hij zou haar kunnen helpen, een theorie op de mauw spelden over de zinvolheid van het bestaan. Hij zou haar kunnen troosten, haar tegen zich aan drukken, in haar oortje gieten dat het feit dat zij in zijn aanwezigheid vertoeft, al zo zinvol is, omdat hij dan kan voortbestaan, omdat hij zich dan niet eens voor een trein hoeft te werpen en geen gif dient in te nemen. Hij zou dit alles kunnen zeggen en haar zachtjes in de slaapkamer dwingen en nederduwen en strelen gaan, woorden lozen om te zeggen dat ze mooi en prachtig is en hij zou van de eeuwigheidsbeloften kunnen doen etcetera. Maar neen, het enige wat hij doet is kijken, staren en bewonderen, tot ze onrustig slaapt. Hij breekt niet één schelp. Hij vervuilt niet één vierkante millimeter huid. Dan geeft hij haar misschien wel een laatste zoen en legt zich te slapen, misschien wel voor de laatste keer en dan denkt hij, het was een mooie laatste dag, en vervolgens trotseert hij de aanvallende dromen, in angst, in vreugde en in geborgenheid. Wellicht voor de laatste keer.”

Liever een gedicht?

OKTOBER

Schrijlings dom weg zijn
van verlangen naar het dode punt
Achter af
Al waar in de vreugde de pijn begint
gelijk de stam ooit
de walnoten nu
uit de takken
in oktober.

Zo komen jij en ik
eerst samen
dan uit elkaar
en weer bij één
Als de chaos
bij het ontstaan
Of als kegels ijs in de winter

Laat het gewoon weg onder gaan
van jouw zon der zonden
in mijn heel al
deze morgen nog daarnet.

Daar hield ik mij allemaal mee bezig en ik moet er nu een beetje om lachen. Ik heb met scha en schande moeten ontdekken dat het loskomen van de moeder, en de daardoor ontstane verwachtingen van zorg, liefde en bekommernis naar een andere vrouw toe, een netelig probleem is bij de groei van de mannelijke persoonlijkheid. De verdringingen in een patriarchale cultuur van vrouwelijke trekken en neigingen bij een man, leiden natuurlijk naar een opeenstapeling van deze verlangens in het onbewuste. Daardoor worden zij geprojecteerd op een ander persoon. De kans bestaat dat een obsessieve romantische relatie ontstaat, een symbiotische relatie, een zachte vernieling van twee individuen. Een man kan daardoor met zijn eigen meest bedenkelijke zwakheid trouwen, wat ik trouwens vlijtig heb gedaan, en waardoor vele andere en merkwaardige huwelijken en echtscheidingen zijn te verklaren.

Een archetype, zoals anima en animus dat zijn, stammen uit het collectief onbewuste. Daarom komen zij nooit geheel overeen met een levend individu, want hoe individueler een mens is, hoe minder dat hij of zij zal overeenstemmen met het beeld dat op hem of haar wordt geprojecteerd. Het individuele is uniek en een specifieke mengeling van afzonderlijke kenmerken. De kloof die er is tussen de drager van een archetypische projectie en de werkelijke individuele persoon ziet men aanvankelijk niet, door het intense moment van de overdracht, maar met de tijd wordt het duidelijk dat het individuele helderder naar voor komt en volgen onvermijdelijk teleurstelling en conflict bij diegene die het collectief ideaalbeeld had geprojecteerd.

Ik wou op een gegeven moment een projectie van mijn innerlijke anima op een fysiek bestaande vrouw vermijden. Zo behield ik de nodige energie om een eigen levenszin te zoeken, een eigen levensweg te bewandelen, losstaand van een ander mens en niet gegrepen door romantische idealen, noch steunend op een toekomst die zich aandient als een paradijs, maar niets meer dan een fata morgana blijkt te zijn.
Ik had een projectie nodig die het menselijke ruim oversteeg; een sublimatie van de seksualiteit als betekenisvorm.
Maria…Maria… Zij heeft mij uit de draaikolken van mijn psyche bevrijd.

Ik had de opdracht de vrouw in mezelf te doorzien. Ik koos altijd weer partners die de mij onbekende en onbewuste delen van mijn persoonlijkheid weerspiegelden. Ik wou en zou projecties opgeven! Ik wou geen egoïsme, geen narcisme, maar onafhankelijkheid en vrijheid. Ik moest alle idealen en romantische beelden omtrent de liefde loslaten. Dit gaf ook verdriet en eenzaamheid, maar toch kon geen geliefde mij weer in de boeien slaan. Ik heb jaren nodig gehad om dit ook daadwerkelijk toe te passen. Inmiddels is het gevoel van verliefd zijn nooit meer zo intens als vroeger, omdat ik mij aan geen enkel ander mens wil verliezen. Toch ben ik in staat tot overgave aan een ander, tot liefde voor een ander, als een bewuste keuze, zonder dat mijn eigenheid nog gevaar loopt. Misschien is de verliefdheid minder fel, maar de liefde des te diep? Misschien ben ik nu wel in staat om met vele mensen liefdevol om te gaan? Als liefde zich concentreert op één individu, en daardoor de rest uitsluit, is er voor mijn part geen sprake meer van liefde, want liefde sluit niets en niemand uit.
De I Tjing orakelt in dat verband: “Gemeenschap met mensen in de clan: beschaming”. Als uitleg staat: “Hier is het gevaar van cliquevorming op grond van persoonlijke en zelfzuchtige belangen. Zulke aaneensluitingen, die exclusief zijn en geen plaats voor allen hebben -die een deel van de mensheid moeten verdoemen om te bereiken, dat de anderen zich aaneen kunnen sluiten- ontstaan uit lage motieven en leiden daarom op den duur tot beschaming.”

Tussen hemel en aarde staat de mens. Ik had een brug gevonden tussen boven en beneden en ik voelde mij behoren tot een groter geheel. Ik voelde mij door en in HET gedragen. De consequentie daarvan was de nood aan een gedrag dat zich gedroeg als verdragen. Zo ontwikkelde ikzelf, als edele raadpleger van de YI, een roterende, verspreidende voorbeeldfunctie. Er had een evolutie plaatsgevonden van hard naar hart, een woordenloze leer, want boeken en woorden waren geen voorwaarde meer. Een levensgezellin gooide de I Tjing ooit naar mijn hoofd, omdat zij zo kwaad was dat ik haar het boek cadeau had gedaan. Zij dacht dat ik haar wou bekeren. Zij dacht dat ik met dit gebaar, haar wou wijzen op een falen in haar levensloop. Ik was geschokt, woedend en verbaasd. Sindsdien is er veel veranderd. Inmiddels gooi ik zelf met het boek, in cursussen en workshops, wanneer ik merk dat de deelnemers het boek gaan vereren, of een bovenmenselijke waarde gaan hechten aan de woorden die er in staan. Zo was er ooit een zen-meester die op het boeddha-beeld in de tempel ging plassen, om daarmee de relativiteit van de aanbidding aan te tonen, zodat de aandacht van de leerlingen van buiten naar binnen verschoof, van het uiterlijke beeld van de boeddha naar de innerlijke boeddha-geest die wij allen zijn.

Geen woorden, geen boeken. In HET is niets voorwaardelijks. HET is onpersoonlijk, onzijdig en onvoorwaardelijk. Alleen al de aanblik van een voorbeeld is voldoende. Laat de woorden, maar houd de aandacht op HET. Laat de woorden, maar doe HET, want de dracht van HET in elk individu is een gedrag van verdragen te ontwikkelen.

Het vierkant in de cirkel?

Maria symboliseert dus, in de goddelijke vier-eenheid, het aardse, de materie, de vruchtbaarheid, de stof waaruit de Geest wordt geboren. Zij draagt in haar duistere schoot het heldere licht. Haar vrucht is de Ethische Zoon der filosofen, die de blijde boodschap brengt dàt een hemel op aarde haalbaar is. De psyche is daarbij de bezieling van de Zoon, die de genade van de Vader en de Moeder in zich draagt.

In de geschiedenis hebben bepaalde sekten, met alleen een paternalistisch godsbeeld voor ogen, de satan als “de donkere broeder van Christus” in het quaternaire godsbeeld opgenomen. De schaduw van de Christus zit evenwel in de Christus zelf, maar door de ontkenning van de vrouwelijke elementen in het leven, maakten zij van de vrouwelijke goddelijke Maria een mannelijke baardige duivel.

Maria geeft in psychologische zin, een beeld weer van het onbewuste in zijn geheel. Maria is de basismaterie (prima materia) waarop ik mijn leven uitbouw. Ik kan mij van Haar bewust zijn of ik kan haar ontkennen, vervormen, verdringen of projecteren.

In het axioma van de alchemiste Maria Profetessa staat:

“De een wordt twee, de twee wordt drie en
uit het derde ontstaat het ene als het vierde.”

Het getal vier is een archetypisch symbool van heelheid. De som van 1+2+3+4=10. Tien staat voor een volledige cyclus en 1+0=1 of heelheid, het Al-Ene. Het Chinese woord voor vier vertoont gelijkenissen met het woord voor dood. Uit HET, het heel-al, ben ik geboren en naar HET zal ik terugkeren.
Uiteindelijk is de YI erg eenvoudig. Ik vond dat een grote ontdekking. De YI leert mij om het leven gemakkelijker te leven. In eerste instantie lijkt dit in contradictie met de moeilijke terminologie en met de ingewikkelde symbolen en orakels zoals zij in de I Tjing voorkomen. Er is blijkbaar een doorbraak nodig om de eenvoud ervan in te zien, maar daarvoor is toch een zekere inspanning en welwillendheid voor nodig. Ik heb gezegd dat ik weinig of niets te zeggen heb. Alleen dat ik tevreden ben. Toch hebt u al zestig bladzijden gelezen. Dat vraagt een inspanning, maar in feite herhaal ik dat u de woorden best kan vergeten. Het gaat om uzelf, niet om mij en niet om woorden, of ze nu uit de I Tjing komen of niet. Het zal u alsmaar duidelijker worden wat ik bedoel.

Ik heb ontdekt dat, als ik de I Tjing werkelijk wilde begrijpen, ik een welwillendheid ten aanzien van het eigen onbewuste diende te ontwikkelen. Als ik de YI louter en alleen als voorspelboek benader, ervaar ik dat de betekenis ervan mij telkens ontglipt. De YI heeft niets met voorspellen te maken, tenzij dan als een bijkomstig gevolg, omdat studie van de I Tjing patronen blootlegt, processen van opkomst, groei en verval. Ik kan niet met honderd procent zekerheid een feit voorspellen. Ik stel vast dat de “oosterse wetenschap” van de YI, net als het wetenschappelijk onderzoek in het westen, probalistisch is. De wetten en de resultaten die eruit voortvloeien zijn gebaseerd op generalisaties en waarschijnlijkheden. De matrix aan kansen vindt, bij het toepassen van bepaalde procedures, een focus waarbij nog slechts enkele mogelijkheden voor handen zijn, maar zowel in oost als west blijft wetenschap -hoe je die ook definieert- speculatief. De YI als louter voorspelboek beschouwen doet afbreuk aan de diepere filosofische en spirituele waarde van het boek. Evenwel ontkennen dat de YI de tendensen voor de toekomst kan blootleggen, is eveneens onwaar.

Ik vertelde al dat ik op een gegeven ogenblik het gevoel had dat ik alle controle op mijn leven was verloren. Ik kon slechts chaos, zinloosheid en onbehagen zien. Om de één of andere reden of op het één of ander moment nam ik de wereld waar als een “wereld in beweging”. Toen in 1998 mijn moeder pas gestorven was, had ik een gelijkaardige ervaring. De wereld en de natuur verschenen niet meer als een verzameling van losstaande bewegende objecten, maar was de beweging zelf. Er was niets anders. Alleen beweging, vervloeiing. Ik wist, door de vreugde die ik voelde en die in beleving alsmaar groter werd, dat ik op een goeie manier bezig was en studeerde verder met de YI. Wat er ook gebeurde, ik behield de vreugde. Soms dacht ik dat er werkelijk iets fout met me was. Er restte mij alleen beweging en vreugde, maar ik kwam niets te kort.

Ik neem aan dat wij allen de uitvoerders zijn van één groot lied, van een verborgen project. Waar het mij om gaat, is het besef dat wij allen in dienst zijn van Iets dat groter is dan de eigen “ikkracht”. Wat wij als gave van het leven krijgen, is op zijn beurt weer een gift voor iets of iemand anders. Soms is het zelfs een vergift. Soms moet iemand mij vergift toedienen om te genezen. Zo zie ik dat. Ik feite kan ik geen andere houding aannemen dan deze: dankbaar zijn voor lief en leed dat ik ontvang. In feite geef ik alleen maar door, generatie op generatie. Ik geef wat ik ontvang en in feite is niemand ooit méér of minder dan voorheen. Ik krijg besef van een orde in mijn chaos, een besef van dat Iets dat groter is dan mijn eigen denkgeest. Ik word wakker uit een nachtmerrie. HET dat leeft en geeft in mij, leeft en geeft in alles en allen. Vrede en vreugde is ook met u. Ik ben tevreden.
Theoretisch kan ik mij vergissen. Ik kan alleen maar afgaan op wat ik voel. In mythologische verhalen vertrekt de held veelal vanuit een oertoestand die chaotisch is. Je kan zeggen dat er in een toestand van chaos geen bewustzijn is. Er is geen onderscheidingsvermogen aanwezig. Het is, wat men noemt, een primitieve toestand. In psychologisch opzicht verkeren het overgrote deel van de mensen in een dergelijke chaotische toestand. Chaos maakt geboorte mogelijk, maar daarvoor is het “oordeel” nodig. Niet een laatste oordeel, maar een eerste oordeel. Ik heb moeten leren mijn “oor” te “delen” met mijn omgeving. Mijn zintuigen, waar het oor deel van uitmaakt, bieden mij de mogelijkheid om te zien, te horen, te voelen, te ruiken wat waarachtig is. Als ik niet kan oor-delen, leef ik onvolledig en ben ik gebrekkig. Ik blijft in dat geval in een onbewuste pre-persoonlijke toestand, in chaos.

De YI is een instrument dat het bewustzijn aanscherpt. Vanouds worden de “toverwoorden” Yuan Heng Li Chen gebruikt om de YI kernachtig weer te geven. Wilhelm vertaalt ze als: Verheven Welslagen, Bevorderend door Standvastigheid, waarmee hij verwijst naar de betekenis die Confucius eraan gaf respectievelijk als Liefde, Ethiek, Rechtvaardigheid en Wijsheid.

Ik hou meer van mijn eigen associaties. De vier woorden duiden op de samenvatting, de kern en tegelijk op het geheel van de YI. Daarom zijn het vier woorden, als quaterniteit, zoals de vier elementen, de vier jaargetijden, de vier windrichtingen, de vier lichaamssappen, de vier temperamenten, de vier evangelisten, de vier Veda's, de vier wegen van geestelijke ontwikkeling in het boeddhisme, de vier christelijke fundamentele deugden, de vier wegen van psychische oriëntering, enzovoorts. De zeer oude quaterniteit, uit het 4de millennium v. Chr., is die van de Egyptische godin Hathor, de godin van het hemelgewelf. De godinnen Wadjet, Nekhbet, Bastet en Neith hielden, in de vorm van zuilen, de hemel overeind en stonden symbool voor de totaliteit van het heelal. In de YI wordt de hemel als een cirkel uitgebeeld, terwijl de aarde symbolisch door het vierkant wordt weergegeven. Op aarde maken de vier windrichtingen (ruimte) en de vier seizoenen (tijd) een oriëntatie mogelijk. Hoe mooi de mythologische associaties of de abstracte woorden ook klinken, ze moeten mij een richting kunnen duiden, zodat ik hier en nu weet wat me te doen staat. Vandaar mijn eigen associaties:

Afhankelijk van de trigrammen en hexagrammen die bij een raadpleging van de I Tjing ontstaan, zal ik mij kunnen oriënteren door die te plaatsen in een kwadrant van een vierkant in de cirkel.


Om het belang van de quaterniteit van de cirkel te begrijpen, moet ik u meer informatie over de eenvoudige kernstructuur van de I Tjing geven. Elk hexagram in de I Tjing draagt ook een kernhexagram in zich. Deze kern toont u de achtergrond van een hexagram. Het kernhexagram vind ik door, van een hexagram, de lijnen twee, drie en vier samen te nemen (onderste kerntrigram), en vervolgens ook de lijnen drie vier en vijf (bovenste kerntrigram). Ik plaats deze twee “kerntrigrammen” op elkaar en zo heb ik het kernhexagram van een hexagram. Ik ga hier niet uitgebreid op door. Dat zou ons te ver weg leiden van wat ik wil aantonen, te technisch ook. Neem nu als voorbeeld het hexagram 48, De Waterput.



De kerntrigrammen KWEI, het meer, en LI, het vuur, vormen hier samen het kernhexagram nummer 38, De Tegenstelling. Het vuur in de buitenwereld (het bovenste trigram geeft vaak de externe situatie van een probleem aan), de activiteit, is in botsing met het water van het meer (de nood aan innerlijke rust) volgens de innerlijke nood (het onderste trigram is vaak het innerlijke, het onbewuste of de oorsprong van iets). Vandaar de naam “De Tegenstelling”. Hier, als kernhexagram van De Waterput, hebben wij het beeld van de tegenstelling tussen belangengroepen wanneer basisvoedsel, zoals water dat is, verdeeld moet worden onder de mensen. We zien hier de problemen die oprijzen wanneer men spreekt van herverdeling van de goederen en middelen in een samenleving. Filosofen en politici hebben de tanden stukgebeten op dit probleem.

Hexagram 38, De tegenstelling heeft op zijn beurt ook een kernhexagram

Het kernhexagram van 38, De tegenstelling is hexagram 63, Na de voleinding. Hierbij zegt de I Tjing dat bij de vorming van de maatschappij, in zijn diepste kern (het kernhexagram van een kernhexagram, dus hier nr. 63), alles draait om de voleindiging van een juiste verdeling. In het proces daartoe, op weg naar een evenwichtige verdeling, zullen diverse belangengroepen met elkaar in conflict liggen, maar dat is goed. Dat hoort zo bij de Tijd. Ik kan veel meer bespiegelingen koppelen aan het beeld van De Waterput, maar dat zou ons opnieuw te ver weg leiden van de eenvoud die de YI, in zijn diepste kern is.
Het is dus mogelijk om van elk hexagram een kernhexagram, en daarvan nogmaals een kernhexagram te maken. Als ik van elk hexagram, tweemaal het kernhexagram zoek, dan kom ik altijd uit bij één van de volgende vier hexagrammen:

Ik stel vast dat de eerste twee en de laatste twee hexagrammen van de I Tjing de allerdiepste kern ervan weergeven! Ik kom altijd uit bij één van deze vier richtingen. Als een schaargedicht, als een gesloten systeem, waarbij begin en einde samenvallen (ouroboros) en waarbij de kop als het ware in de staart bijt, zie ik dat een individu, een raadpleger van de YI, zich steeds bevindt tussen de scheppende hemel en de ontvangende aarde, en dat hij daarin een plaats zoekt door de confrontatie tussen de tegendelen orde en chaos, vuur en water, denken en voelen, vergeven en oordelen.
De totale I Tjing is in een mandala samen te brengen en ziet er als volg uit:

Ik was een stap verder gekomen in mijn eigen proces en in de weg die ik met de I Tjing bewandelde. Net zoals in oude mythologische verhalen, die een weerslag zijn van de collectieve herinnering aan het levenspad dat elk mens, als held van zijn eigen verhaal, dient af te leggen, vond ik in de YI eenzelfde structuur, die ook in mijn individuele dromen is terug te vinden, en die, mits de intentie om, door aandacht en beschouwing, deze te erkennen, mij de kans bood om “een mens te zijn van één stuk, die de kracht vindt in zichzelf”, een volledig mens, in harmonie met de totaliteit, met het universum, met HET. In de mysteriescholen van weleer, in de grote religieuze leerstellingen over de hele wereld en in de moderne psychologie, vind ik rituelen, gebruiken, aanmaningen, geschriften die pogen om precies hetzelfde proces op gang te brengen.

In alle geval ben ik, als mens, in mijn verhouding tot hemel en aarde, cirkel en vierkant, in essentie afhankelijk van de mate van bewustzijn dat ik heb over mijn verhouding tot en mijn oriëntatie in de totaliteit, in de Ene en enige werkelijkheid, in HET. De eenvoud van de YI is net de inwendige structuur ervan. De vreugde en de tevredenheid waar ik al de hele tijd over spreek, ontstaat bij elke ontdekking die op het voorgaande betrekking heeft.

Jung heeft een typologie ontwikkeld waarbij hij zegt dat elk mens, met zijn bewuste instelling, op een welbepaalde manier met de buitenwereld omgaat. In eerste instantie kenmerkt het bewustzijn van een kind of een jongeling zich door een accentuering op één van de vier functies. Voor een oriëntatie in de buitenwereld is er een functie die concludeert dàt er iets is (waarnemen); één die onderzoekt wàt dàt is (denken); één die kijkt of wat er is voor hem voedzaam is of niet (voelen); én één die vaststelt waar het waargenomene vandaan komt en waar het naartoe gaat (intuïtie). Hoe gedifferentieerder het bewustzijn, dat betekent hoe meer functies in de psyche geïntegreerd en opgenomen zijn, hoe vollediger het individu is.

Ik wil even terugkomen op hexagram 48, De Waterput. Ik lees bij het hexagram hetvolgende: “De politieke structuur wisselt, de naties wisselen, maar het leven van de mensen met zijn levenseisen blijft eeuwig hetzelfde. Hoe verschillend de aanleg en de ontwikkeling van de mensen ook mogen zijn, de menselijke natuur is au fond bij iedereen hetzelfde. En ieder mens kan bij zijn vorming putten uit de oneindige bron van de goddelijke natuur van het menselijke wezen”.

Iedereen kan dus putten uit de diepste kern van de YI, uit de Yuan Heng Li Chen, uit de Geestkracht (energie), Vormkracht (stoffelijke), denkgeest (logos) en voelvorm (eros). Als de vier krachten zich samenvoegen in een soort equilibrisch punt in het Midden (wat Jung het archetype van het Zelf noemde), dan bevind ik mij in de as van het wereldrad en heb ik invloed op mij eigen lotbestemming. Ik ben dan in de wereld, maar niet van de wereld. Het pneuma, de levensenergie (libido) reist door mij heen. Ik ben een zwerver van scheppingsmoment naar scheppingsmoment. Ik bent een pelgrim op weg naar nergens, naar het Land van Het Midden, dat tegelijk de omtrek van alles is.

De wijsheer Diogenes (3de eeuw v. Chr.) leefde in een ton. Hij was aan het zonnen, toen Alexander de Grote hem om raad kwam vragen, maar het enige wat Diogenes de veldheer antwoordde, was: “als u zo voor mij gaat staan, ontneemt u mij de zon. Wilt u mij met rust laten, alstublieft, of op zijn minst ergens anders gaan staan” Zoiets. Diogenes was een vreemde snoeshaan. Hij verzette zich tegen allerlei maatschappelijke conventies en kreeg als bijnaam “De Hond”, omdat hij vond dat mensen zich niet moesten schamen voor hun “natuurlijke genoegens”. Zo masturbeerde de man wel eens publiekelijk. Wat mij zo aanspreekt aan Diogenes, is niet het publiekelijk masturberen, maar zijn onafhankelijke geest. Zeno van Citium, een geleerde en filosoof uit dezelfde periode, verkondigde gelijkaardige ideeën over ethiek en samenleving, weinig conventioneel, maar authentiek. Hij bracht diverse filosofische stromingen, op een intelligente wijze bij elkaar. Hij nam ook ideeën van de cynicus Diogenes over, en wou geld, bezit en huwelijk afschaffen, omdat deze toch geen echt geluk brachten. Het ware geluk was, volgens Zeno, te vinden in de onveranderlijke waarheid. Deze kennis stelde de mens in staat om op een onafhankelijke manier te handelen en onafhankelijk van anderen te zijn. Zo kon de mens, nog volgens Zeno, ontsnappen aan de grillen van het lot. Men spreekt in dit verband van het ideaal van “autarkie”. Volgens Zeno is het gezin en de staat voor de “autarkische mens” betekenisloos. In zijn filosofie is elke mens wereldburger. Ik vind dit wijze ideeën en herken sommige ervan in de I Tjing. In de eenentwintigste eeuw zou de “autarkische” mens niet misstaan.Natuurlijk heeft de invloed van het confucianisme op de YI de waarde van het “gezin” en de “staat” in China juist aangescherpt, maar de eerder taoïstisch geïnspireerde teksten in de YI (en die zijn van een veel oudere datum) tonen gelijkenissen met de idealen van de autarkie.

Om een wereldburger te zijn, moet ik mijn plaats kennen, niet alleen in de wereld, maar vooral in het geheel, in de totaliteit, in de kosmos, in HET, in het zichtbare én het onzichtbare, in het non-duale Lege. Zolang ik mij identificeer met een land, een volk, een continent, ben ik gespleten en in conflict met mezelf, want hoe bedriegelijk de veiligheid van een dergelijke identificatie mij ook mag geven, het is en blijft een staat van onvrijheid, een gedachteloos aannemen van waarden, normen, conventies die collectief zijn, en dus het individu breken. Het enige wat werkelijk collectief is, is HET. Om volledig gade te slaan, om te kunnen inzien, moet ik vrij zijn van de druk van beschaving. Uiteindelijk zal ik ook al het individuele, op lange termijn, moeten afleggen; al mijn persoonlijke verlangens, mijn vooroordelen, mijn dromen en angsten. Want als ik daarvan niet verlost ben, blijf ik gehecht en als ik mij aan iets hecht, scheid ik het ene (mijne) van het andere (zijne) en daardoor blijf ik in conflict. Als ik in conflict ben, kan ik niet in liefde zijn, want liefde is één, is HET. Liefde is vrij zijn van gehechtheid. De vrije mens is de liefdesmens en de liefdesmens is mededogend, naar alle leven, niet slechts naar enkelingen toe. Zo ver ben ik nog lang niet. Wat Zeno, de taoïsten, en sommige delen van de YI mij vertellen, spreekt mij aan, omdat een samenleving, gestoeld op enkele autarkische principes, totaal in contradictie is met systemen gebaseerd op collectivisme; nazisme, communisme, socialisme, liberalisme, kapitalisme,… . Wij weten inmiddels (de geschiedenis toont aan) wat dergelijke systemen hebben voortgebracht.
De YI stuurt niet aan op het volgen van welk systeem ook, zelfs niet de autarkie. De YI brengt de tegendelen bijeen. De YI dringt niet aan op het doen van oefeningen, op het volgen van een meester, op vluchtsystemen, op dogma's, op wetten en rituelen. De I Tjing stimuleert het aannemen van wat er werkelijk is: de werkelijkheid zelf, in zijn totaliteit, in zijn vier uitersten, in zijn van-zelf-zo-zijn.

Religie is geloven en geloven is aannemen dat er IETS is of aannemen dat er NIETS is. Beide houdingen zijn gebaseerd op geloven, niet op weten. De YI is geloven door weten, namelijk weten dat de werkelijkheid is wat ze is: verandering, bewegen. HET is de totaliteit en dit HET houdt zowel “het Iets” als “het Niets” in, want HET is beide. Vandaar dat elk geloof geloven is in HET.

VERandering en Tevredenheid, gemakkelijk en eenvoudig, dat is de Weg van YI. In deze VERTE is er plaats en ruimte voor alles en iedereen, voor HET.

In de wijsheidsboeken van het oude testament vind ik passages die dezelfde geest doen weerklinken zoals ik in de I Tjing terugvind. Op de begrafenisplechtigheid van mijn vader heb ik een tekst uit Prediker gelezen:

“Alles heeft zijn tijd,
alles in dit leven.
Er is een tijd om te baren
en er is een tijd om te sterven,
een tijd om te planten,
een tijd om te rooien;
er is een tijd om te doden
en één om te genezen,
één voor afbreken
en één voor opbouwen;
er is een moment voor huilen
en één voor lachen,
voor rouwen
en voor dansen;
er is een tijd van liefde
en een tijd van eenzaamheid,
van kussen
en van afwenden;
er is een tijd van zoeken
en één van verliezen,
een tijd van bewaren
en een tijd van wegdoen;
er is een moment om te scheuren
en één om de scheuren te naaien,
een moment voor zwijgen
en een moment voor spreken;
er is een tijd voor liefhebben
en een tijd voor haten;
voor oorlog
en voor vrede.

Wat bereik je met tobben en zwoegen? Ik heb gemerkt dat God de mensen een zware en vermoeiende taak heeft opgelegd. God heeft voor alles het juiste moment bepaald; wel heeft hij de mensen besef van tijd gegeven, maar ze zijn niet in staat Gods doen en laten van het begin tot het eind te volgen. Daarom lijkt het me het beste dat de mens vrolijk is en geniet van het leven. Want als hij eet en drinkt en plezier heeft van zijn werk, is dat een geschenk van God.
Ik heb ingezien dat alles wat God doet, onveranderlijk is: er valt niets aan toe te voegen en er gaat ook niets vanaf. God maakt alles zo, dat de mens zich klein voelt. Wat er nu is, was er vroeger ook al, en wat er straks komt, is er ook al geweest. God laat steeds weer opnieuw hetzelfde gebeuren.”

Wat de auteur van Prediker de onveranderlijkheid van God noemt, is HET, de totaliteit die onbeweeglijk de bewegingen en veranderingen in zichzelf toelaat.

In een droom bevond ik mij in de Ardennen. Ik woonde als kluizenaar in een hut in het bos. Op een nacht begon het hevig te stormen. De wind was zo fel, dat de bomen zo erg bogen, dat hun toppen de grond raakten. Ik werd wakker en wandelde naar buiten. Ik had een vredig gevoel. Op dat moment kwam Maria uit een kapel (de Bonlieu) die wat verder van de hut gelegen was, naar me toe. Ze liep niet op voeten, maar zweefde een tiental centimeter boven de grond. Ze glimlachte naar me en vroeg wat ik nu eigenlijk over God wou weten.
“Ik zal jou op alles antwoorden”, beloofde ze. We hebben lang gepraat, maar van de inhoud kan ik mij niets meer herinneren. Plotseling keek ze verschrikt op, alsof ze in paniek was. Ik luisterde naar de storm en wachtte af.
“Ik moet weg,” zei ze zacht. “De priester is in aantocht en hij mag me niet zien”.
Maria verdween in de kapel. In de storm kwam inderdaad een priester op de fiets aangereden. Hij was gekleed in een zwarte soutane. Toen hij voor mij kwam te staan, hield de storm ogenblikkelijk op. Hij vroeg wat er hier gaande was. Ik zei: “storm”, en ik ging terug naar mijn hut.


Essentie

Aardrijkskundige plaatsen als Compostella, Jeruzalem, Mekka, Glastenbury, zijn veruitwendigingen van een innerlijke reis. Het doel ervan is ervaren dat startpunt en eindpunt hetzelfde zijn. Alles is punt! Alles is éénpuntigheid! Het oneindige waaruit ik werd geboren is hetzelfde oneindige waarin ik weer verdwijn als ik sterf. De Alpha en de Omega zijn één en hetzelfde punt. Dit Ene Punt is de rots waarop ik dagelijks mijn kerk bouw. Het is de lapis philosophorum van de alchemie, de onderste steen, de parel, de diamant, the magic stone, de dolmen en de menhir. Ik probeer nog altijd het Ene Punt een vorm of een naam te geven, hoewel woorden kinderen van het denken zijn, dus duaal, en onmogelijk kunnen weergeven waar ik naar op zoek ben. Volgelingen van de Islam proberen eenmaal in hun leven een bedevaart naar Mekka te volbrengen. Daar is immers de Ka'aba, de zwarte steen. De mensen lopen erom heen. In Tibet vervult de Stupa dezelfde functie. Vroeger bestond bij ons de traditie om rond een Mariakapel te wandelen, terwijl men gebeden ter ere van de Moeder Gods opzegde. In ons zonnestelsel roteren de planeten rond de zon. In de atomaire wereld roteren elektronen rond de atomen. In de YI draaien alle hexagrammen rond een onzichtbaar middelpunt “dat men slechts zwijgend kan aanbidden”, en dat de vorm aanneemt van een vierkant door de hexagrammen 1, 2, 63 en 64.

Het onzichtbare middelpunt is een nul die alles omvat, dus is de nul ook de omtrek rond het vierkant, zowel kleine cirkel als grote cirkel. Het vijfde element in het midden (en om alles heen) is de kwintessens (quinta essentia). Aristoteles noemde het ether, de gnostici het licht. Kwintessens betekent wezen van een zaak, de kern van een uiteenzetting. In de alchemie is de quinta essentia de “goddelijke” essentie. In de I Tjing is het de Geest achter het tao, dat met het tegenspel van yin en yang niet is te verklaren. Het wereldrad van gebeurtenissen draait maar rond; ontluiken, groei en verval; maar ik poog, als Diogenes in een ton, in het midden plaats te nemen, als waarnemer van alle verschijnselen, zonder mij met iets anders te identificeren dan met de kern, zodat niet de wereld mij beweegt, maar ik de wereld, zonder van plaats te veranderen, zonder iets buiten mijn innerlijke zelf te zoeken.

Ik kan een steen in mijn handen houden, een mineraal op mijn borst dragen, of een pentagram dat ik als amulet draag opdat ik mij kan beschermen tegen de negatieve krachten van de wereld. Ik kan dat doen, maar het zal mij niet verder brengen, want de steen en het pentagram moeten diep in mijn ziel verankerd zijn, als weten, als “gnosis” dat de kern van HET mijn kern is. Dan valt er niets te vrezen, niets te bereiken, niets te ontkennen of erkennen.

Er vindt een heilig huwelijk (Hieros Gamos) in mijn psyche plaats. De opposities, de tegengestelde tendensen, overtuigingen, functies, krachten, verliezen hun macht omdat zij zich met elkaar ver-zoenen en verenigen. Er ontstaat een “geestelijk” kind uit hun tegenstrijdige geaardheden, zoals een fysiek kind ontstaat uit twee geliefden die, passioneel tot elkaar aangetrokken, maar geheel tegengesteld zijn aan elkaar wat betreft de opvoeding waarin zij zijn opgegroeid, wat betreft psychische en geestelijke ontwikkeling, wat betreft doelstellingen, hobby's, verlangens en begeertes. Een geestelijk kind wordt er geboren uit mijn innerlijke contradicties, een kind van “steen” (lapis), omdat het getuigt van een sterke en onwankelbare overtuiging, ontstaan door duizenden eigen ervaringen, en het kan ook “wijze” genoemd worden, omdat het geestelijk is en omdat het wijst op een cynische, ironische houding tegenover de buitenwereld, een “heilige onverschilligheid”, omdat ik nu belang stel in dingen waar anderen om lachen, en omdat ik lach, om dingen die anderen erg belangrijk achten. Deze “steen der wijzen” is voortdurend werkzaam, in alle geledingen van mijn wezen. Het doordringt mijn werkelijkheid, zoals ether zich verspreidt in en rondom de elementen aarde, lucht, vuur en water, in en rondom de werkelijkheid van de “tienduizend dingen”, van HET.

Ooit heb ik mij symbiotisch verenigd met een geliefde, buiten mezelf, en ik had het gevoel dat ik zonder haar niet kan leven. Toen wij uit elkaar gingen, trok ik mij verbitterd terug en werd een groot pleiter voor een geïsoleerd bestaan. Nu ik de kern van mijn eigenheid heb gevonden, kan ik mij verbinden, zonder de nood aan symbiose en zonder dat ik wat dan ook kan verliezen. Ik ben tevreden.

Soms heb ik een situatie, dankzij de YI, goed ingeschat, maar andere keren bleef ik met een onbevredigend gevoel achter. De stroom van “eindeloze veranderingen” woog op me. Ik moet erkennen dat ik liever aan het oude vasthield, waar ik me veilig bij voelde, dan dat ik veranderingen toeliet, hoe helder de richting naar de toekomst zich ook aan mij toonde. Ik was het gewoon om zo te doen. Maar, zoals altijd, gaan veranderingen hun eigen weg. In een leegstaand huis groeien mossen en grassen, tot het huis onzichtbaar wordt. Iets wordt vanzelf aftands. Veranderingen komen en overvallen me. De Bron waaruit ik alles put en van wie ik alles ontvang, is een organische bron. Verandering betekent dat het oude verdwijnt en dat er iets nieuws voor in de plaats komt. Eigenlijk kon ik net zo goed blij zijn met het nieuwe dat ik ontving, maar meestal was ik verdrietig om het oude dat ik diende los te laten.
De organische Bron heeft een dwingend karakter. Het leven dwingt zichzelf naar haar doel. Zo heeft ook elk individu een eigen ingeschapen doel, waarnaar het drijft als een boot op een rivier. Ik kan de stroming volgen of tegen de stroom in gaan. Als ik geen kracht wil verspillen, pleeg ik geen verzet en geef ik mij over, door alles wat passeert los te laten, door nergens te blijven hangen. Ik kon moeilijk loslaten, want mijn “oor-deel” was niet altijd in orde. Ik meende te weten wat goed voor mij was, maar ik kon een situatie vaak niet juist beoordelen, niet zien als een fase, als een momentopname van de lange reis dat een mensenleven is. Ik ben geen masochist. Ik ben niet iemand die hindernissen en problemen opzoekt, en toch vinden ze plaats, vanzelf, zeker als ik de golven van de zee terug wil duwen in plaats van hen over me heen te laten razen.
Als ik de veranderingen in mijn leven, een echtscheiding bijvoorbeeld, niet beoordeel als een geschenk, lijkt het wel of het een hindernis is. Soms kijk ik met gezonde ogen door een bril en alles is wazig, ondoorzichtig. Ik meen dan dat obstakels ontstaan uit iets anders dan uit de oerbron. Ik leg de schuld bij anderen, ik wijs oorzaken toe aan bepaalde omstandigheden of aan mijn materiële situatie.
De I Tjing neemt de oogkleppen af en toont mij dat de buitenkant de binnenkant is en de binnenkant de buitenkant. Ik probeer nu aan te nemen wat ik krijg, als datgene wat het gewoon is. De puzzel valt in elkaar en alles licht op tegen een achtergrond van chaotische volheid. Niet de feiten zelf doen mij pijn, maar mijn interpretaties van de feiten. Ik moet leren om altijd weer hetzelfde proces te herhalen, waarbij ik tegengestelde tendensen bij elkaar breng totdat ik los kan laten, vrij kan laten, en daardoor zelf bevrijd wordt. Ik moet mezelf verlossen en ik ben de verloste zelf. Door de herhaling groeit het besef dat het noodzakelijk is dat ik aanvaard wat op mij afkomt, want mijn toekomst is wat mij toekomt. De YI brengt mij voortdurend besef bij. Dat is eigenlijk alles.

Soms vind ik dat ik te diepzinnig bezig ben. Misschien hou ik enkel van de YI omdat ik getekend ben door het leven, maar wie is dat niet? Misschien moet ik het minder ver gaan zoeken en gewoon maar genieten van het leven? Anderzijds stel ik in mijn omgeving vast dat er eerst ernstige dingen moeten gebeuren voordat men de moed heeft om over zichzelf na te denken. Het liefste van al -en het meest veilige, zo lijkt het me- blijf ik onbewust mijn gewoontes en patronen herhalen. Zolang dat mij geen schade berokkent, heb ik geen behoefte aan verandering.

Ben ik niet al te egoïstisch wanneer ik zo intens met mezelf bezig ben? Maar de slogan waarmee ik ben opgegroeid, “bemin uw naaste, als uzelf”, heeft twee delen. In mijn Christelijke opvoeding lag de klemtoon op het eerste deel. Ik kan echter niet anders dan naar de realiteit kijken zoals die zich aan mij toont en dan stel ik vast dat ik eerst mezelf moet accepteren en liefhebben voordat er sprake kan zijn van acceptatie en liefde van mijn naaste. Maar wie is “ikzelf”? Wie is het die liefheeft? Ik kan niet liefhebben wat ik niet ken. Ik ben dan wel gedwongen om na te denken over wie ik ben. Ik kan er niet omheen. Ik kan het natuurlijk te ver gaan zoeken, te ver van mezelf. Als ik me meer bekommer om mijn ouders, mijn partner, mijn kind, dan ben ik te ver van het innerlijke huis. Geen populaire gedachte. Het pleit mij niet vrij van verplichtingen. Het is geen vrijgeleide naar onverschilligheid voor mijn omgeving. Heel het proces van individuatie, met de hulp van de YI, vraagt geduld. Soms ben ik ontmoedigd door het tempo. Ik lijk wel een boer die in maart de zaden zaait en in mei aan het gewas trekt om het vlugger te laten groeien. Het helpt niet. Er is veel kans dat ik vrucht en wortel uit de grond trek. Alle moeite is vergeefse moeite. Het heeft geen zin mijn groeiproces te willen forceren. Ik moet alle levensfasen door. Soms ben ik loom, vraag ik me af of het wel de moeite loont? Soms denk ik dat de wereld rot is! Soms is het gewoonweg lastig. Voor een alchemist is dit onderdeel van het werk de putrefactio of verrotting. Uit de mest groeien nieuwe vruchten. In de modder groeit de lotus. Maar het vraagt tijd. Lau-Tse zegt dan weer: “als men iets wil laten uitzetten, moet men het eerst flink samendrukken”. Als ik de YI erover raadpleeg, lees ik: “wie te veel ineens verlangt, struikelt over zichzelf. En omdat hij te veel wilt, gelukt hem tenslotte niets. Rusteloosheid als duurzame toestand brengt onheil.”

Het gebeurt dat ik kijk naar de Koningin Elisabethwedstrijd, een concours voor muziekanten van klassieke muziek. Jong talent probeert met viool, piano of met hun stem de eerste prijs in de wacht te slepen. Als ik een finalist aan het werk zie, dan lijkt het of zo iemand heel spontaan “zijn ding” doet. Wellicht is de realiteit op dat moment voor hem een trance. Hij heeft stapje na stapje geleerd hoe hij met een instrument één kon worden. Ik wil geen finalist van een wedstrijd worden. Er valt niets te winnen. Als ik “bij het ploegen niet aan het oogsten denk, en bij het rooien niet aan het gebruik van het veld”, dan voel ik de vreugde van de eenvoudige werkelijkheid, die dan trance wordt, en dan “doe ik het werk uit liefde voor het werk op zichzelf, zoals tijd en plaats dat verlangen, en niet met het oog op een resultaat”. Ik denk dat elke opgave op die manier haalbaar is. De vragen mogen blijven. De twijfel ook. Waar ben ik aan begonnen? Zal ik volhouden? Waar zal het toe leiden?

De YI vraagt om de tijd. In één of ander lied zingt men “time is a healer”. Dat is mooi. De tijd als heler. Heel mooi. De Chinese taal, net als de Egyptische, bestaat uit tekenen, uit hiërogliefen. Ze beelden iets uit of ze staan symbool voor iets. Om tekenen te kunnen begrijpen moet ik associëren en de context van de gehele situatie kennen. Een cultuur die de causale taal spreekt zal logischerwijze geheel anders functioneren dan een cultuur die de beeldentaal van het onbewuste hanteert. Beide zullen elkaar verwijten naar het hoofd slingeren. De causale cultuur zal zogenaamd te rigide zijn, een enge geestesgesteldheid hebben of als saai ervaren worden. Een a-causale of associatieve taalcultuur zal bijgeloof verweten worden, naïviteit en men kan ze vol wantrouwen en onbegrip benaderen. Zo is het ook met de YI, die stamt uit een tijd waarin een rijke beeldentaal hoogtij vierde. Het ontstaan van de YI, zo'n drieduizend jaar geleden, valt voor een deel samen met het ontstaan van de Chinese taal. De vierenzestig beelden, symbolen of hexagrammen van de I Tjing moet ik associatief benaderen en kan ik alleen begrijpen en interpreteren als ik de context van een gegeven tijdsmoment ken. Dat is zowel de zwakke als de sterke kant van de YI. Het boek is nog steeds actueel omdat het niet in de causale taal is geformuleerd. De YI spreekt de taal van dromen en de dromen zijn volgens Freud de “vitae rhei”, de “koninklijke weg” naar het onbewuste. De YI is voor mij dé we.. Ik associeer met de trigrammen en de hexagrammen en ik schep aldus betekenis, binnen een gegeven context. In die zin is de YI, naar westerse normen, speculatief en subjectief. Ik voel weerstand om aan te nemen dat ook de rationaliteit speculatief en subjectief is. Toch lijkt het er steeds meer op dat dit werkelijk zo is. Wij denken dat we denken! Mijn manier van denken is een resultaat van een eeuwenlange groei van menselijk bewustzijn. De bewuste “orde” is uit de “wanorde” of uit de chaos ontstaan. Maar de logische orde is nog steeds verbonden met de oer-chaos, het bewuste met het onbewuste. Als ik denk dat ik niets waard ben, dat het leven zinloos is en dat ik mezelf beter van kant kan maken, dan is het de vraag van waaruit deze gedachten zijn ontsproten. Ik kan misschien “denken” dat dergelijke ideeën rationeel en logisch zijn. Ja, ik kan in een kritieke situatie daar erg overtuigd van geraken, maar in alle geval zijn zulke gedachten niet rationeel, want ze komen voort uit het persoonlijke onbewuste dat met bepaalde frustraties niet om kan gaan, dat op bepaalde levensbelangrijke vragen geen antwoord weet. Zo gebeuren gezinsdrama's, zo geschiedt het dat terroristen zichzelf opblazen in de straten van Jeruzalem, zo komt het voor dat een mens denkt dat geen enkel ander mens hem liefheeft.

Stel dat ik wat later verliefd ben. De context van mijn persoonlijke leven is totaal veranderd. Het leven lijkt weer zinvol en kleurrijk. Ik zal mezelf heel waardevol vinden. Hoe komt zo een ommekeer tot stand? Als ik tracht na te gaan hoeveel stappen ik vandaag heb gezet of hoeveel keer ik geademd heb, ik zal het niet weten. Ik doe die dingen onbewust, want onbewust ben ik, de oerchaos is altijd in en met mij aanwezig, zoals ether in alle andere elementen. Als ik met associaties een contact tot stand breng tussen onbewuste drijfveren en bewuste betekenisverlening, dan ontstaat er voor mij de mogelijkheid om anders naar de realiteit te kijken. Zo ontvouwt zich een nieuwe wereld voor mijn ogen, waar ik naar kijk en geen deel meer van uitmaak, maar tezelfdertijd dit alles ben. Ik Ben. Een “aha-Erlebnis” is vaak het signaal dat een contact werkelijk tot stand is gebracht en een “aha-Erlebnis” duidt aan dat een boodschap van de YI werkelijk is begrepen.

FOTO 1 - Een oudere man is aan een rivier in Macedonië aan het vissen. In de straten die hoger gelegen zijn, woedt een hevige brand. Autowrakstukken liggen op elkaar. Het politieke geweld houdt het land in zijn greep. De man draagt een pet en rookt een sigaret, terwijl hij de lijn uitgooit. Albanese rebellen hebben net een 28-jarige politieagent gedood. De foto staat in een krant en de titel erbij is: het leven gaat voort.

Het is stil in huis. Twee kinderen slapen boven. Zana is mijn dochter en Robbe haar halfbroer. Op dit moment genieten andere mensen van andere dingen, ik van de stilte en van twee slapende kinderen. Ik ben tevreden. Werkelijk.

Zenmeester Hakuin werd door zijn buren geprezen als iemand die een rein leven leidde. Een knap Japans meisje, waarvan de ouders een kruidenierswinkel hadden, woonde naast hem. Plotseling, zonder er ook maar enigszins op voorbereid te zijn, ontdekten haar ouders dat het meisje zwanger was.
Ze werden er erg kwaad om. Het meisje wilde niet verklappen wie de man was, maar nadat haar ouders haar het vuur aan de schenen hadden gelegd, noemde ze tenslotte Hakuin. Woedend gingen de ouders naar de meester.
“Werkelijk?” was alles wat die zei.
Nadat het kind geboren was brachten ze het naar Hakuin. Inmiddels had hij zijn goede naam verloren, maar dat deerde hem niet en hij zorgde erg goed voor het kind. Melk en al het andere dat het kindje nodig had, kocht hij bij zijn buren. Een jaar later kon het jonge moedertje het niet langer uithouden. Ze vertelde haar ouders de waarheid: de echte vader van het kind was een jongeman die op de vismarkt werkte. Onmiddellijk gingen de moeder en de vader van het meisje naar Hakuin; zij vroegen hem om vergeving, putten zich uit in verontschuldigingen en vroegen het kind terug. Hakuin was bereid het af te staan. Toen hij ze het kind gaf zei hij alleen maar: “Werkelijk?”
(uit: Zen-zin Zen-onzin, van Paul Reps)

In de Han-tijd ontwikkelden zich her en der modellen om de I Tjing te verbinden aan de geheimen van de “vijf veranderingsfasen”. De Chinezen gingen er van uit dat er vijf elementen aan de basis van de verschijnselen lagen, en dat de trigrammen deze uitbeelden in relatie tot elkaar. Op vijf mogelijke wijzen kunnen die dan elkaar beïnvloeden: ze brengen elkaar voort (1), ze vernietigen elkaar (2), ze putten elkaar uit (3), ze versterken (4 - alleen voor wat betreft bepaalde trigrammen die dezelfde elementale geaardheid hebben, zodat bijvoorbeeld de trigrammen Berg en Aarde, die beide behoren tot het element aarde, elkaar in hun geaardheid versterken) of ze beschadigen elkaar (5). In de vorm van een pentagram nemen de elementen water, vuur, aarde, metaal en hout hun plaats als volgt in:

Het getal vijf is, als u de eenheden ervan samentelt (1+2+3+4+5) gelijk aan 15. Het magische vierkant toont hoe alle getallen, als ik ze horizontaal, verticaal of diagonaal samentel, vijftien tot resultaat hebben:

et getal vijf staat ook hier centraal in het vierkant, in de zich omringende wereld. Het centrum bewaren, is de vijf bewaren, de quinta essentia, de ether, het licht van het bewustzijn, de essentie van mijn wezen.

Hexagram 15, De Bescheidenheid, bestaande uit het trigram “de Berg” onderaan en “de Aarde” bovenaan, is het enige hexagram in de I Tjing waar ik bij al de zes lijnen een positief orakel vind. Han Boering schrijft over dit hexagram als over het meesterschap van de edele, over “hij die zich stilhoudt (trigram Berg) in de wereld (trigram Aarde), want hij voltooit (trigram Berg) de taak (trigram Aarde). Alle aspecten van het ware vakmanschap vind je in dit teken terug: rustig en zwijgend de taak uitvoeren, kalme observatie van het materiaal, controle over de vormkracht, enzovoorts. Er is in dit hexagram sprake van iemand die meesterlijke innerlijke beheersing heeft ontwikkeld. Dat leidt niet to groot vertoon, want hij kan zich op een “gewone” manier gedragen in de wereld. De bescheidenheid moet daarom niet verward worden met valse bescheidenheid of onderdanigheid. De Bescheidenheid is hier gebaseerd op het feit dat hij zich ervan bewust is dat hij gebruikmaakt van verkregen talenten en mogelijkheden. Op het moment dat hij de neiging zou vertonen de resultaten van zijn werk als een persoonlijke verdienste te zien, zou hij zijn meesterschap verliezen.”

Het getal 15 is ook 1+5, dus 6. In de vijf zit al een verwijzing naar de zes. In het middelpunt blijven, toont hoe ik mij kan bevrijden van lijden door verandering. Zes is het kleinste getal dat ik verkrijg wanneer ik de munten opgooi. Deze kleinheid verwijst naar de nietige mens in een woelige wereld en een bewegend universum.


Hexagrammen

Zes lijnen die yin of yang zijn, vormen samen een hexagram. Als ik een hexagram opbouw, begin ik onderaan, omdat het hexagram zich langzaam ontwikkelt doorheen de tijd, van binnen naar buiten, van “komende van” (onderste trigram) naar “gaande naar” (bovenste trigram). Het hexagram 6, De strijd, verwijst naar het leven als de “struggle for life” en geeft mij de wijze raad dat het niet gaat om winnen of verliezen, maar om het vinden van een evenwicht, een compromis, een wederzijds te sluiten vrede, een harmonie. De tegengestelde krachten die de verandering veroorzaken, de yin en de yang, zijn op zichzelf onoverwinnelijk, daarom zou elke overwinning uiteindelijk eindigen op een Phyrusoverwinning. De bovenste lijn van het hexagram 6 vermeld: “al heeft iemand ook een lederen gordel verworven, voor het eind van de morgen wordt die hem driemaal ontrukt”. De zes heeft alles met de menselijke geaardheid te maken. Deze toont een innerlijk conflict tussen geest, ziel en lichaam. In de mens is zowel de “lover” (rechtopstaande driehoek), als de “killer” (omgekeerde driehoek) aanwezig, de mogelijkheid tot constructie of destructie, de potentie tot scheppen of vernietigen. Het probleem van het lijden heeft het Joodse volk in de vorige eeuw op een gruwelijke wijze moeten ondervinden. Niet voor niets is de Davidsster het symbool waar zij zich eeuwenlang al hebben mee geïdentificeerd:

Ongenoegen is kenmerkend voor het verrottingsproces dat in de verschillende levensfasen voorkomt. Het schijnbaar gevonden evenwicht geeft toch niet de voldoening waarop men had gehoopt. Dat komt door de kloof die er is tussen het verworven inzicht en de effectieve handelingen die men daadwerkelijk doet. Wat voor zin heeft het als ik de diepere laag van liefde in de goddelijke geest begrijp, wanneer ik hatelijke gevoelens blijf koesteren naar collega's, vrienden en buren? Alle filosofie, spiritualiteit en mystiek zijn slechts zinvol als zij zich daadkrachtig manifesteren in mijn alledaagse gedrag. Als dat niet lukt, frustreert mij dat. Ik poog dan in eerste instantie de oorzaken van dit falen toe te wijzen aan dingen die buiten mijzelf liggen.
In het hart (psyche) onderzoek ik mezelf en kijk ik in de innerlijke spiegel. Als ik eerlijk kijk, kan ik niet meer ontkennen, verdringen, negeren dat ook vernietigende krachten in mij werkzaam zijn. Doordat ik kijk naar de verwarring, de vervlakking en de vervreemding bij mezelf, ontstaat improvisatie; doordat ik mijn routine en verveling onder ogen zie, vind ik humor, en door de stagnatie en de verschraling te durven zien, groeit speelsheid en fantasie.

De I Tjing toepassen betekent dat ik de achterliggende kracht ervan, HET, realiseer, want HET toepassen is HET DOEN! Om HET te doen is er enkel aandacht nodig van het bewustzijn. Het kijken (trigram vuur), de aanblik naar, het gadeslaan van de chaos (trigram water), in mijn omgeving, in de natuur en in mezelf, brengt een orde aan het licht die stil is, omdat beide krachten in evenwicht zijn, en deze stilte of orde is de Wortel, de Bron, het Voedsel van het leven. Ik heb inzichten nodig in de activiteiten van mijn “ego”. Als ik onderzoek wat die zijn; al mijn gewoontes, gebaren, misleidingen, fantasieën, wrok, verlangens, begeerten, angsten, verwachtingen, woede,…, als ik echt kijk naar het woelige bewegen van dit alles, dan kom ik in de Stilte, in de Vrede, en komt alles wezenlijk tot Orde; dan zie ik het innerlijk wezen die al mijn handelingen bepaalt. Dat is het toepassen van meditatie: kijken naar de Orde achter de wanorde. Aandacht verandert het aanschouwde en dus ook de kijker die kijkt. Wie niet kijkt, is de echte blinde en die geraakt vast te zitten, dus is hij ook de lamme, want kijken verandert de dingen ten goede, zoals op subatomair niveau dit proces plaatsvindt wanneer materie verandert van golfjes naar deeltjes, en omgekeerd, naargelang er al dan niet een waarnemer is die kijkt. Zo transformeert en sublimeert het “ego” zichzelf, door in die oneindige ruimte te gaan binnenin, die dezelfde ruimte is als buiten uit. Doordat ik mijn leven bekijk “sub specae aternitatis”, in een context van eeuwigheid en volledigheid, ontstaat de “heilige onverschilligheid”, die heel gevoelig is, maar emotieloos, en waardoor de wereld een ander aangezicht krijgt en waar, in plaats van verveling, er aandacht is; in plaats van gehechtheid, vrijheid is; in plaats van versplintering, vereniging en in plaats van ontworteling, een stevige vruchtbare gezonde en gefundeerde grond.

Het getal zes is in feite de drie, want 6=1+2+3+4+5+6=21= 1+2=3. Terwijl de drie-eenheid de passieve vaststelling is dat mijn bestaan zich manifesteert op drie velden (geest, ziel en lichaam), is de verdubbeling ervan de actieve daad, het vrije handelen en het maken van keuzes. Op wereldlijk en universeel vlak zien wij dat duale activiteit bestaat, dat de natuur geeft én terugneemt, dat de zee komt en gaat, dat verandering is en lijden of geluk met zich meebrengt.


In hexagram 6, De strijd, vertelt het Oordeel van het orakel mij: “Je bent oprecht en wordt geremd. Voorzichtig stilhouden halverwege brengt heil. Tot het einde gaan brengt onheil.” In de uitersten ligt het ongeluk. De uitersten zijn hier:

Ik moet het zelf realiseren. Wat ik geloof, creëer ik. Mijn scheppende houding heeft invloed op alle verschijnselen in mijn omgeving. Natuurlijk zal ik remmingen ervaren, maar als ik oprecht en eerlijk ben, en niet tot een uiterste mij laat verleiden, maar steeds in het middelpunt blijf, in de geest van het bewustzijn en aandacht, dan overwin ik de strijd niet, maar overleef ik in rust en tevredenheid. Elke daad is een zelfdaad. Elke onthouding van daad (wu-wei) is ook een zelfdaad. Zo krijgt wie en wat ik ben een specifieke vorm. De YI dankt zijn kracht aan het feit dat hij instructies, raadgevingen, tips, overwegingen, mogelijkheden aanreikt die mij in staat stellen zo te handelen, dat ik in evenwicht blijf met omgeving, natuur en universum. Dat lijkt u misschien grootspraak, en toch is dit mijn ervaring. Wellicht is het feit dat de YI veranderingen aanduidt, zo bijzonder. Ik heb tot nog toe alleen gesproken over trigrammen en hexagrammen, maar niet over de specifieke lijnen van een hexagram. Het muntensysteem kent u intussen al. Met het muntenorakel werpt u drie munten in de hoogte en via pare en onpare getallen bekom ik yin- en yanglijnen die samen een hexagram vormen. Als ik drie munten opgooi, elke munt de waarde twee (muntzijde) of drie (kopzijde) toeken, dan krijg ik als som de mogelijkheden 6 of 7 of 8 of 9. Ik wijs erop dat het kleinste yingetal hier 6 is en het grootste yanggetal 9 is. Volgens de wet van de omslag zal de yinlijn, in haar grootste dieptepunt, omslaan in haar tegendeel yang, en zal het hoogste yanggetal omslaan in het tegendeel yin. Op die manier vervloeien hexagrammen in elkaar en zijn lijnen de weerslag van veranderingen in een bepaalde context op een bepaald moment. De lijnen die ontstaan door het gooien van munten, en waarbij de getallensom 6 of 9 is, noemt men de bewegende lijnen of de veranderlijke lijnen. Dan ziet een basishexagram en een tendentieus hexagram of veranderend hexagram er als volgt uit.

Zo kan ik bij elke vraag één tot zes bewegende lijnen hebben. Het kan ook gebeuren dat er geen enkele bewegende lijn in het antwoord voorkomt. Dat duidt aan dat een situatie of een probleem vastzit of dat er in de nabije toekomst geen veranderingen te verwachten vallen.
Ik wijs er wel nog op dat de getallen die bij elke lijn van een hexagram genoemd zijn, in de editie van Richard Wilhelm, niet overeenstemmen met de getallen die u via het muntorakel verkrijgt. Als bij een lijn staat “zes op de vijfde plaats betekent: afwijken van de weg….”, dan verwijst de zes naar het duizendbladorakel dat oorspronkelijk voor het raadplegen van de YI gehanteerd werd. Hou er geen rekening mee.

Op een gegeven moment ben ik van plan om de opleiding aan te vatten als analytisch therapeut in Nederland. Ik vraag de YI wat de gevolgen daarvan zullen zijn. Als resultaat krijg ik hexagram 6, De Strijd, en hexagram 4, de Jeugddwaasheid. Er zijn veel veranderlijke (bewegende) lijnen. Ik voel mij nochtans erg gemotiveerd. Alle bedenkingen en weerstanden schuif ik van de baan. Niets kan mij verhinderen om de opleiding te starten maar innerlijk is een ander proces aan de gang. Iets in mij is wantrouwig. Ik ken de hexagrammen. Die wijzen eerder in de richting van voorzichtigheid en onwetendheid. Het feit dat ik mij innerlijk ongemakkelijk voel is belangrijker dan motivatie, drang tot handelen, ongedurigheid. Ik ga verder op onderzoek over het voornemen om in Nederland te studeren in Nederland. De YI geeft verduidelijking door een yao aan te wijzen waar sprake is van “eigenzinnigheid”, trots en overmoed. Ik weet genoeg! In dezelfde periode heb ik een betekenisvolle droom en kom ik meer details te weten over praktische aangelegenheden die bij de opleiding horen. Het is acht uren heen en weer reizen met de trein, elke week, en de eerste twee jaren moet ik niet veel nieuws verwachten wat inhoud betreft. De kostprijs blijkt hoger uit te vallen dan ik in eerste instantie had voorzien. Ik heb uiteindelijk, met verdriet in het hart, beslist geen opleiding te starten. Nu voel ik mij daar heel goed bij. Niet alleen omdat ik tot een besluit gekomen ben, waarvan ik nu weet dat het de meest wijze beslissing is die ik had kunnen nemen, maar ook omdat ik de raadplegingen van de YI ook echt ter harte neem. Tien jaar heb ik dat niet ten volle gedaan. Halfslachtig handelen is in zekere zin voor een bepaalde periode ook goed. Ik bedoel eigenlijk: handelen tegen beter weten in. De YI heeft mij totnogtoe altijd het juiste advies gegeven, ook al zag ik dat in de gegeven omstandigheden niet altijd helder in. Achteraf bleek het advies van de YI juist. Maar het is best ok dat iemand de YI niet volgt, maar eigenzinnig blijven de adviezen naast zich neerleggen, ondanks dat ik innerlijk het gevoel heb dat de YI de waarheid spreekt, getuigt in feite van een zekere domheid, en die heb ik nu van mij afgelegd.

Elk hexagram heeft zes lijnen. In het Chinees is zo'n lijn een yao. De tijd is energie en werkt doorheen een bepaalde situatie. Iets verschijnt, komt tot een hoogtepunt en het gaat weer voorbij. Als een toestand een climax bereikt, is de omslag nabij. De YI gebruikt mooie beelden om deze wet aan te tonen: “ook de mooiste kleren worden lompen”, “geen vlakte waarop geen helling volgt, geen heengaan waarop geen terugkeer volgt” en “eerst steeg hij ten hemel op, daarna stortte hij omlaag in de diepten der aarde”.

De wet van de cumulatie en de omslag (eniantiodromie) zie ik in elk hexagram, want een hexagram is de uitbeelding van een specifiek moment in de tijd of van een specifieke situatie.
Elke lijn draagt een kracht in zich, alleen al door haar plaats in het geheel van het hexagram. Ofwel is de plaats yin van aard ofwel yang. De eerste, derde en vijfde yao, dus de onpare lijnen, zijn yange plaatsen. Lijnen twee, vier en zes, de pare lijnen, zijn yin van plaats. Nu kan een lijn al dan niet correct op haar plaats staan. Een yanglijn op een yange plaats is correct. Een yinlijn op een yange plaats is niet correct. Nochtans is correctheid niet altijd heilzaam. Dat hangt van de gehele situatie en de context af, en van de inhoud van het specifieke hexagram.

LIJN1. De kiemen van een hexagram vind ik in de onderste (eerste) lijn. Hierin is het potentieel vermogen van een hexagram aanwezig. Ik kan er de kiemen van een situatie in vinden. De eerste en de bovenste (zesde) lijn staan in feite buiten de tijd. Bij de eerste heeft de situatie zich nog niet echt gemanifesteerd, bij de laatste is de situatie al afgelopen. Als een onderste lijn vibreert of dus verandert, dan wijst dit vaak op het begin van een verandering. Er wordt dan aangeraden zich in de houden, af te wachten, niets te forceren, maar het aan de tijd en de natuur zelf over te laten om verder te evolueren. Ik kan mij klaar houden om de veranderingen welkom te heten. Ik kan een situatie ook gewoon laten voorbijgaan. Het kan dat een proces van verandering zich niet verder doorzet en dat alles gewoon bij het oude blijft. Ik moet niet te snel willen ingrijpen. In taoïstische kringen spreekt men van “wu wei”, van niet-doen. Ik laat de natuur zelf zijn gang gaan. Ik hou mij op de achtergrond, evenwel niet passief. Ik doe wat gedaan moet worden, zoals altijd. Ik doe niet “niets”. Ik doe “niet”. Een portefeuille ligt op een tafeltje in een restaurant. De klant is weg. De ober heeft het niet gezien. Ik kan “wu wei” volgen, niet-doen. Ik steel niet. Ik doe iets. Wat doe ik? Ik steel niet! In mijn eigen leven is het nog steeds moeilijk om niet in te grijpen, om niet te forceren. Vooral als mijn “wil” zich manifesteert, als de begeerte beweegt en mij op een doelwit stort. Een boek van de schrijver Kundera heet “De Grap” en vertelt hoe een man uit een (communistische) samenleving verstoten wordt door een als grap bedoelde opmerking op een ansichtkaart. De YI toont de specifieke betekenis van de lijnen het duidelijkst in de lijnen van hexagram 1 en hexagram 2. Bij Het Ontvangende vermeldt de eerste lijn: “trapt men op rijp, dan is het ijs nabij”. In een specifieke levenssituaties is het vaak moeilijker om niet in te grijpen dan om wel tussenbeide te komen, te sturen, te leiden. En veelal blijkt achteraf dat je tussenkomst meer negatieve dan positieve resultaten tot gevolg heeft. Boven de keizerlijke troon van de verboden stad in Peking staat: “wei-woe-wei”. Dat betekent: doen door niet te doen. Ik handel door niet-handelen. Ik doe dan “als vanzelf-zo”, wat de letterlijke betekenis is van het Chinese karakter voor “natuur”. “Als vanzelf-zo” handelen is doen zonder te doen. Het is zo spontaan handelen als de natuur zelf. Jung formuleert, in een psychische context, een dergelijke houding als: “de kracht vinden in mezelf om de dingen zich te laten voltrekken”. Het is de wet van de minste weerstand die, net als in de natuur, ervoor zorgt dat het geheel der dingen altijd in evenwicht is. In een subjectieve waarneming lijken vele omstandigheden onrechtvaardig, onjuist, tegenstrijdig, maar in het “zicht van de eeuwigheid” is altijd alles correct. Wie “wu wei” toepast is geen pleitbezorger voor gelatenheid, onverschilligheid of voor een overgave aan een gedetermineerd nihilisme. Integendeel, “wu wei” doet meer dan ooit aanspraak op een natuurlijk proces van vitaliteit, stroming en verandering. Helaas niet altijd volgens mijn individuele voorkeuren, wensen en verlangens. In de eerste lijn van een hexagram zijn de centrale begrippen en associaties: het openstaan voor, het toelaten van, de overgave tot, het afwachten, het niet-doen. Een gerichtheid op aanvaarding en acceptatie is zegenrijker dan een windmolengevecht, dan een uitputtend tegen de stroom in zwemmen. “Wu wei” is de wet van het water, dat stroomt waar het komt en dat met zachtheid en soepelheid meer bereikt -en rotsen breekt- dan met de harde spierkracht en de metalen stijfheid van de dood. “Wu wei” is ook de kracht van het onbewuste, die alle archetypen in zich bergt, en die in vele gevallen antwoord biedt op moeilijke levensvragen en die alle latente mogelijkheden van een persoonlijkheid en van een situatie in de kiem in zich draagt.

LIJN 2. De tweede lijn toont de eerste verschijningsfase. Uit de leegte van “het Niets” komt alles voort. De “op het veld verschijnende draak” (hexagram 1, lijn 2) manifesteert zich in de vorm. Terwijl in de eerste lijn het volhouden van de normale toestand het beste kan worden aangehouden, is er hier plaats voor een voorzichtig ingrijpen. Hoewel de eerste verschijning zich voordoet, is het toch raadzaam niet al te actief te zijn, want het karakter van de plaats is yin. Ook al doe ik wat gedaan moet worden, ik kijk de kat uit de boom. De tweede lijn is een centrale lijn. Zij staat tussen de eerste en de derde lijn van het onderste trigram. Hier is de “Weg van het Midden” veelbelovend. Elk uiterste is nu gevaarlijk. De tweede lijn spreekt nog altijd van een onbewuste toestand, maar waarin activiteit verschijnt. Bij deze “leegte-lijn” ligt de klemtoon meer op het bewustzijn van de mogelijkheden die zij biedt, dan op de daden die ik zelf effectief moet doen. Het doen om het doen. Niets meer. Resultaten zijn onbelangrijk. Deze lijn wijst op zaaien, zonder aan de oogst te denken. Leegte is als ruimte: je kunt nog alle kanten uit. Leeg-zijn betekent ook leeg zijn van “ik-gerichtheid”. Niet “ik” ben het die doet, wenst en denkt, maat HET denkt, voelt en handelt in mij. Het “ik” maakt hier plaats voor Iets dat veel groter is. “Het ware heersen moet dienen zijn” is een orakeltekst die in de YI vaak voorkomt. Dus dienend optreden, vol overgave aan HET, en de Weg gaan die mijn voeten mij tonen. De voorzienigheid van HET, of het Lot, zo je wil, brengt mij naar mijn bestemming. Ik weet instinctief wat mij te doen staat. Wie zich met de YI inlaat, streeft naar een soort mystiek besef, niet naar een kinderlijk magisch denken. De magiër wil macht. Een mysticus geeft zich over aan het AL, aan de Totaliteit. Dat is zijn kracht. Het “IK” wil niet meer, maar des te meer is het De Wil die leeft, de Wil van HET. In de chaotische volheid van het leven vind ik de leiding en de richting die ik nodig heb, op het juiste moment en op de juiste plaats.

LIJN 3. De derde lijn is de kinetische lijn. Zij heeft een yange plaats. Zij is heel actief en beweeglijk. Een yange lijn op deze plaats is soms zelfs hyperkinetisch en dit kan negatieve gevolgen hebben. Evenwel is actie noodzakelijk, want de ambitie van een derde yao is om hogerop te geraken. Zij wil de overgang wagen van het onderste trigram naar het bovenste, van binnen naar buiten, van afkomst naar toekomst, van awareness (de drie onderste lijnen) naar expressie (de bovenste drie lijnen). Elke activiteit of situatie kan waargenomen worden als een vorm van de drie-eenheid. De twee trigrammen waaruit een hexagram is opgebouwd, bestaan elk uit drie lijnen. In een hexagram behoren de onderste lijnen tot de aarde, tot het materiële, tot het moederlijke, tot het onbewuste, tot de fundamenten en tot de oorsprong. De bovenste twee lijnen behoren tot de hemel, tot het geestelijke, tot het energetische, tot het zonnige, tot het patriarchale vaderlijke, tot het rationele, tot het doelmatige en tot het einde. Tussen de aarde en de kosmos, tussen hemel en aarde, tussen de planeet aarde en de ster zon, staat de maan. Deze halfplaneet is mossel noch vis, zoals de mens binnen de evolutie van de tijd. Het maansymbool staat voor de ziel in de mens, die zijn plaats zoekt in de leegte tussen het stoffelijke en het geestelijke. De aarde, de maan en de zon vormen samen een eenheid, zoals eerder is uitgebeeld in de driehoek lichaam, ziel en geest. Het zijn abstracte begrippen die hun concretisering vinden in het natuur op aarde, in de samenleving van individuele mensen en in de kosmische wetten. De drieëenheid bestaat ook in de bioritmen volgens de getallen 24 (aardse), 28 (lunair) en 33 (solair). Het spanningsveld in drie richtingen maakt dat handelen urgent wordt. De spanning tussen boven en beneden, tussen willen en kunnen, leidt tot een kinetische activiteit. Hier begint het leerproces van de afweging, van geven en nemen. Het is de boekhouding van het bestaan. Hier start ook het eerste besef van relativiteit der dingen. De werking van de drie-eenheid resulteert uiteindelijk in een aarzelende empathie. De drie-eenheidsgedachte is een logisch gevolg uit de dualiteit. Na het wit-zwart denken van weleer volgt nu een afwegingsdenken. Creativiteit en individualisering zijn hier meer aanwezig dan bij het niveau van de leegte. Daar de dienende overgave en de onbewuste uitvoering, hier het sturend scheppen en het zoeken naar bewustheid door eigengereidheid, eigenzinnigheid en uniciteit.

LIJN 4. De vierde lijn heeft de overgang volbracht, maar houdt zich best wat afzijdig nu zijn doel is bereikt. Zij heet de isolatielijn. Het kenmerkende karakter ervan is de begrenzing tussen willen en kunnen, tussen de belangen van anderen en die van zichzelf. Deze lijn is de kwadratuur van de cirkel, de dubbele dualiteit in de eenheid, dus het kruis. Hier speelt zich het vierkantige, moeilijk rollende, verloop in het leven af. De vierde lijn toont gelijkenissen met de Indische vierde chacra, anahata. Het hart, dat ik moeilijk in bedwang kan houden, veroorzaakt het denken. De gedachten vormen zich volgens de verlangens van het hart. Zonder verlangen, zonder het figuurlijke hart, denkt de mens niet. De hierboven genoemde driehoek bevindt zich nu in het vierkant, in de quaterniteit, maar de vierledigheid bevindt zich op haar beurt weer in de cirkel. Als het kruis, als de tegenstellingen tussen bewust en onbewust, tot evenwicht is gekomen in het Midden, ontstaat een versnellend proces van groei vanwege het cyclische roterende aspect van dit evenwicht. Het equilibrisch Midden vertoont een middelpuntvliedende kracht. Wie zich in balans voelt met zijn omgeving, met zichzelf in het reine is en een (kosmische) betekenis verleent aan het leven (de zin ervan maakt), die komt, weliswaar na een periode van “zich geïsoleerd” voelen (want de vierde lijn is in de eerste plaats een islatielijn), tot wat de alchemisten noemde een rota-moment. Als woord en daad in overeenstemming zijn, werpt dit veelvuldige vruchten af. Het leven volgt een spiraalvormige beweging naar boven of naar beneden, naargelang het destructieve of het constructieve veld waarvoor ik kies en waarin ik terechtkom. Het is nu buigen of barsten. Het kruis-aspect van de YI en van mijn dagelijkse bestaan leert mij omgaan met wrok en onmacht. Ik vind en ik accepteer verschillende vormen van begrenzing. Mijn individuele mogelijkheden zie ik en erken ik. De existentiële vragen betreffende vrijheid, sterven, enz. komen aan bod en vinden -na de nodige zelfinkeer en isolatie- hun relatief bevredigend antwoord. De schaduw van deze lijn is de angst. Angst voor het kruis verlamt het individu. Veelal lokaliseert het kruis de kleine nietige mens in zijn grote oneindige omgeving. Ik ervaar opnieuw het belang van de acceptatie, de aanvaardig en de begrenzing. Ik vind er anderzijds ook het belang van het bewaken en het bevechten van territoria, het belang van het maken van keuzes. Door veelvuldige levenservaringen, door welslagen en falen, kom ik tot begrip voor de medemens, tot begrip voor die ander die nu eenmaal anders is dan ikzelf, maar die tegelijk ook gelijk is aan mezelf. Het rota-proces leert mij patronen te zien in mijzelf, in situaties en in andere mensen. De paradox groot-nietig leidt tot een intenser medeleven van de soortgenoten, in eerste instantie met de mensheid, in een verder gevorderd stadium met alle vormen van leven. Op dit niveau is de macht van het louter egoïsme gebroken. Het tweede trigram (de vierde lijn is de eerste lijn van het bovenste trigram) overstijgt het eigene om door te stoten naar het volgende, dus vijfde, niveau, dat van verwantschap. De eigen levensvisie is geboren. De unieke eigen geestesgesteldheid ziet het licht. Het contact met beneden (onderste of eerste trigram) is niet verloren gegaan -zoals eerst gedacht wordt door de isolerende ervaring- maar is integendeel het basisvoedsel voor de eigen verwerkelijking. De “ontmoeting met de schaduwzijden van de persoonlijkheid of een situatie” en het leren omgaan met “de persona” of het masker dat wij dragen, hebben mij klaar gemaakt om op dit vierde echelon de “bruid” of “bruidegom” te ontmoeten. De anima in de man en de animus in de vrouw krijgen, na opname door aandacht en reflectie, invloed op het bewustzijn, ze creëren een moeilijke levensperiode, maar zijn tegelijk een zegen voor de groei van de persoonlijkheid. De tweede geboorte -de geestelijke- vindt plaats. En de held die ik ben -zoals elk mens gedoemd is tot het heldendom van zijn eigen bestaan- ontmoet zijn Ariadne, die hem uit het gevaarlijke labyrint leidt, maar niet na eerst de grote draak, het eigen “ik”, in symbolische zin te hebben gedood. Pas wanneer “ik” niet ben, kan ik mij richten naar het andere, naar de andere, naar HET.

LIJN 5. De vijfde lijn is de verwantschapslijn. Op een yange plaats een yange lijn toont de werking van resonantie waarin het gelijke naar elkaar toe komt en elkaar vindt. Dit is veelal de Heerserslijn van een hexagram. Soms is het een andere lijn die Heerser is van een hexagram, dit hangt af van het totale oordeel en het beeld van het hexagram. Het meevoelen, het medeleven, het mededogen van de vierde lijn kennen een totale uitwerking op het vijfde nivea, namelijk op de lijn van Verwantschap. Verwantschap kan in vele andere begrippen haar uitdrukking vinden, bijv. in “sympathica”. Sympathie, solidariteit, humanisme, universele genegenheid, enz.. Deze lijn is de “agapei”, het samen fluctueren van gelijksoortige en verwante elementen. In het eerste hexagram, Het Scheppende, spreekt de vijfde lijn van “vuur dat omhoog oplaait, en water dat naar beneden vloeit. “Elk volgt het hem verwante”. Na de eenzame existentiële fase (de vierde), namelijk na de ontmoeting met de anderen in mijzelf (projecties), komt nu de ontmoeting met de andere(n) buiten mijzelf. In samenwerking met anderen komen projecten op gang. Wijsheid vindt haar uitwerking. De “grote wijze man” steunt mij met raad en daad. De Waterpunt (hexagram 48) in mezelf verspreidt nu het koele verfrissende water, verdeelt en geeft “zo maar” uit. Andere drinken uit mijn bron, die in feite De Bron van allen en alles is.
Het communicatieve (keelchacra) en organisatorische krijgen hun plaats en betekenis. Hier neem ik leiding over het eigen lot en over dat van anderen. Verantwoordelijkheid en karma blijken nu geen lege begrippen meer te zijn. Het delicate pad van teamwork, van politiek, van economisering, van sociaal-gerichtheid heeft de ervaring van de vier vorige fasen broodnodig. Het is een koorddansen tussen macht en onmacht. Het uiterlijke evenwicht is broos en dient telkens bijgesteld te worden. De donkere kant van deze lijn is de “ontworteling”. De tijden kunnen voor mij zo goed lijken, dat de illusie van zekerheid opdaagt. Zonder mij nog te bekommeren om de andere lijnen, verlies ik mezelf. Het contact met de “oerbodem”, met de aspecten van HET uit de vorige lijnen is verbroken. Mijn kleine geest van het denken meent machtiger te zijn dan ooit, tot plotseling… elke nieuwe wending en verandering het kaartenhuisje wegblaast als een tak in een storm. Zonder de wortels van het onbewuste is het bewustzijn kansloos. Het “ik” doet een laatste poging het meesterschap te verwerven. De wereld biedt ambten, prijzen, titels aan. De duisternis van dit niveau verpersoonlijkt zich in alle “ismen” op maatschappelijk en spiritueel niveau.
Na de fysieke (lijn een), de emotionele (lijn twee), de rationele (lijn drie) en de existentiële (lijn vier) fase in de ontwikkeling, is de vijfde lijn de spirituele accu.
Ondanks de vele positieve fluctuaties in resonantie met de omgeving, mag en kan de innerlijke oorzaak van de resultaten, de eigenlijke oorsprong van ons wezen, niet vergeten en verwaarloosd worden. De stilte in de diepte! Dat wat meer is dan het denken en het “ik”?
Zonder de brandstof is er geen licht. Wie de brandstof niet op tijd aanvult, dooft uit. En wie de ware Bron van alles vindt, die breidt uit terwijl hij zich verspreidt, die gloeit terwijl hij dooft en die verzamelt terwijl hij deelt.
Natuurlijk komen de beschreven lijnen en fasen niet in chronologische wijze aan bod. Integendeel, zij vormen een synchronistisch spel van tijdsdraden, dat elk individueel levenslied weer anders laat klinken.
In stap vijf vind ik ook de troost om het lijden van het kruis te dragen. Ik vind steun in familie, vrienden, partner en gezin. Ik word gedragen en geschraagd door een achterban, door een warme energiestroom van verwantschap. Het is een flux van energie die op samenhorigheid berust. Het is de resonantie van gelijkgezinden. Deze lijn is ook een hervormende lijn. Het zijn de ideeën van de inhoud die vorm krijgen in de uitvoering van een baan, van leiderschap, van zelfverwerkelijking. De vibraties van gelijke energie stromen krachtig naar de oceaan van het geheel. De eigenwaarde is genoeg ontwikkeld en juist ingeschat om niet tot een “inflatie” van het “ik” te komen. Het individu wordt niet meegesleurd naar de diepten van het onbewuste slaafse collectieve onpersoonlijke, noch neigt het naar boven tot hybris. Mijn persoonlijkheid is ver genoeg gevorderd om steeds op mijn hoede te blijven voor overdrijving naar een of ander uiterste.

LIJN 6. De zesde lijn staat buiten de tijd. In de laatste lijn treedt een terugtreden in. De pensionering is op komst. De reis is volbracht. De flux kalmeert. Het alleen-zijn doet geen pijn meer. De ervaringen worden verwerkt, de feeback bestudeerd. De “steen der wijzen” maakt het levensgoud dat elke resterende minuut is. Het derde oog (hoofdchacra) treedt in werking. Het nu-moment is allesomvattend. Het hoogste punt van het menselijk kunnen is hier nu aanwezig. De kruin zelf is een te hoog gegrepen streefdoel. De mens is de mens en HET is HET. En ook al zouden beide één zijn, de YI is een gids en bron voor de mens, een wegwijzer voor onderweg in een veranderende wereld en kosmos. Hier is niets bovenmenselijks of paranormaal. In de kruin liggen de oorsprong en het einde, de alfa en de omega, het eerder aangehaalde “laatste waarom”. Over een zevende lijn zwijgt de YI dus of er is slechts sprake van wanneer dit “goddelijke getal” aanstuurt op omkering, op totale omvorming, of op bekering.
De zesde lijn is de lijn van eniantiodromie en is de laatste oever die dient te voorkomen dat ik opnieuw in het gevaarlijke water treed, dat ik regreseer. Anderzijds zet deze lijn mij aan tot het oversteken van een ander water, tot het volgen van een nieuw. Eniantiodromie is een gemakkelijk te begrijpen verschijnsel. Lucifer wordt ter aarde geworpen. Prometheus aan de rotsen vastgeklonken. Odin aan de Levensboom Yggdrasil opgehangen en Icarus stort te pletter met zijn gesmolten wassen vleugels. Dus de Titanenstrijd! De hoogmoed! De hybris en haar gevolgen. De godenschemering of Apocalyps als een aards eindpunt of misschien als een beginpunt van iets nieuws.
De zesde fase is de eindscriptie van het schooljaar. Het is echter ook de dwaas uit de tarot, in zijn dwaasheid wijs en in zijn wijsheid dwaas, die in de lach de pijn blootlegt en in zijn gekheid de lichte hoop op vrijheid vestigt.
Eniantiodromie is het mysterium coniunctionis van yin en yang, van licht en duisternis. Deze lijn weerhoudt mij van overdrijving en eenzijdigheid. Op dit punt dient elke terugslag te worden vermeden, of juist omgekeerd, dien ik op dezelfde plaats te beginnen waar ik nu ben geëindigd. Het is de ouroboros van de tijd, gesymboliseerd door de slang die met haar kop in haar staart bij en “voor “ en “tegen” verenigt in het evenwicht. Zoals gezegd: elk contrast slaat, als het zijn hoogtepunt heeft bereikt, om zijn tegendeel. Dat is in feite eniantiodromie. Zo is het in de kosmos, zo is het in de natuur en zo is het bij mensen. Wie het tegendeel wil vermijden, dient het hoogtepunt te laken. Dan kom ik opnieuw bij “wu wei” uit, bij het niet-doen, bij de eerste fase of eerste lijn. En zo begint alles van voren af aan opnieuw. Alles gaat altijd weer voorbij en alles komt altijd weer terug. Dat is Tijd.
Wie dus vasthoudt aan de eenzijdigheid of wie streeft naar één aspect van het leven, komt in onmogelijke situaties terecht. Hij is gevangen in een web van illusies, in zijn drang naar zekerheid. Vandaar dat dogma's, overtuigingen en idealen geen soelaas brengen, maar zelfs gevaarlijk zijn.
Eniantiodromie zegt ook dat ik elke dag opnieuw, elke minuut van mijn leven, elke seconde van mijn bestaan, overgeleverd ben aan een spel van krachten die mij in venwicht houden en waarop ik kan vertrouwen, zonder subjectief oordeel en zonder enige inmenging.
Alle lijnen van de hexagrammen van de YI tonen mij dat alles Is Wat Het Is. Er valt niets over te zeggen. Ik kan enkel woordeloos aanschouwen. Er is niets om bang voor te zijn. Ik kan er volledig op vertrouwen. Als een woordeloos vertrouwen in datgene wat is, “als vanzelf zo” verschijnend en weer ondergaand.

Na het raadplegen van de YI, heb ik al veel gelachen, vooral met mezelf! Als ik denk dat de YI onduidelijk is en mij in verwarring brengt, dan weet ik dat er een vingerwijzing plaatsvindt naar een onbewust deel van mijn persoonlijkheid. Soms is een antwoord van het orakel ook verbazingwekkend helder of confronterend. Ik heb eens meegemaakt dat ik dreigde het contact met mijn dochter te verliezen. Ik dacht toen dat zoiets kon. Ik vreesde de macht van de buitenwereld, en van de moeder van mijn dochter (of mijn eigen moeder?). Toen ik daarover, in wanhoop, de YI raadpleegde, was het antwoord: “Je kan niet verliezen wat jou werkelijk toebehoort, ook al gooi je het weg”. In de gegeven situatie was mij dit een confronterend antwoord. Ik heb gezinswetenschappen gestudeerd en wist vrij veel over de “loyaliteiten in een gezin”. De YI wees mij op de angst, los van de feitelijke werkelijkheid.

Soms verwart men de woorden psyche en spirit. Dat is niet toevallig. De “drift” en de “geest” hebben misschien meer gemeen dan dat we normaliter willen toegeven. In de YI bestaat het hexagram “De Geestdrift”, nummer 16. Samengevat spreekt dit hexagram in hoofdzaak over vreugde, dans, feest, muziek, de weg van de minste weerstand. Als beide krachten, die van de geest en die van de drift, elkaar vinden en zich verenigen, ontstaat er een feestroes. Ik stel vast dat dit proces een natuurlijk proces is, waartegen menigeen zich wil verzetten uit angst of onzekerheid. Aanvankelijk poogt men beide krachten uit elkaar te trekken. Men vermoedt een machtsstrijd en men stelt dat beide niet kunnen samengaan. Het is precies de psychologie die heeft aangetoond dat op het eerste zicht tegengestelde emoties en krachten zich vaak wel tegelijk kunnen manifesteren. Doordat men rationele elementen gaat onderscheiden en onttrekken aan driftmatige tendensen, ontstaat de kans op een omkering, en kunnen beide elementen naar elkaar toeklappen of kunnen zij in elkaar overgaan, of samen nieuwe inspiratie teweegbrengen.

Zoals sterren gezogen worden naar een midden, naar een zwart gat, zo dwalen al mijn ervaringen richting “duistere nacht van de ziel” en brengen psychische vertwijfeling met zich mee. Al mijn belevenissen komen samen in een smalle overgang, in een bardo-toestand waarbij mijn psychische natuur mij dwingt tot wedergeboorte. Ik moet oude overtuigingen en levenspatronen laten varen om plaats te maken voor verwondering en vernieuwing. Geluk en tragedie smelten samen, zonder dat ik er veel voor doe. Ik groei, of ik wil of niet. Verzet daartegen maakt me ziek en depressief, niet de groei zelf. Ik moet niet veel doen, maar eerder veel laten van doen. Als ik mij in gedachten en gevoelens verzet, dan is zelfs het verzet een onderdeel van de groei. Een stap terug doen is ook groei. Ik ben de zandloper en elke korrel is een ervaring en alle ervaringen moeten om één of andere reden door de nauwe schacht, tot op een andere niveau. Het zand lijkt niet alleen van boven naar onder, als gevolg van gravitatie, te gaan, maar ook van onder naar boven, ten gevolge van transcendentie. Het land waarnaar ik reis is nergens, gaat alle kanten uit. Soms loopt het uit op onder, soms op boven. Elke crisis is dan een kans. Ook stilstand is crisis, want wat leeft, houdt niet stil. Elke trede naar boven lijkt achteraf ook op een zoektocht diep beneden en elke stap naar binnen, naar onder, is een progressie naar boven gericht. Boven is onder en onder is boven. Geest is drift en drift is geest. Het onbewuste heeft bewustzijn en het bewuste is onbewust. Er is een wisselwerking. Het is ikzelf die dartel in het leven en het leven dartelt in mij, en ook zonder mij is er leven, maar zonder leven is er geen mij. Een meer bevat een hoeveelheid water, terwijl regen als aggregatietoestand gewoon een onbeperkte hoeveelheid water is. Het libido (chi) dat ik in mij heb is een beperkt libido, maar ik kan putten uit de oerbron van libido, uit het leven zelf. Als ik denk dat ik als individu het leven zelf ben, dan vergis ik mij ergerlijk. Ik ben het leven en ik ben het leven niet. Ik heb mijn unieke plaats in het geheel. Ik heb mijn taak, mijn opdracht, in mij gebracht bij de perceptie, en of ik nu wil of niet, ik vervul mijzelf. Dat is de wet van de entelechie. Geen enkel meer is hetzelfde, zoals geen enkel individu dezelfde is. Ik ben authentiek mezelf. In mijn beperktheid vind ik mezelf en in mijn onbeperktheid vind ik ieder ander. Ik moet geen enkele autoriteit aanvaarden en ik moet niemand navolgen. Ik moet dagdagelijks uiting geven van mezelf en elke daad is een zelfverwerkelijking. En toch moet ik niets. Alles is. Woorden zijn geen werkelijkheid. Ik heb gemerkt dat, als ik de gebeurtenissen in de wereld een plaats wil geven, ik afhankelijk ben van een model. De YI is een zoveelste model naast alle andere modellen. Ik kan dit niet negeren. Ik stel alleen vast dat het model zeer volledig is en elke levenssituatie kan uitbeelden. Ik zie ook dat een concept de denkgeest stimuleert. Het gevaar bestaat erin dat ik over het leven denk, in plaats dat ik het leven leef.

Er moet een soort innerlijk bevattingsvermogen aanwezig zijn in de mens om de YI te begrijpen. De raadpleger moet in contact staan met het tau of tao, met het Ene, met de Totaliteit. In mijn woordgebruik: met HET. Dat betekent dat in mij richt op een andere wereld, de niet-zichbare kant van het leven, en dat ik HET erken. Hoe kan ik richtlijnen van de andere kant ontvangen, als ik geen (h)erkenning geef, als de andere kant voor mij niet bestaat? Ik moet eerst bestaan erkennen voordat HET bestaat.
De YI maakt geen keuzes in mijn plaats. Ik kan mijn verantwoordelijkheid niet afschuiven. De YI stuurt aan op zelfstandigheid, onafhankelijk van twijfel, hoop en angst. De YI leert mij te vertrouwen op de Oerbron, op HET.
In de oosterse wereld is “goed” datgene wat in evenwicht is of iets wat evenwicht helpt tot stand brengen. “Slecht” is dan datgene wat evenwicht verstoort. Als ik de honger in de wereld help oplossen, denk ik misschien dat ik iets goed ga doen. In morele zin is dat ook wel waar. Ik denk dat iedereen best daar een steentje toe bijdraagt. In spirituele zin verandert er echter niets aan het geheel, aan de Totaliteit. Ik denk dat, als er een wereldziel bestaat, het ondraaglijk is om een uiterste te handgaven. Totaliteit is altijd “goed”, dus in “evenwicht”. Waar iemand lijden aan het leven toevoegt, daar zal iemand anders vreugde ontvangen. Lijden toevoegen kan dwingend zijn. Net als het toevoegen van geluk. Wie vreugde bevordert, is mede oorzaak dat ergens anders lijden ontstaat. Dat vind ik een bedroevende en fatalistische gedachte. Ik vind het vreemd dat ik zo denk, maar zo is het nu eenmaal. Neig ik naar onverschilligheid, omdat ik zelf alles heb? Ik wil niet op die manier denken. Toch denk ik dat ik aan de buitenwereld niets heb toe te voegen of heb af te nemen. Ik heb geen macht over de dingen buiten mezelf. Als ik de honger in de wereld wil bestrijden, zal ik eerst mijn eigen voedselgewoontes moeten veranderen! Mijn macht en invloed strekken zich in de eerste plaats in de richting van mijn eigen gedrag. De YI spreekt dan van “de legers tegen zichzelf laten oprukken”. Ik heb het dus niet over narcisme en egoïsme. Doordat ik mezelf verander, verander ik de wereld. Natuurlijk zal ik liefdadigheid steunen en hongerige mensen helpen voeden. Ik weet alleen dat liefdadigheid structureel niets verandert. De grilligheid van de wereld toont mij dat wat nu mode is, morgen passé is en wat nu verouderd lijkt, morgen modern is. Zo is het ook met meningen over goed en kwaad. We proberen vaak iets anders te veranderen dan onszelf. Dat is iets wat ik wil vermijden. Ik wil ook wel orde aanbrengen in de buitenwereld. Maar ik kan onmogelijk de wereld in orde brengen als ik niet zelf in orde ben. De YI is een sterk middel om mezelf op orde te brengen.

FOTO 2 - Een vrouw. Grote donkere ogen. Haar vale gezicht is sterk in contrast met de donkere achtergrond van de foto. Ze houdt een sigaret vast. Ze heeft mooie handen. Kijkt ze bang? Gelaten. Ze lijkt me een vraag te stellen. De rimpels in haar voorhoofd doen mij vermoeden dat de vrouw bezorgd is. Gedachten dwalen in haar hoofd als merels op het grasperk in de tuin. Zij heet Etty Hillesum. Zij stierf in Auschwitz in 1943. De foto staat op de voorkaft van haar dagboek “het verstoorde leven”. Ik citeer: “Ik vind het leven mooi en ik voel me vrij. Ik geloof aan God en ik geloof aan de mensen en ik durf het langzamerhand eerlijk te zeggen zonder valse schaamte. Het leven is moeilijk, maar dat is niet erg. Men moet beginnen zijn ernst ernstig te nemen en de rest komt vanzelf. En “werken aan zichzelf” is heus geen ziekelijk individualisme. En een vrede kan alleen een echte vrede worden later, wanneer eerst ieder individu in zichzelf vrede sticht en haat tegen medemensen, van wat voor ras of volk ook, uitroeit en overwint en verandert in iets, dat geen haat meer is, misschien op den duur wel liefde, of is dat misschien wat teveel geëist? Toch is het de enige oplossing…” en nog “De ene keer is het een Hitler en de andere keer voor mijn part Ivan de Verschrikkelijke, en de ene eeuw is het de inquisitie en een andere keer oorlogen, of de pest en aardbevingen en hongersnood. Het gaat er in laatste instantie om, hoe men het lijden, dat toch essentieel aan dit leven is draagt en verdraagt en verwerkt en dat men een stukje van z'n ziel ongeschonden bewaren kan door alles heen…” of “Men moet met zichzelf leven als leefde men met een heel volk van mensen. En in zichzelf leert men alle goede en kwade eigenschappen van de mensheid kennen. En men moet zichzelf eerst z'n slechte eigenschappen leren vergeven, wil men anderen kunnen vergeven. Dat is misschien nog het moeilijkste te leren voor een mens, ik constateer het zo dikwijls bij anderen (vroeger ook bij mezelf, nu niet meer): het zichzelf vergiffenis schenken voor fouten en misstappen. Waartoe allereerst behoort: het kunnen aanvaarden, grootmoedig aanvaarden, dat men fouten maakt en misstappen begaat. Ik wil wel graag leven als de leliën des velds. Als men deze tijd goed begreep, zou men het van haar kunnen leren: te leven als een lelie des velds.”


Ommekeer

Soms blijkt tellen een terugtellen te zijn, terug naar de eenheid, terug naar af, terug naar de oorsprong, naar HET. Daarom is verleden toekomst en is toekomst het verleden.
De volgende reeks toont dit mooi aan:

1=1
2=1+2=3
3=1+2+3=6
4=1+2+3+4=10=1+0=1
5=1+2+3+4+5=15=1+5=6
6=1+2+3+4+5+6=21=2+1=3
7=1+2+3+4+5+6+7=28=2+8=10=1+0=1

Samengebracht zie ik een patroon dat zich als volgt vertoont: 1 - 3 - 6 - 1 - 6 - 3 -1 . De eenheid (1) situeert zich zowel in het midden, als er om heen, dus zowel Omtrek als Middelpunt. De Chinezen plaatsten de tijd altijd in het middel. De tijdsgebeurtenissen voltrokken zich wel volgens oorzaak en gevolg, van vroeger naar later, maar de achterliggende tijd (de eeuwige tijd) kenden zij ook. Een tijdsmoment staat dan centraal en eromheen cirkelen diverse gebeurtenissen die met elkaar in verband staan. Dit noemde Jung “synchroniciteit”, waarmee hij aangaf dat schijnbaar toevallige gebeurtenissen een subjectieve zinvolheid met zich meedragen. Syncroniciteit is het betekenisvolle toeval waarop de werking van de I Tjing stoelt. Het betekent in velden denken, in tijdsvelden, en de Chinese cultuur heeft die veel verder ontwikkeld dan om het even welke andere cultuur. Zij stelden zich de vraag waarom bepaalde gebeurtenissen altijd de neiging hebben om samen en gelijktijdig op te treden. De YI beschrijft gegroepeerde complexen van gebeurtenissen dat op een bepaald moment in de tijd plaatsvindt, en toont de patronen die erdoor zichtbaar worden. Daarvoor hebben zij twee volgordes van de trigrammen ontwikkeld waarmee zij de tijdloze tijd of eindeloze tijd of eeuwige tijd (de volgorde van Fu Hsi of ook wel de Ho tou genaamd) uitbeelden en één die de cyclische of wereldlijke tijd (een volgorde die causaal verloopt, de volgorde van Koning Wen of de Lo Shu) weergeeft. Beide tijdsstructuren staan niet los van elkaar. De cyclische kloktijd speelt zich af tegen de achtergrond van de eeuwige tijd. Beide staan in contact met elkaar en wanneer er een klik is tussen beide ontstaat er een synchronistische gebeurtenis, een zinvolle coïncidentie. De ordeningen van het universum onthullen ook in het westen alsmaar meer hun geheimen, waar zij tot dezelfde conclusies komen. Een oppervlakkig bewustzijn bevindt zich in hoofdzaak in de cyclische tijd en heeft geen weet van een ander soort tijd. Let wel, synchronistische voorvallen zijn uniek, komen sporadisch voor en zijn onvoorspelbaar. Gebeurtenissen die regelmatig voorkomen zijn wel voorspelbaar, bijvoorbeeld het opkomen en ondergaan van de zon.

De YI geeft bepaalde belangrijke natuurwetten weer. De “wet van de minste weerstand” is een voorbeeld daarvan (hexagram 16 bijv.) Een andere natuurwet die kenmerkend is voor het hele boek der veranderingen, en die Heraclitus benoemde als de wet van “eniantiodromie”, een moeilijk woord voor een eenvoudig gebeuren: elk uiterste slaat om in zijn tegendeel. Een hexagram is een weergave van een tijdsveld waarin zich gebeurtenissen afspelen. In de tijd van het hexagram zijn zes stappen te onderscheiden, de zes lijnen. Na zes fasen komt dan een omslag, een zevende trede, dat een ommekeer of een fundamentele verandering moet aangeven. Dit “heilig” getal zeven symboliseert een keerpunt als gevolg van de wet van eniantiodromie. Ook als, in een bepaalde situatie, een teveel aan yangenergie of aan yinenergie aanwezig is, zal deze omslaan in een tegendeel. Net als in de alchemie (sol en luna) verwijzen de orakels in de Yi soms naar de omloop van de zon en de maan. “Wees als de zon op het middaguur!” staat in hexagram 55, De Volheid. Carpe diem! Want na het middaguur daalt de zon weer naar de einder. In hexagram 61, De Innerlijke Waarheid, bij de vierde lijn: “De maan, die als volle maan recht tegenover de zon gaat staan, begint meteen weer af te nemen”. Daarmee bevinden wij ons helemaal in het tijdsverloop dat algemeen is aanvaard en waarnaar wij ons dagelijks leven inrichten.

In de alchemie volgt na de stolling (congelatio), als innerlijke inzichten in het onbewuste een plaats krijgen in het dagelijks handelen, een nieuwe fase. De opstijging of de “sublimatio” is een doorbraak na een langdurig groeiproces. Het is de transmutatie, waarbij symbolisch het lood verandert in zilver en/of goud. Psychologisch verandert het ik in het Zelf. Ik ga het dagdagelijks leven op een andere manier bekijken. In de zenfilosofie spreekt men van het verhaal van de ossehoeder. Het eindresultaat is hetzelfde als de situatie bij aanvang, maar nu is er een andere kijk op de dingen. Ik eet als ik eet; ik slaap als ik slaap, ik draag water en ik hak hout; ik doe de dingen net zoals ik ze vroeger deed, en wat moet, dat moet, maar het bewustzijn bij al deze handelingen is anders. Door het vinden van de kern, het vinden van de rots, de steen, is er een onwrikbare zekerheid die niets meer te zien heeft met alleen maar ikgerichtheid.
In mijn levensweg lopen al de stappen van het proces van groei door elkaar. Bij elke nieuwe levenssituatie moet ik de hele weg opnieuw afleggen. In feite is er maar de Weg zelf. En de kern is niet te vinden in kerken, meditatiehallen, synagogen, tempels, in woorden van filosofen, bij mystici of wetenschappers. De gezochte is alleen te vinden in de zoeker. Alles wat daartussen ligt is tijd en tijd is zonder de navelstreng met eeuwige tijd, een illusie. Ik sta er telkens zèlf voor. Ik moet het zelf uitzoeken en jij ook. Niemand kan mij geven wat ik zoek. De paus niet, de dalai lama niet, de YI niet.
Het specifieke aan de opstijging is de expressie. Door het pogen het “ik” los te laten, kan ik het “Zelf” vorm geven. Expressie voorkomt depressie. Er komen zoveel zaken op mij af, zoveel diversiteit en culturaliteit, dat het vaak te veel voor me wordt. Ik ben zo moe. Als ik de impressies niet kan omzetten in expressie, dan dreigt, door compressie (stress), de depressie. In het hexagram 47, De Benauwenis of De Uitputting, is sprake van een dergelijke toestand. In het middelste boek gaat men uitgebreider op dit hexagram in en Wilhelm schrijft daar: “Het gevormde karakter wordt nu binnen het veld van de beproeving geleid. Moeilijkheden en belemmeringen doen zich voor, die overwonnen moeten, doch dikwijls niet overwonnen kunnen worden. Hier ziet de mens zich voor grenzen gesteld, die hij niet uit de weg kan ruimen, en die hij alleen kan overwinnen door ze te nemen voor wat zij zijn. Als men leert, de dingen te aanvaarden, die als noodlot aanvaard moeten worden, verleert men het onaangename te haten -want welk nut zou het hebben zich tegen het noodlot te verzetten?- en door de beteugeling van zijn wrok loutert men zijn karakter tot een hoger niveau.” Ik vind de tekst erg verhelderend. Als ik “het noodlot” verander door “HET”, namelijk als de dingen die gewoon zijn wat ze zijn, dan gaat het er hier om dat ik besluit om mij niet meer tegen HET te verzetten. Als het verzet wel aanhoudt, dan put ik mij gaandeweg uit. Sommigen ervaren de trieste radeloosheid en doen een poging om zichzelf van kant te maken. Als ik een interview daarover lees, valt het met telkens op dat die mensen niet willen sterven, maar dat zij een “ander” leven willen. Zij kunnen er niet toe komen HET te aanvaarden. En soms is HET inderdaad gruwelijk, pijnlijk, smerig. Maar wat telt is niet het gruwelijke, pijnlijke en smerige, maar diegene die dat ervaart. Wat is een individu? Wat is ik? Er bestaan veel definities van wat een “ik” is. Wat mij opvalt is dat het ik op een gegeven moment de materiële, esthetische, empirische ervaringen niet meer leuk vind. Ze vervelen mij naderhand. Ze geven een ervaring van zinloosheid. Het “ik” wil meer, hoger, boven het ik uit, vernieuwd worden. Het “ik” wil dus transcendentie en het “ik” vindt dat niet in ik.
Ik ben lange tijd puber gebleven. De wereld moest worden wat ik wilde dat die zou zijn. Alle dictators zijn zo blijven denken. Ik ben een perfecte potentaat.
Fundamenteel geloof ik dat alle uitputting en alle depressieve neigingen kunnen omslaan in kracht. Ook dat is eniantiodromie. Een waterput is een Bron waaruit eenieder kan putten. Ik geloof dat het mogelijk is om in een “staat van meditatie” te leven, dag in dag uit, maar dan wel “meditatie” in de betekenis van “leegmaken van een ingesteldheid van ik-activiteit”.
De bedoeling van groei is dat het resultaat ervan waarneembaar is in de dagelijkse activiteiten. Ik geloof daar sterk in. Ik geloof dat de YI een machtig hulpmiddel is om groei dagelijks te stimuleren én toe te passen. Is het psychische groei? Voor een deel wel, ja? Het doel van de psyche is een brug te slaan tussen ratio en eros, tussen denken en lichaam.

Emily Dickinson, een legendarische Amerikaanse dichteres-kluizenares, die wel wat depressieve kenmerken vertoonde, streef in haar gedicht “The Mind lives on the Heart”:

De Geest leeft op het Hart
Als elke Parasiet-
En als het Vlezig is
Vreet Geest zich vet.

Maar als het opgeeft, wordt
De Geest vel over bot-
Hij leunt zo absoluut
Op wat hem Voedt.

Ik ben geraakt. Ik heb HET nodig en HET heeft mij nodig. HET schept mij en ik schep HET. Mijn heldentocht brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee. Ik kan mij op een gegeven moment niet meer “van den domme gebaren”. Ik weet wat ik weet en men zal het geweten hebben, want ik ben Schepper en Geschapene.

De YI verandert niets aan de werkelijkheid zelf. Ik kan de realiteit, zoals die zich in mijn leven vertoont, beter begrijpen en misschien kan ik er daardoor beter mee omgaan? Ik kan het moeilijk hebben met een sterfgeval of met geldverlies. De YI verandert niets aan het gemis of aan schaarste, maar ik kijk er nu anders tegenaan, omdat het boek mij wijst op kiemen en op gevolgen van een situatie die ik, in een eerste emotionele opwelling, niet kan of wil zien. Ik verlies mij niet meer in een ander, niet meer in herinneringen, verdriet, hoop en wanhoop, maar het moment zelf is genade. Het is niet zo dat ik mij bij alle tegenslagen zomaar neerleg! De YI zet mij juist aan tot bewegen, tot het aannemen van een andere houding. Ik neem dan projecties terug, want wat ik niet van mezelf zie of erken, dat projecteer ik op iets of iemand in de buitenwereld. Ik stap van een bepaald geconditioneerd gedrag af, en vele vooronderstellingen, meningen, moraliteit, is verdwenen. De YI geeft mij de kracht en het vertrouwen om naar de dingen te kijken “zoals ze nu eenmaal zijn”, zonder zelfbedrog. Of is dat mezelf bedriegen dat ik doe?

De meeste mensen die ik tegen kom en voor het eerst horen van I Tjing, hebben de grootste weerstand tegen het feit dat het toeval centraal staat in de raadpleging van de YI. Je ziet het aan hun gezicht. Een spottende trek, een lichaamstaal die lijkt te zeggen: “mij maakt u niets wijs, ik weet wel beter”. Dat stemt me droevig. Zij zijn de grootste tegenstander van zichzelf. Zij leggen zelf de dam, de barricade van verweer, tegen god, tegen HET. Als ik niet droevig ben, dan moet ik soms ook lachen. Het hangt er van af.

Ik ga er algemeen van uit dat wie de YI raadpleegt, dit doet met een bepaald doel. De persoon in kwestie zit in nesten. Ik pieker bijvoorbeeld over een bepaald probleem. Ik heb een vraag waar ik geen antwoord op weet. Ik heb nood aan advies bij onzekerheden die het gevolg zijn van veranderingen in mijn leven. In feite wens ik mijn onbewuste te raadplegen. Een bede is een vraag. Een vraag stellen is een “bede doen”, een gebed. Ik kan zomaar bidden voor de wereldvrede, maar ook dat is een vraag; namelijk een vraag om vrede. Vragen stellen is heel belangrijk. Ik vraag mij natuurlijk wel af of het zinvol is om te bidden? In onze cultuur bidden mensen tot een alwetende goede vader God, die een Groots Plan met de mensen en met de wereld voor ogen heeft. Aangezien de godheid alwetend is en zelf alles plant, dan rijst de vraag naar de zinvolheid van het bidden? Alles is reeds! Maar ik geloof dat wij niet voor de godheid bidden, maar voor onszelf. We hebben een wens, een verlangen, een angst. We hebben een drang naar weten, naar zekerheid en veiligheid. Voor het bewuste “ik” is bidden zinvol. Als ik bid, geef ik aan dat ik niet heer en meester ben over mijn leven. Dat is erg waardevol. Door het bidden, plaats ik mijn noden op een rijtje, van erg belangrijk naar minder belangrijk. Dat maakt orde in de verwarringen die mijn hoofd en hart troebel maken. Vervolgens erken ik “de Heer” of “de Vrouwe”. In feite erken ik op die manier, psychologische gezien, het bestaan van het onbewuste, namelijk van het Onkenbare Mysterieuze, iets waar ik mij logisch gezien niet bewust van ben, aangezien het onkenbaar is. Ik erken daarmee ook de Totaliteit. Ik erken HET. Ik doe dat door een vraag te stellen. Er valt niets te vragen aan God. Moet Hij zijn Grote Plan aanpassen aan mijn wil, aan mijn verlangens, mijn kortzichtigheid, mijn lijden en mijn pijn? Ik vind dat getuigen van titanische hoogmoed. Ik belast God daar niet mee. Niet mijn wil!

Het komt er in feite op neer dat filosofie toegepast wordt. Zoniet, dan heb ik te maken met luchtkastelen, omdat er niets concreet is. De stolling (congelatio) is dus de verwerkelijking. De Alchemist wordt op oude prenten uitgebeeld als een denker (filosoof) die zijn introspectieve ontdekkingen vastlegt in de materie, waarbij een kubusvormige steen naast hem ligt. Deze houdt twee vogels, symbool voort het geestelijke en vluchtige, vast. Het beeld doet mij denken aan Myrddin (Merlijn), de magiër in de Arthurverhalen, die in een ijsklomp gevangen gehouden wordt. De filosofische leer moet vorm krijgen in het gewone leven. Dat is de kern van de YI. Ook al begrijp ik geen jota van het boek, als ik de leer van de verandering in het leven kan toepassen, en daardoor een zin, levensvreugde en tevredenheid vindt, dan is het grote werk geslaagd.
Ik moet altijd opnieuw het werk herhalen, dat is essentieel. De herhaling maakt de stolling, de inplanting, mogelijk. Ik heb jarenlang dagelijks de YI als vriend gehad. Na verloop van tijd valt de raadpleging gaandeweg stil. Als ik YI ben, is er geen YI, geen boek, meer. Ik handel en dat is toepassing. Soms lukt het me vanzelf, soms niet. Daarom blijf ik herhalen, steeds weer herhalen. Door de herhaling kom ik tot bij de kern, de kern van mezelf, de kern van mijn leven, de kern van mijn taak, de kern van alles. Door het herhalen verstevigt de kern en deze wordt een innerlijke rots, een lapis of steen, een innerlijke kracht waartegen alle uiterlijke tegenslagen afketsen. Hoe zou ik ontevreden kunnen zijn?

Zeven dagen telt een week. Zeven kleuren heeft het spectrum, zeven noten de muziekbalk. Alles resoneert in de tijd, in kleur en klank met elkaar, als Gods mysterieuze schepping. De zevende dag is de dag van God, de Sabbath, de rustdag. Het getal zeven geeft weer dat de hogere machten ingrijpen. Net als de vijf, die omtrek en middelpunt is in de quaterniteit van de cirkel, is zeven dat ook, maar nu in de twee tegenovergestelde driehoeken, en als actieve kracht van de goddelijke ingreep, als voorzienigheid, als genade, als synchroniciteit. De materie manifesteert zich dan als psyche, als be-zieling, en de psychische projectie gedraagt zich als vermaterialiseerde werkelijkheid. De coniuntio in een hoger octaaf, in hogere sferen, zet zich in, en er gebeurt een omkering, hemel is aarde geworden en aarde hemel, en in één kortdurend tijdsmoment is het subject in zijn beleving, object van HET geworden, en het objectieve HET daalt neer in het subject. In principe is de wereld van de normale tijd en die van de a-causale ode, die buiten de tijd staat, onverenigbaar, maar de twee systemen komen samen in een “gat”, in een Midden, wat betekent in een nergens, een lege ruimte, in een “niets”, in het centrum van alles. Een moment van synchroniciteit is een ontsnappingsmoment, een raam op de eeuwigheid (spiraculum aeternitatis), een brug tussen het persoonlijke onbewuste en het collectieve onbewuste, waarbij het ontijdelijke eeuwige binnenwaait in het relatieve cyclische tijdsgebeuren. De werkelijkheid is voor mij datgene waar ik mij bewust van ben. Ik maak voor mezelf een beeld van de werkelijkheid, een model , waarin ik mij beweeg, maar dat mij ook gevangen houdt. De ervaring met mijn diepste zelf, met HET, vernietigt de kooi, de kerker van de bewuste realiteit en bevrijdt mij van een eenzijdig concept van de werkelijkheid. Ik ben dankbaar voor elk moment van synchroniciteit, net als bij het ontvangen van een antwoord van de I Tjing, dat zo'n moment is, want uit die momenten, uit het gat, uit de leegte, komt mijn schepping voort, en schep ikzelf verder (creatio continua) aan een andere, nieuwe, wereld.
“Wat heeft de natuur nodig te doen,” als alles gedaan wordt? En als het inzicht van mededogen de mens omkeert van Hard naar Hart, wat is dan de Blijde Boodschap anders dan dat wij gedragen worden en dat daardoor het eigen gedrag niet anders kan zijn dan te verdragen? Is dat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde? “Gelijk de zee onuitputtelijke diepte vertoont, zo is ook de edele onuitputtelijk in zijn bereidwilligheid de mensen te onderrichten; en gelijk de aarde onbegrensd alle schepselen draagt en verzorgt, zo verdraagt de edele de mensen en zorgt hij voor hen, zonder door grenzen van welke aard ook enig deel van de mensheid uit te sluiten” (hexagram 19).

Wat nodig is? Totale eerlijkheid, totale observatie, loepzuiver kijken naar “de dingen zoals ze zijn, zonder illusies en zelfbedrog” (hexagram 5, Het Wachten). Daar ben ik de rest van mijn leven mee zoet. Als ik zelf schepper wil zijn, moet ik mij ontdoen van alle waanideeën en meningen van mijn persoonlijkheid, van het complex aan voorstellingen die ik van een “ik” heb. De innerlijke waarheid over mezelf is niet een blijvende eenduidige waarheid, maar één die elke dag werkelijkheid is naargelang ik een handeling stel of niet stel. Mijn ergste neurotische lijden zijn de remmingen en de complexen in mezelf. Als ik volledig oprecht de waarheid ervan onder ogen zie, dan is alle zielspijn draaglijker, want zij heeft dan betekenis in een groter geheel, en ik laat de pijn als pijn, laat ideeën er omtrent los, als offerande aan HET, en zo ontsnap ik aan haar destructieve macht. Het leven is een eerlijk spel als ik het eerlijk speel.

Zo lang er levende wezens lijden,
Laat ook ik blijven
Om het lijden van de wereld te verdrijven.

Ook al kan het niet en is het onmogelijk, er staat mij niets anders voor ogen dan dat te doen, want intentie is de kracht van het bewustzijn, waartoe de mens, in tegenstelling met al het andere bestaande, in staat is, en door de intenties van mensen is er vrijheid en door de vrijheid is er schepping. Als intentie is, is er hulp van de tijdloze tijd. Zij zenden de mysteries in de vorm van niet te vatten wetten; de wet van synchroniciteit (het betekenisvolle toeval), de wet van entelechie (het in-zich-zelf geschapen doel), de wet van eniantiodromie (elk hoogtepunt slaat om in zijn tegendeel) en de wet van resonantie (elk volgt het hem verwante).

Lood is goud geworden.

Tijd is denken. In meditatie probeer ik het denken stil te leggen, maar kan dat wel? Als denken alleen maar bewegen is, hoe kan ik beweging stilhouden? Als het stil is, is denken geen denken meer. Ik kan beter de Tijd laten, het denken laten denken zijn, en mij richten op het geheel “sub specae aternitatis”, in het licht van eeuwigheid.

Wat is YI? Een vreemd boek dat antwoord geeft op vragen over natuur, wereld en mens. “Men ziet op de bodem van de ziel (psyche) het Goddelijk-Ene. In het teken Terugkeer ziet men de ZIN van hemel en aarde. Het is weliswaar nog slechts in de kiem aanwezig, niet meer dan een begin, een mogelijkheid, maar wel onderscheiden. Dit Ene onderkennen, betekent zichzelf onderkennen in zijn verhouding tot de kosmische krachten. Want dit Ene is de omhoogstijgende kracht van het leven in de natuur en in de mensen”. (Hexagram 24, De Terugkeer). Dit Ene is voor mij de Bron die Alles is, dus HET. HET te onderkennen is het Zelf onderkennen. De YI dient ter bevordering van de zelfkennis (gnosis). Als ik weet dat HET onbegrensde het wezenlijke is, richt ik mij niet meer op wat niet van essentieel belang is.

Ik moet u niets vertellen, behalve dat ik een tevreden mens ben, en dat ik weet dat velen onder u dat niet zijn. U kan veranderen! Iedereen kan veranderen! U kunt het! U kunt het! De goddelijke Adem, de Pneuma, Prana, Chi, Kundalini, Libido, Geest, zal u bijstaan en leiden naar het ingeschapen doel van uw bestaan. Zij is de Parakleet, de Grote Trooster in moeilijke dagen, die vloeit en stroomt door alle leven heen.

Olof is een Nederlander die langer dan tien jaar in Zuid-Amerika heeft gewoond en er de gebruiken en religie aanleerde van de plaatselijke bevolking. Hij had het erover dat hij niet werkte, maar dat “zij” werkten voor hem. Dat is juist gezien. Op een bepaald moment kom je bij zeven. De “Engelenscharen” doen het werk en ik laat mij meedeinen op hun ritme. Het enige wat ik moet, is niet-moeten. Bij HET ben ik in de oorsprong. Wij komen uit HET en gaan terug naar HET, maar in feite is ook de periode tussenin een verblijf in HET. In feite is oorsprong altijd. In de oorsprong ben ik voortdurend in verandering en ben ik tevreden. Als ik mij van de oorsprong niet bewust ben, verlies ik de kracht van de verandering en van de tevredenheid. Onschuld betekent oorsprong. Onschuld betekent gemakkelijk veranderen en eenvoudig tevreden zijn. Toch ben ik gekruisigd op het moment dat ik geboren ben: ik hang tussen orde en chaos, tussen dit en dat, want dualiteit is kruisiging. Zo heeft iedereen zijn passieverhaal dat het lijden bestaansrecht geeft. Als ik naar de oorsprong en de onschuld terugkeer door een ommekeer, dan ben ik wat ik altijd al geweest ben: vol betekenis, vrij, één en gegrond. Omkeren betekent terugkeren naar verandering en tevredenheid. Het denken stimuleert onderscheiding, conflict en lijden, want denken IS dualiteit; het verdeelt het ene in het andere, dit in dat, maar in oorsprong is een toestand altijd “ne-ti, ne-ti”, “niet zus, niet zo”, “niet dit, niet dat”! In oorsprong is alles HET. Slechts door HET kan “men zonder haast ijlen en zonder lopen, het doel bereiken”.

En de Zin van dit alles is precies vrij te zijn van een doel, want het doel is in zich-zelf. Daarom is de Zin voor mij HET zelf, dus ook elke handeling die ik doe en elke betekenis die ik aan Iets of aan Niets geef. Want mijn natuur is de cultuur die ik produceer en reproduceer. Dat is mijn scheppende houding in de wereld; onversaagd en blijmoedig. Zo is HET zowel oorzaak en basis, als gevolg en vrucht.

Dit concept is slechts concept, uit het denken ontstaan, waarmee het “ik” zich van zichzelf kan bevrijden door reflectie, wat louterend werkt en een katharsis met zich meebrengt door het dagelijks experiment van kijken, dus van aandacht, wat meditatie is, en wat betekent dat ik HET doe in HET, in Stilte, in Orde, in Liefde!

Inshallah! Inshallah! Inshallah!


De Oneindige Tijd

De godheid heeft een dubbele aard. HET heeft licht en schaduw in zich. De nul waar alles uit voortkomt en waar alles weer in verdwijnt is tegelijk de Eenheid (1) die het volle en ledige in zich heeft. Het toont ons de ruimte aan, die nergens is, maar waarin alles zich afspeelt. Vervolgens is de vier ook een eenheid, maar als vierkant, die de materiële werkelijkheid weergeeft als reproductie van de “nietsheid”, van het onzichtbare-lege, van de eerste eenheid. De zeven, het goddelijk getal, is voor de derde maal een eenheid, die de goddelijke (grote) geest verbeeldt die ingrijpt in de onzichtbare (eerste eenheid: 1) en in de zichtbare (tweede eenheid: 4) werkelijkheid.

Nu volgt de acht, die de werkelijkheid als totaliteit in zijn twee aspecten symboliseert, maar waar de zeven mij aangeeft dàt de Geestkracht in het leven werkzaam is, toont de acht mij waar zij dat doet, namelijk op het ont-moetings-punt tussen de twee werelden; het eindige en het oneindige, zichtbare en onzichtbare, tijdelijke en eeuwige.

Als ik met de vinger de lijnen van dit teken volg, dan kan ik dat oneindig lang blijven doen. Daarom is de acht een symbool voor de eeuwigheid. Het voorgaande, het feit dat de werkelijkheid twee gezichten heeft, is eeuwig zo geweest en zal dit eeuwig zo blijven, want door dit feit kan de werkelijkheid op zichzelf blijven bestaan, als eenheid, zoals de zon en een autobatterij zichzelf opladen, terwijl zij energie afgeven. Driemaal de acht, 888, is het beeld van HET, dat op de drie velden (hemel, mens, aarde) werkzaam is. Ik noem dit een verborgen wijsheid, een “gnosis”. Als ik het onzichtbare voor even werkelijk aanzie als het fysieke-tastbare, dan zal ik “de dood niet smaken”, dan krijgen mijn persoonlijke ervaringen een andere betekenis. Dit nieuwe besef maakt van mij een andere persoon. Ik ben veranderd.

Waarom is dit inzicht verborgen? Dat is mij niet zo duidelijk? Misschien werd het op een bepaald moment in de geschiedenis niet meer doorgegeven? Als ik goed luister, kan ik in het boeddhisme, christendom, hindoeïsme, islam, sporen terug vinden van deze “gnosis”. Alleen heb ik vaak niet goed opgelet, want ik had wel oren, maar luisterde niet. Ik kon teksten uit de christelijke liturgie aframmelen, maar ik begreep niet wat ik zelf zei, omdat het niet mijn woorden waren, niet mijn eigen ontdekking, maar inhouden die mij werden opgedrongen, van kindsbeen af, die er werden ingestampt, terwijl twijfel of bedenkingen van mijn kant uit in de kiem werden gesmoord, uit vrees voor revolte en verandering. Als ik iets geloof, dan ben ik niet bang voor twijfel en bedenkingen van anderen? Zouden diegenen die mij volgepropt hebben met dogma's, dwaasheden, veralgemeningen en misleidingen, zelf niet geloofd hebben in wat zij predikten, en daardoor datgene wat wèl diepgang inhield, en “gnosis”, hebben verraden?

De acht is kennis van het bestaan van het collectief onbewuste en haar inhouden. Als ik met mijn bewustzijn het contact met het collectief onbewuste ben verloren, gebeuren geen “goddelijke interventies” in mijn leven meer, en ban ik de godheid uit, als onbestaande of veroordelend als “drug voor het volk”, terwijl het collectief onbewuste precies geen waanvoorstelling is, maar de diepste innerlijke werkelijkheid waaruit het bewustzijn is ontstaan, waarop de uiterlijke wereld is gefundeerd en waardoor de wereld van nu er uitziet zoals zij nu is.

Het getal 8 is innerlijk het getal 36 (=1+2+3+4+5+6+7+8). Het licht (bewustzijn) van acht is verborgen, zoals in het hexagram 36 van de YI, De verduistering van het licht, dat er als volgt uitziet:

Deze kennis ligt verborgen in de aarde. “De verduistering van het licht” is één van de hexagrammen in de YI die verwijzen naar ongeluk, tegenspoed, moeilijke tijden, lijden. Als ik niet besef welk een diep geheim in de acht verscholen zit, dan is dat de oorzaak van veel ellende. Ik zal mij alleen op één soort werkelijkheid richten, de visuele-waarneembare wereld, en al mijn energie zal zich daarin verliezen, met als gevolg dat ik, onbekend dat ik ben met het eeuwige leven, angstig zal vasthouden aan mijn titel, naam, faam, bezit, roem, geliefden, enzovoorts. Deze angst is de antipool van liefde. Aangezien liefde conflict uitsluit, is zij één, dus HET, God. Angst is daartegenover de “killer”, die het beest in mij wakker maakt, die met drift en instinct de wereld wil veroveren, in een “survavel of het fittist”, zodat ik over lijken zal gaan om mijn angst te bezweren. Dit beest is ook “het Beest” waar Johannes over schrijft in de “Apocalyps”, het laatste boek van de bijbel. Het getal 36 heeft dit Beest in zich, want 36=1+2+3+4+5+6+7+8+……+36=666, het getal dat Johannes in Openbaringen 13, vers 18 aan het Beest geeft en die hij omschrijft als de tegenspeler van God. Ik lees “Daardoor kon iemand alleen iets kopen of verkopen als hij dat merkteken droeg, dat wil zeggen: de naam van het beest of het getal dat het symbool van die naam is. Daar is wijsheid voor nodig. Iemand met inzicht kan het geheim van het getal van het beest ontraadselen; met het getal is namelijk een mens bedoeld en het getal is 666”.

Als ik de kennis van 888, een geheime kennis, niet heb, dan kom ik onder de heerschappij van de 666, het Beest. “Het is een mens”. Ik zeg: het is elk mens die zich vastklampt aan het “behoud”, die alleen gericht is op de materiële werkelijkheid. Hij zal iets kunnen kopen of verkopen, omdat hij het merkteken draagt, omdat hij getekend is door de angst, maar hij zal slaaf en nooit vrij kunnen zijn van de dood, nooit kunnen leven in de liefde van HET. In de samenleving zoals die nu functioneert, vooral gericht op empirische kennis, technologie en wetenschap, lijkt het me dat het Beest machtiger is dan ooit, want ik zie wel hoe mensen handel drijven, maar ik zie geen overweldigende tevredenheid, geluk en liefde, en ik zie dat zij die geen of onvoldoende handel (kunnen) drijven, verstoten worden en aan hun lot worden overgelaten. Dat is wat ik zie.

Ik was negen jaar en ik speelde graag voetbal op straat, Zorro in de velden en Tarzan in de bomen, maar Yves had echte zwaarden, uit een kasteel, en in de garage hakten we op elkaar in, met soms pijnlijke kwetsuren als gevolg. Ik denk dat de vader van Yves, na enkele scherpe waarschuwingen, de zwaarden heeft afgepakt en verstopt. We zijn dan maar iets anders gaan doen. Yves en ik deden alsof we gifmengsels en toverdranken konden maken. We zochten, zowel bij hem als bij mij thuis, naar allerhande vloeibare producten en vermengden die met elkaar. Gelukkig zijn hier nooit ongelukken van gekomen, want veelal proefden we ook van onze mengsels. Soms stonken die verschrikkelijk. Al wat vloeibaar is, kwam in aanmerking voor onze experimenten, tot urine toe. Maar goed, Yves is schilder-behanger geworden. Hij maakt ook zelf verven, heb ik mij laten vertellen, want ik heb geen contact meer met hem. Ikzelf hou niet van verven , behangen, bouwen, … . Voor mij is de YI mijn mengvat, en het gif is geneesmiddel geworden, en echte toverformules, want ik en anderen worden er beter van.

De YI is een binair systeem dat de alchemistische structuur van de ziel aangeeft. Ik vertelde al dat er acht trigrammen bestaan en dat zij de basis vormen van de YI. Elk trigram bestaat uit gebroken en ongebroken lijnen. Nu kan ik de trigrammen in een bepaalde volgorde tegenover en naast elkaar plaatsen. De oudste volgorde (van de tijd) is die van de legendarische Keizer Fu Hsi en noemt men de Rangorde van de Vroegere Hemel, of de Voorwereldlijke Volgorde of de ho tou . In het commentaar “De Tien Vleugels” staat over deze volgorde: “Hemel en Aarde bepalen de richting. De krachten van Berg en Meer staan met elkaar in verbinding. Donder en Wind wekken elkander op. Water en Vuur bestrijden elkaar niet. Zo worden de acht trigrammen met elkaar vermengd. De Donder bewerkt de beweging, de Wind bewerkt de oplossing, de Regen (water) bewerkt de bevochtiging, de Zon (Vuur) bewerkt de verwarming, het Stilhouden (Berg) bewerkt de rust, het Blijmoedige (Meer) bewerkt de vreugde, het Scheppende (Hemel) bewerkt de beheersing, het Ontvangende (Aarde) bewerkt de berging”.

Let wel dat het Zuiden voor de Chinezen bovenaan te situeren is, en het Noorden onderaan. De trigrammen verhouden zich hier paarsgewijze. Telkens ik de lijnen van een trigram in hun tegendeel verander, verkrijg ik het trigram dat aan de andere kant van de as is gelegen. De beschrijving toont ook aan dat deze volgorde niet cyclisch verloopt, maar dat de Weg telkens terug door het Midden moet om over te gaan in een andere trigram. De beweging start bij de Donder. Deze elektrisch geladen kracht wekt de zaden van het oude jaar weer tot leven. Zijn tegenhanger, de Wind, lost het winterijs en de koude op. Terug naar het Midden, en dan rechts naar het Water, dat door de bevochtiging zorgt dat iets kan ontkiemen, terwijl het Vuur de nodige warmte daarbij geeft. Water en Vuur bestrijden elkaar hier niet, maar houden elkaar in evenwicht. Nu is er een terugkerende beweging. De Berg houdt het groeiproces tegen, zodat vruchten kunnen uitkomen, ontkiemen, en een oogst kan volgen, waardoor vreugde ontstaat. De grote wet van het bestaan is de Hemel, die alles overspant, en die met de zuurstof dit hele proces mogelijk maakt. De Aarde is, als tegenhanger, de dood, die alles terug in zich bergt, als een moederschoot waar alles, wat er ooit is uit ontstaan., naar terugkeert. Zo is deze Volgorde ook de werking van het collectief onbewuste waarin de belangrijkste archetypen in verhouding tegenover elkaar staan, en een positieve of negatieve uitwerking hebben, afhankelijk of het bewustzijn, met zijn licht van erkenning, open staat voor het ritme van het eeuwige kleine en het eeuwige grote. Telkens passeert een archetype, wanneer het overgaat in een andere, het Midden, dat het archetype van het Zelf is (net als de omtrek), omdat elk archetype in een specifieke relatie staat met dit Zelf. Zo is de Donder de Held die van de Geest van de Wind een boodschap krijgt, waardoor ik mijn zoektocht aanvat en waardoor ik in conflict kom met de wereld. De Anima-kracht, het vrouwelijke instinctieve én zingevende, zorgen voor de nodige energie en voedsel opdat ik kan verder gaan, kan groeien, en waardoor de Animuskant van mezelf, mijn mannelijke verstandelijke kant erdoor versterken, want overal woedt er strijd, en zijn er hindernissen en moeilijkheden die belemmeren en tegenhouden. Daarom leer ik mij aan te passen en draag ik een masker (Persona), om integratie met mijn omgeving, die vreemd is aan mezelf, mogelijk te maken en om de (levens)vreugde van het Meer, onderweg, in interactie te stimuleren. Dit is evenwel niet mogelijk zonder een beeld te hebben van wie ik ben, van het Ego (De Hemel), om mezelf in een juist daglicht te zien, want De Schaduw (de Aarde) van mijn “ik” is een even grote werkelijkheid als zijn lichtkant. Deze Schaduw is -onbewust, ontkend en verdrongen- een bedreiging voor het al dan niet slagen van mijn levensreis. Daarom moet de Schaduw in het bewustzijn worden opgenomen, de dood in het leven, om alle angst uit te bannen, en de duistere kwaadaardige kanten van mijn “ego” op te nemen in het beeld dat ik van mezelf heb. Dan wordt de duisternis een kracht, een medestander, die relativering over mezelf mogelijk maakt, die projecties en overdracht op anderen tegengaat, die ervaringen opbergt, en die mij maakt tot een “man van één stuk”, zodat ik een nieuwe opdracht van “de Geest van de Wind” kan aannemen.

In de volgorde volgens Fu Hsi kan ik de vier kosmische trigrammen zien die passen bij de Yuan Heng Li Chen, waarbij de mens, tussen hemel en aarde in staat en heen en weer slingert tussen Vuur en Water, tussen orde en chaos, inzicht en onwetendheid. De trigrammen Donder en Wind zijn de trigrammen van de beweging, waarbij de donder de snelle, maar kortdurende actie afbeeldt en de Wind de langzamere, maar diep doordringende kracht is, die duurzame beweging met zich mee brengt. De Berg en het Meer zijn de trigrammen van de rust, waarbij de Berg een stevige rust, een meditatieve reflectie, weergeeft en het Meer eerder een vrolijke stemming aantoont die rust brengt tussen mensen, maar vaak niet zo doordringend en stevig is als de rust van een Berg, want één klein briesje kan het oppervlak van het Meer weer doen bewegen, één woord (Meer) kan voldoende zijn om vijandschap of passie teweeg te brengen. Als ik de trigrammen omdraai en op hun kop zet, wordt beweging de rust en de rust de beweging, terwijl de vier trigrammen Hemel, Aarde, Vuur en Water, ook als ik ze omkeer, zichzelf blijven.

Een kenmerk van de YI is dat het alles omvat. Het leuke gevolg daarvan is dat, door de YI te bestuderen, een christen echt christen, een moslim authentieker moslim, een taoïst duidelijker taoïst en een humanist een menselijker humanist wordt. Ik denk niet dat de YI alle voorschriften, dogma's en rituelen van alle leerstellingen bevat. Als ik bijvoorbeeld strikt de regels naleef van het christendom, ben ik helemaal niet wat ik dan beweer te zijn. Voorschriften zijn er voor de mensen en niet omgekeerd. Als in mijn hart geen ommekeer plaatsvindt, van aangezicht tot aangezicht, van mij naar HET gericht, dan is er geen sprake van christelijke naastenliefde of boeddhistisch mededogen, welke voorschriften ik ook volg. Als ik alle voorschriften, dogma's en rituelen weglaat, is er alleen nog YI.

De trigrammen zijn de hoekstenen van de I Tjing. De acht trigrammen wisselen elkaar af, in een soort eeuwigdurend proces. De grondgedachte van de YI is het idee van de verandering. Dat is duidelijk. Een tweede grondgedachte is het principe van de ideeënleer. Ik kan hier verwijzen naar begrippen als “De Idee”, “Das Ding an sich”, “Gestalt”, “archetype”, enz. Confucius schrijft daarover: “alles wat in de zichtbare wereld geschiedt is een uitvloeisel van een beeld, een idee in de onzichtbare wereld”. Dus het aardse is een soort afspiegeling van de onaardse ideeënwereld, waarbij de mens een bemiddelende functie heeft tussen deze twee werelden. Een derde fundament van de YI zijn de oordelen, de woorden die commentaren geven op de orakels. Zij vormen de filosofische gedachtegang die toont op welke wijze handelend kan worden opgetreden. De gevolgen van het handelen brengen heil, onheil, berouw of beschaming. De oordelen stellen de mens in staat tot het nemen van besluiten. Nochtans zijn die oordelen zelden heel helder. Ze lijken eerder op een droom. Als ik droom, droom ik in beelden. Elk hexagram is een beeld. Ik droom niet over abstracte begrippen zoals “de liefde” en “de rechtvaardigheid”. Als ik over de liefde droom, droom ik over een mooie vrouw of ik droom over twee mensen die samen “seksen”. We dromen in beelden over feiten! Beelden zijn ook vaak symbolen. Hexagrammen zijn beelden of symbolen. Een symbool brengt verschillende betekenislagen bijeen in één uitdrukkingsteken. Hexagrammen zijn dergelijke “tekenen”. Een kruisteken kan op verscheidene betekenissen duiden: christendom, lijden, verlossing, passieverhaal, evenwicht, plusteken, optellen, enz. Als ik betekenis samenbreng rond een centraal thema, dan ben ik aan het associëren. Als ik associeer, ben ik creatief bezig met betekenis. Ik geef zin aan de dingen. Het is zingeving. De YI gaat over zingeving. Zo binnen, zo buiten! De archetypen in mezelf zullen zich verwerkelijken in de buitenwereld. Dus als de hexagrammen een weerspiegeling zijn van mijn innerlijke gesteldheid, dan is het ook logisch dat zij mij iets vertellen van wat mij te wachten staat.

Soms, in bepaalde “kleine” momenten, bij gebeurtenissen die op het eerste zicht niet zo bijzonder lijken, kan ik het gevoel hebben dat ik de kern kan behouden, in welke omstandigheid dan ook. Als ik mij zo voel, dan is het of ik straal, als een ster, en mijn ogen zijn dan helder van licht. De alchemistische fase van de “exaltatio” of de verheffing is een gelijkaardig gebeuren. Het wordt merkbaar waar het vele werk heeft toe gediend. Ik leer de hexagrammen, trigrammen, lijnen, en ik herhaal steeds weer, in verschillende periodes en in verschillende omstandigheden, hetzelfde proces van uitzuivering en loutering, en ik associeer met wat de orakels mij vertellen, zodat op lange termijn, zowel voor mezelf als voor mijn omgeving, een verfijnder persoonlijkheid zichtbaar wordt.

In de mythologie vind ik verhalen die naar hetzelfde verwijzen. De held krijgt onmogelijke taken opgelegd. Na hevige inspanningen en met de hulp van toevallig ingrijpende dieren of goden, lukt het de held om de opdracht uitgevoerd te krijgen. Ieder “ik” is zo een held. We leren de condities van onze cultuur aan. We worden geboren, leren klanken, woorden, gedragingen, zindelijkheid, enz. We gaan naar school, halen een diploma, zoeken een baan, kiezen een partner, worden vader of moeder, enz.. Onze eigen ouders sterven, onze eigen kinderen krijgen kinderen, enz.. Zelfs in de best mogelijke omstandigheden blijven dit één voor één moeilijke opdrachten. Meestal verloopt niet alles zo vlot en gemakkelijk. Als wij open staan en leren los te laten, dan krijgen wij onverwachte hulp van de andere kant, van het onbewuste, van Hades of Pluto, van de dimensie van “oneindige tijd”. Het woord “plutoon” betekent schat. Er ligt in het onbewuste een grote schat, een rijkdom verborgen en die kunnen wij ophalen. De YI is een instrument dat rijkdom uit het onbewuste naar boven haalt, zoals met een houten stang het water uit de bron van de waterput naar boven wordt gehaald.

Eerst heb ik kennis van de YI genomen. Kennis is weten, kennen en begrijpen. In de Duitse taal is dat “Begriffen”. “Griffen” is grijpen. We grijpen naar kennis om die te bezitten. Een te veel aan kennis, maakt bezeten, want kennis is nooit nieuw, omdat denken altijd gestoeld is op het verleden, op vergelijken, meten, herinneren. Als het denken niet vernieuwend is, wat dan wel? Naar Mars vliegen om er stenen te plukken en bomen te planten, dat lijkt me gek. En toch is kennis belangrijk voor onze soort. We bouwen er een stevig ego mee uit. De meeste kennis doen wij onbewust op; ademen, eten, praten, enz.. We herinneren ons nog zelden hoe wij kennis hebben opgenomen. Een olifant heeft een dikke huid, een tijger scherpe klauwen en wij hebben het vermogen tot kennis. We temmen de olifant en we vangen de tijger. Je hoeft niet intelligent te zijn om kennis op te doen. We doen het allemaal en we doen het voortdurend. Of iemand méér of minder kennis kan opslaan, dat doet er niet toe. Intelligentie is iets anders. Intelligentie is besef en waarneming. Kennis is vergaren, intelligentie is ervaren. Toen mijn moeder en mijn vader stierven, was ik niets met wat ik uit boeken wist over sterven. Of ik het begrijp of niet, ik ervaar het. Iedereen ervaart het ooit. Hoe wij het onvermijdelijke ervaren, bepaalt de mate van intelligentie. Ook bij de studie van de YI verzamel ik kennis over lijnen, trigrammen, beelden, volgordes, enz.. Maar de YI ervaren, is bezielende intelligentie. Kennis en intelligentie vormen samen mijn visie op het leven, op de maatschappij, op mensbeeld en op godsbeeld. Als ik lange tijd YI-kennis vergaar en YI-intelligentie ervaar, ontstaat bij mij een visie die ik relatief wijs noem en die orde aanbrengt in mijn schijnbaar chaotische wereld. De YI verdedigt overigens de idee van een bestaande kosmische orde. De sterren en planeten volgen een vaste baan. Op aarde is er de afwisseling van dag en nacht, de opeenvolging van de seizoenen enz.. Ook in de mens kan ik vaste patronen onderscheiden. Ik zie hoe een evenwichtstoestand, waar een zekere harmonie heerst, volgens bepaalde wetten, omslaat naar een toestand van chaos en verwarring. Het ordenend systeem van de kosmos doordringt ook de natuur op de aarde en de natuur van de mens. Als nu iedereen zich in overeenstemming met de Grote Orde op een passende plaats bevindt, dus op een plaats die hem toe komt (zijn toekomst), dan is er een soort universele harmonie. Dan is er, in oosterse zin, goedheid! In de natuur is de drang naar ordening frappant. Verwante elementen trekken elkaar aan; tegengestelden stoten elkaar af. Het vurige laait omhoog. Water sijpelt naar beneden. Elk volgt het zijn verwante. Maar toestanden kunnen, behalve door de innerlijke drang naar evenwicht, ook veranderen door toedoen van een kracht van buitenaf. Die kunnen verwarring en wanorde met zich meebrengen. De YI toont ons mogelijkheden, kansen, om evenwicht te herstellen wanneer wij in verwarring zijn gebracht. Aan veranderingen liggen wetten ten grondslag die men vooraf kan berekenen en die men kan kennen. Veranderingen zijn tendensen die zichtbaar worden en overgaan in een andere toestand wanneer ze een bepaald punt hebben bereikt. De YI toont ons de verschillende wetten van de verandering via de verschillende hexagrammen, zodat orde, harmonie, dus goedheid, in stand gehouden kan worden of worden aangemoedigd. Natuurlijk kan er, zoals al gezegd, geen werkelijke blijvende harmonie zijn. Trigrammen wisselen elkaar af en verdringen elkaar doorheen de tijd. Maar tijd is een illusie, en daarom ook de begrippen orde en chaos, goedheid en het slechte. Uiteindelijk is elk einde een nieuw begin. Altijd! De Chinezen hechten veel belang aan het cyclische aspect van de tijd. Ook voor mij is een rechte een cirkel of op zijn minst een kromme. Elke rechte die je trekt op de grond is altijd een kromme lijn, want de aarde is nu eenmaal rond. Het is een optische illusie. Er bestaat ook een psychische illusie die ontstaat door de vele projecties op de buitenwereld. Ik denk misschien dat mijn vriendin boos op mij is, maar blijkt dat, als ik heel eerlijk ben, ikzelf boos ben op een collega of een viend. Maar goed, hier gaat het nu niet om. De tijd van een dag en van een jaar zijn cyclisch. Ze zijn een in-zich-zelf gesloten complex. Behalve de vaste wetten, die intern veranderingen voortbrengen, en behalve veranderingen die ontstaan door manipulatie van buitenaf, zijn er ook nog de periodieke veranderingen in de organische wereld. Het vaste vervormt en wordt week; het weke verandert en wordt vast. Ijs en water, water en ijs. Het gestolde lost op en de oplossing stolt. Materie deint uit tot energie en energie zet zich vast en vermaterialiseert.
Tenslotte bestaan er ook de niet-periodieke veranderingen. Het zijn de voortgaande, niet-in-zich-zelf terugkerende opeenvolging van bijvoorbeeld de geslachten. Generaties volgen elkaar op. In onze context is de YI beperkt tot het leven, en dus organisch gericht, zoals ik al vermeld heb, en dus niet mechanisch. In China zijn uit de hexagrammen Het Scheppende (hexagram 1) en Het Ontvangende (hexagram 2) twee stromingen ontstaan, het confucianisme en het taoïsme. Zij vullen elkaar aan, als yang en yin. Uit de YI zijn beide leerstellingen gegroeid, niet omgekeerd. In de hexagrammen één en twee van de YI, zien wij in hun abstracte betekenis, de verwekking en de geboorte van de veranderingen, en ik kan ze transponeren naar alle verschijnselen in de kosmos, in de wereldse maatschappij en aardse natuur, en in de mens.

Harmonie is een proces binnen een woelig en complex veld van gebeurtenissen, zoveel is duidelijk. In het hexagram 32, De duurzaamheid, spelen de trigrammen Donder en Wind een magisch spel. Beide trigrammen verwijzen naar beweging, naar verandering. Zij lijken het tegendeel van een duurzame toestand. Toch betekent het hexagram in zijn geheel op een blijvende duurzame situatie. Het komen en gaan gebeurt volgens vaste wetten. Leven en dood eveneens. Liefde en haat ook. Het zijn duurzame stabiele wetten die de achterliggende kracht van de verwarrende alledaagse werkelijkheid zijn. Als ik over orde spreek, verwijs ik niet naar moraliserende raadgevingen of naar een hyperhygiënische huishouding thuis. Wat ik met de Orde bedoel en waarover de YI spreekt, is een Orde die stil is. Het is aandacht. Het is inzicht hebben in al de activiteiten van mijn “ik”. Ik moet uitzoeken wat die zijn. U kan dat voor uzelf doen. Al mijn gewoontes, beweringen, gedragingen, gebaren, misleidingen, fantasieën, schuld, schaamte, gehechtheden, verlangens, wrok. Als ik met eerlijke aandacht kijk naar het woelige bewegen van al deze zaken, dus wanneer ik beschouw, gadesla, waarneem zonder keuze, interpretatie en vervorming, dan kom ik in de Stilte, die de wezenlijke Orde is, dan zie ik de wetten van mijn eigen wezen die al mijn handelen bepalen. In deze betekenis ga ik Orde scheppen in het chaotische leven.

Op het moment dat de Oneindige Tijd en de Tijdelijke Tijd elkaar raken, is er de dood, is er een vermenging van dimensies, en gezien veranderingen altijd betekenen dat iets losgelaten moet worden, dat iets voorbij is, gestorven, is het boek der veranderingen, een boek van de dood en van soluto; het oplossen in elkaar van twee soorten tijd. Elk synchronistisch gebeuren, zoals wanneer een hexagram door middel van het toeval op de voorgrond treedt, is een moment van ont-moeting, is een punt waar tijdelijke en tijdloze elkaar raken, waar het persoonlijk onbewuste het collectief onbewuste hervindt, en waar de “goddelijke voorzienigheid” ingrijpt.

In het christendom is de godheid alleen maar (moreel) goed, is vrij van zonde en kwaad, maar dezelfde godheid is ook alwetend. God weet en kan alles. Zou Hij ook een steen kunnen maken? Kan Hij een steen maken die zo zwaar is dat hij die steen zelf niet meer kan optillen? Bij dit raadsel laat het denken het afweten. Een logische verklaring zal zichzelf in de weg staan, tenzij de godheid ook “niet-kunnen” is, “niet-weten” en behalve licht, ook duisternis.

In HET (de 888) zit de het duistere Beest (de 666) en om aan het Beest te ontsnappen, kunnen we, door eigen scheppingsdaad, “Werken aan het Bedorvene”, zoals hexagram 18 (=6+6+6) van de YI het zo mooi formuleert. Het Chinese karakter voor dit hexagram stelt een schotel voor waarin wormen zich ontwikkelen. Het betekent het bedorvene. De trigrammen tonen dat door “zachtmoedige (goedmoedig-naïef) onverschilligheid” en starre “traagheid” een lauwheid en verwaarlozing ten aanzien van zichzelf en de wereld is ontstaan, een schuld die kan goed gemaakt worden. Dat is de taak, de opdracht, want “wat door mensen is bedorven, kan door mensen weer worden goedgemaakt”. Het is geen noodlot, dat ik het Beest aanbidt, maar een keuze, een gevolg van misbruik van de menselijke vrijheid, omdat door onwetendheid over de “gnosis”, de 888, ik vastgeketend ben aan de angst. Als ik de Eindeloze Tijd vind, erken en ervaar, zal ik het Beest van mij afschudden, mij wenden tot het zuiden en ik zal terugkeren van waaruit ik kom, naar de oorsprong van alle Zijn, dat vrij is van schuld, terugkeren naar HET, naar Liefde. Dit keerpunt is hexagram 24, De Terugkeer (24=8+8+8) waar de YI van zegt: “Het hexagram Terugkeer is de stam van het karakter. De Terugkeer is klein en toch onderscheiden van de uiterlijke dingen. De Terugkeer dient tot zelfkennis. Beweging en werking door overgave. Daarom is uitgaan en ingaan feilloos. Vrienden komen zonder blaam. Heen en terug gaat de weg (tao). Op de zevende dag komt de terugkeer. Dat is de gang van de Hemel. Het vaste is aan het groeien. In het teken Terugkeer ziet men de zin van hemel en aarde”.

Het Tibetaanse woord Sem heeft een bredere betekenis dan het woord “geest” als synoniem voor intellectuele vermogens. Volgens de Daila Lama nadert Sem meer de betekenis van “psyche” of “ziel”; het omvat verstand en gevoel, hart en geest. Door het ontwikkelen van een soort innerlijke discipline kan ik mijn hele zienswijze en aanpak van het leven transformeren. De Daila Lama is ervan overtuigd dat we de geest, in de betekenis van Sem, kunnen trainen, oefenen, zodat we geluk kunnen ervaren. De YI is een boek dat dezelfde innerlijke discipline aanreikt, dat hetzelfde streefdoel heeft als de Dalai Lama, namelijk komen tot geluk en tevredenheid door het ontwikkelen van innerlijke kracht.

Ik hou een mala vast. Ik laat 108 kralen door mijn handen glijden, en telkens ik een nieuwe kraal voel, zeg ik stil bij mezelf “kom Grote Geest” in de hoop dat mijn innerlijke deze roep aanhoort en mij helpt bij het schrijven van dit script. Onderweg, ver van huis, draag ik een kleiner exemplaar bij mij. Op verloren momenten, wachtend aan een kassa in de supermarkt of in een file, herhaal ik steeds hetzelfde korte gebed, alsof ik de oneindige tijd bij mij roep en in haar wil vertoeven.

Op andere momenten neem ik plaats voor een klein huisaltaar, waar een beeld van Boeddha staat, een afbeelding van Maria Magdalena, een Afrikaans Maria-met- kind beeld, één grote steen, er om heen kleinere stenen, ook schelpen, een Chinese vaas en een wierookvat. Foto's van overleden voorouders. Dan neem ik uitgebreider de tijd en bid:

Grote Geest van HET,
die in het onzichtbare bent
Een geheim is uw onnoembare naam
Uw rijk is, Uw wil is
In de materie als in de geest
Geef mij vandaag het nodige voedsel
En vergeef mij indien ik schuld draag
Zoals ook ik vergeef
Aan wie mij schuld zou zijn verschuldigd
En leidt mij weg van de verzoeking
Het vertrouwen in U te verliezen
En bescherm mij tegen de macht van Uw kwade kant.
Zo is het!

De dood is een onvervalste realiteit. In de mate dat ik met sterven kan omgaan, toont mij hoe goed of hoe slecht ik het leven kan dragen. Ik kom voor een korte tijd op aarde, en ga dan terug naar huis, voor langere tijd, om vervolgens opnieuw, met datgene wat ik ondertussen heb geleerd, een volgend bestaan te doorleven op deze planeet, met mijn ziel in Dé Ziel van de aarde, de anima mundi, zodat ook haar ingeschapen doel, haar entelechie, plaatsvindt, om ooit ook mét haar te sterven, en mét haar herboren te worden, om samen de volgende stappen te volbrengen in de entelechie van het hele universum, doorheen de eeuwen, de eonen, de exacte en de abstracte tijd.


Multiplicatio

FOTO 3 - Een vader en een kind liggen dood op straat. Ze hebben zich proberen te verschuilen achter een paar tonnen, die lijken op vuilnisbakken. Hun gezicht heeft een wrede uitdrukking. Ik moet huilen als ik ook twee andere foto's zie van het soort drieluik dat in de krant staat afgedrukt. De eerste foto toont hoe het angstige kind probeert te schuilen achter de rug van zijn vader. De tweede foto toont het moment dat kogels hen raken. De derde foto zijn ze dood. Het zijn Palestijnse burgers, toevallig in de dood verzeild geraakt.

HET heeft twee kanten, een gruwelijke en een liefdevolle. “God is te vrezen en is lief te hebben”, zeggen de oude bronnen. In het Oude Testament zie ik een wrede godheid, die onmogelijke opdrachten van de mensen eist. Hij zegt: “alleen Mij zult u aanbidden!”. Wie is er anders nog meer?

Vandaag ben ik in een klooster in West-Vlaanderen te gast. Ik blijf er een week. Een ijzeren discipline hebben de heren monniken! In probeer het dagritme van hen te volgen. Het is een erg strak ritme, voor mij dus aanpassingsproblemen, maar voor hen wellicht een automatisme. Ik zie niet in hoe zij alle werk in de abdij, dat nodig is, kunnen verrichten, want de tijd ontbreekt daarvoor, zoveel wordt de Heer aanroepen, aanbeden en toegezongen. Ik ervaar een vertedering, zelfs een beetje nijd, maar een ander gevoel is, als ik hen zie schreiden naar de kloosterkapel, de dwingende indruk dat zij gelaten, wat slaafs, wat hun is opgelegd door de kloosterregel, ten uitvoer brengen. Ik mis een persoonlijke bezieling. Om negen uur is de mis. Het brood wordt gebroken en de wijn gedronken. Het brood is voor mij symbool van de aarde, het materiële en fysieke, terwijl de wijn de kundalini is, het energetische aspect dat als bloed door de aderen loopt. Beide worden samengebracht in de communio, als een moment van ma-gie, want de mens, als speelbal tussen twee kosmische werkelijkheden, dient zijn eigen wereld vorm te geven, tot hel te maken of tot hemels koninkrijk.
Ik verlang sterk om van bil te gaan met Heidi, mijn vriendin. Ik “mis” (!) haar. Ik wil haar lichaam en bloed, haar lijf tegen me aangedrukt voelen, in haar gaan, en mij in communio met haar verenigen.
Maar de realiteit is anders. De monniken, in witte gewaden, knielen op de grond en zingen psalmen. De klank van hun stemmen is prachtig. Ik vraag me af of het celibaat niet dé misser van het voorbije millennium is geweest. Het eerste gebod van hun God is: “ga en vermenigvuldig u”, wat zij niet doen, en God dus ongehoorzaam zijn, wat God niet dulden zal. De wrede kant van God dan, zal straffen en God heeft tijd want Hij is de Tijd, de eeuwige en de tijdelijke, en intussen is het genetische erfenis over duizend jaar, van talentvolle mannen en vrouwen, intelligente mannen en vrouwen, met gevoel voor spiritualiteit, reflectie en intuïtie, (en vooral ochtendmensen) verdwenen in de dood, maar niet in nakomelingen die hun vaardigheden kunnen doorgeven. Wie zich wel voortplant, zijn zij die op de aarde zijn gericht, op de materialisten, op zij die lijf en lenden (als ik nu) verkiezen boven een leven ten diensten van de onzichtbare godheid.

Vier belangrijke mannen hebben in de geschiedenis een belangrijke invloed gehad op de samenstelling van de I Tjing: Fu Hsi die de acht trigrammen bedacht en ze in een eerste volgorde plaatste; Koning Wen ontwierp de 64 hexagrammen; zijn zoon, de hertog van Chou, zette het werk van zijn vader voort en plaatste de orakels bij de verschillende lijnen; en Confucius bestudeerde de YI jarenlang en schreef er commentaren bij. Of die heren echt hebben bestaan of echt hebben gedaan wat men beweert dat zij hebben gedaan, is zeer de vraag, maar doet er niet toe. Het resultaat is wellicht ontstaan uit de arbeid van veel meer geleerden en wijsheren dan zij alleen, want wat zij hebben bijeengebracht is een wonderbaarlijk instrument om HET te doorgronden, zonder te willen veralgemenen, want het bijzondere aan de YI is precies dat het, naast algemene raadgevingen en omschrijvingen van natuurwetten, ook het subjectieve individu weet aan te spreken omtrent zijn eigen beperkte en bijzondere aangelegenheden, problemen en bedenksels.

Naast de Ho Tou, de Voorwereldlijke Rangorde van de trigrammen, bestaat ook de Nawereldlijke Rangorde, de Rangorde volgens Koning Wen of ook wel de Rangorde van de Latere Hemel genoemd. De trigrammen zijn hierin losgemaakt van de paarsgewijze verhouding, en zijn op een chronologische wijze bij elkaar gebracht, in een volgorde zoals die in de natuur, gedurende een jaar, placht te verlopen. In de commentaren staat erover: “God treedt te voorschijn in het teken van het Opwindende (de Donder). Hij brengt alles tot wasdom in het teken van het Zachtmoedige (de Wind), hij laat de schepselen elkander ontwarren in het teken van het Zich-Hechtende (het Vuur), hij laat hen elkander dienen in het teken van het Ontvangende (de Aarde). Hij verheugt hen in het teken van het Blijmoedige (het Meer), hij strijdt in het teken van het Scheppende (de Hemel), hij geeft zich moeite in het teken van het Onpeilbare (het Water), hij brengt hen tot volkomenheid in het teken van het Stilhouden (de Berg).”
Confucius geeft een commentaar bij deze oude orakeltekst. Daar werd de rangorde voorgesteld als een ontplooiing van de godheid, maar Confucius toont hoe dit proces eveneens in de natuur te zien is. In het oosten, in de lente, komt de natuur tot leven. Vervolgens zwelt de natuur aan en komt tot wasdom; in de zomer (het zuiden) staat de zon in haar kracht en verlicht alle wezens, brengt ze tot maximale bloei. Het Ontvangende toont dat alle wezens kunnen gevoed en verzorgd worden, daarom dienen zij elkaar tijdens de oogsttijd. Dan volgt de herfst, en zoals de avond van de dag, toont dit een moment van feest en rust, dus daarom staat het trigram het Blijmoedige in het westen. Dan volgt een harde tijd, waar men kijkt wie wat heeft gepresteerd, men krijgt loon naar werken, en er breekt een machtsstrijd los tussen yin en yang, tussen licht en duisternis, tussen rechtvaardigheid en macht. Daarna komt de winter en het koude noorden, dat mensen doet hamsteren en verzamelen in schuren. Het is een tijd van uitputting en arbeid. Tenslotte nadert het einde van het jaar, nadat bergen werk is verzet, en knoopt het einde, stil en diepverborgen, zich aan een nieuw begin vast. Dood en leven, sterven en opstaan, zijn gedachten die, met het oude jaar, aanzetten tot intenties voor het volgende nieuwe. Daarmee is de kring gesloten. Deze Rangorde van Wen is in alle gebeurtenissen van het leven terug te vinden. Het is een cyclus, een samenhangend geheel, waardoor het oude en het nieuwe innig met elkaar zijn vervlochten.
De Volgorde van Koning Wen heeft betrekking op de ervaringswereld van elke dag, op de tijdelijke tijd, op de vormgeving van de Geestkracht, terwijl de vorige orde, die van Fu Hsi, betrekking heeft op de denkwereld, op de achterliggende archetypen, op de bepalende denkgeest in de Vormkracht. Nu kan ik de twee Rangorden als een transparant op elkaar leggen, waarbij de Rangorde van Fu Hsi als achtergrond dient voor de Rangorde van Wen.
Een gedachte kan een bepaalde vorm krijgen in de toekomst. Een materieel feit kan een achterliggende idee inhouden waarzonder het feit die niet eens zou bestaan. Dat betekent dat een bepaald hexagram, als denkmodel, door de trigrammen van Rangorde te veranderen in die van Wen, aantoont waar de vorm in zal resulteren, of omgekeerd, wanneer een feitelijke fysieke of materiële situatie voor mij staat (Wen), kan ik zien vanuit welk denkmodel (Fu Hsi) deze is ontstaan. De Rangorde van Koning Wen, heet ook de lo shu en ziet er dus als volgt uit:

Iets bestaat alleen als ik er mijn aandacht op richt. Als ik in een mooi landschap wandel en ik bewonder aan de rechterkant de vallei, het meer, het diepe dal, een mooie bomengroep op een heuvelflank,…, dan kijk ik wel, maar na enkele kilometer ontstaat het besef dat ik tijdens de wandeling niets heb opgemerkt van het landschap aan de linkerkant. Als iemand mij erom zou vragen, ik zou het antwoord schuldig blijven. Mijn aandacht heeft de nodige informatie over de linkerkant niet tot leven gewekt. Wat hier is gebeurd is geen ontkenning of negatie. Het is mij ontgaan. Zo is het ook als ik aan de Totaliteit denk, aan HET. Ik richt mijn aandacht altijd op een fragment van HET, nooit op HET zelf, als geheel, niet omdat ik dat niet wil, maar omdat het mij ontglipt.

Ik probeerde in 1998 mijn ideeën vorm te geven. Samen met een vriend, Paul, stampten wij een cultuur- en vormingscentrum uit de grond. Ik raadpleegde de YI daarover en de tekenen leken voorspoedig. Wij keken de toekomst vrolijk tegemoet en na een jaar werd, idealistisch als we waren, elk signaal dat wees op een mogelijke ommekeer, uitbundig weggelachen. Hoe meer signalen, hoe uitbundiger ik wel leek. Aanvankelijk verliep alles nog altijd prima, maar geleidelijk sloop het gif van de negatieve projecties in het huis binnen. De uitbundigheid werd decadentie, en hoe groter de zorgen over het project bij mij werden, hoe meer ik vluchtte in tijdverdrijf, plezier, wanhoop. De vrouwen die mij zouden troosten, bleken zuivere archetypische figuren te zijn; een hoer, een minnares en een moeder. Financieel ging het project er op achteruit. De schulden hoopten zich op. Inmiddels had ik mijn vriend beter leren kennen en ik verweet hem van jaloezie, diefstal, hoogmoedigheid (zijn bijnaam van Koning Arthur), bedrog, laksheid, parasitair gedrag, profiteurschap, alcoholisme, en nog veel meer. De ruzies liepen hoog op. We scholden tegen elkaar op. Er ontstonden partijschappen, twee kampen. Ik raadpleegde de YI en mijn wishfull-thinking-mind stuurde de interpretaties steeds in de richting die ik het liefste wou. Uiteindelijk ben ik weggegaan, en zes van de twaalf oprichters met mij, om erger te voorkomen en om er niet aan kapot te gaan (wat niet veel scheelde). Nochtans was ik met heel eerlijke motieven aan dit avontuur begonnen. Ik voelde mij bedot en bedrogen, trok me terug in mezelf en wachtte af. Het project “Avalon” was voor mij verleden tijd. Opnieuw had ik een stukje dood heel even onder ogen mogen zien.

In China kende men oorspronkelijk geen persoonlijke godheid. De sjamanen spraken over een “andere wereld”, een geesteswereld die vooral uit “krachten” bestond. Hun traditie verspreidde zich over China en Tibet, en via de Beringstraat naar Canada en Amerika. De gelijkenissen tussen de böntraditie in Tibet, de taoïstische traditie in China en de indianentraditie in Amerika zijn frappant.

Wat het woord “goddelijk” voor jou ook mag betekenen, Iets of Niets, het heeft hoedanook betekenis. Ik vind de YI heel nederig in deze zaak. De Totaliteit of Eenheid, dus HET, kan vanwege onze geestesbeperktheid niet volledig begrepen worden.

Als de psyche een brug slaat tussen lichaam en denken, dan is de energie van de psyche een bron van bewustzijn. Ik vermoed dat de Grote Geest, de Geestkracht, energetisch van aard is, misschien wel de verandering zelf. Ik heb geleerd een wantrouwen te koesteren voor wie de mond vol heeft van “licht” en “liefde” en “verlichting”! Ik vrees hun schaduw. Ik stel vast dat vele zoekenden op het spirituele pad, bij aanvang, een al te eenzijdige kijk op de dingen hadden. Zij ontkennen bijvoorbeeld het aardse, fysieke, materiële aspect van de werkelijkheid. De dagelijkse beslommeringen worden hen te veel. Ze verwaarlozen partner en gezin, nestelen zich in een cocon van speculatieve illusies en isoleren zich van de rest van de samenleving. Zij betalen hun rekeningen niet. Maar HET is ook in de elektriciteitsrekening aanwezig! Ik schrijf dat, omdat ik het zelf ook heb meegemaakt. Misschien is het een projectie? Ik heb ook de bekeringsijver gehad. De eerste jaren dat ik de YI ontdekte, dacht ik een wonder te hebben verkregen dat iedereen mocht kennen. Misschien getuigt het boek dat u nu leest van een zelfde ijver, hoewel dat niet de bedoeling is. Ik moet u niets zeggen. Ik heb niets te vertellen. Niets bijzonders. Ik weet dat de I Tjing vanzelf, bij toeval, in de juiste handen terechtkomt, zonder inmenging van mezelf. Daar gaat het dus niet om.

Ik was weg van “Avalon”. Wat nu? De baan die ik had, was deeltijds, dus financieel zat alleen gaan wonen er niet echt in. Maar ik vertrouwde op mijn intuïtie en een laatste concreet bewijs, een telefoongesprek dat ik niet had afgetapt, maar dat “toevallig” op het antwoordapparaat bleek te staan, overtuigden mij van mijn vertrek. Eerst was er nog de woede die me kracht gaf, maar dat was maar van korte duur, zo zou blijken. Ik vond geen woning en geen job die beantwoordde aan mijn behoeftes. Ik heb in die periode veel tot Maria gebeden. Ik heb de YI veel geraadpleegd. Hoe kalmer mijn geest werd, hoe sterker mijn vertrouwen dat alles wel positief zou omslaan. En zo gebeurde… Ik had nog veertien dagen de tijd om een andere woning te vinden. De huurprijzen waren meestal boven mijn budget. Ik vroeg de YI: “Waar kan ik een woning vinden tussen waar ik nu woon en de kust”. De afstand naar zee bedroeg een zestigtal kilometer, dus keuze zat, dacht ik. Het antwoord was: Het Inwerken, hexagram 31, dat in de eerste plaats spreekt van geliefden, het hofmaken en verliefdheid. God, spaar me daar van, dacht ik. Wat ik nu kan missen als kiespijn, is een amoureuze verwikkeling. Ik had wel andere dingen aan m'n kop. Ik had bij het hexagram, waar zich geen bewegende lijnen manifesteerden, nogal slordig een breuklijn getekend tussen “in” en “werken, dus zo: in/werken. Toen ik, terwijl ik nog sakkerde op de YI, beter keek, viel mijn euro: “Werken” is een dorp tussen waar ik woonde en de zee, bijna precies halverwege. Ik had twee dagen later een afspraak met een huiseigenaar in Handzame, een ander dorp dat ik niet wist te lokaliseren. Ik was van plan om later op de kaart Handzame te zoeken, maar nu werd ik zo nieuwsgierig dat ik de huiseigenaar opbelde en hem vroeg of “Werken” misschien een dorp in de buurt was. “Natuurlijk,” zei die. “Werken is, net als Handzame, een deelgemeente van Kortemark”. Ik kon mijn oren niet geloven. Ik heb het huis kunnen huren, ook al waren er twee andere kandidaten die stonden te springen om erin te gaan wonen. Ik huur het nog altijd en ik kan er erg goed aarden. Op dezelfde dag dat ik een nieuw huis mocht betrekken, startte ik met een nieuwe baan, waar ik als vormingswerker cursussen mocht geven aan matschappelijk kwetsbare groepen. Zeven (de ommekeer!) maanden later heb ik Heidi beter leren kennen; geen amoureuze verwikkeling, maar een volwassen onafhankelijke intelligente vrouw, die nog steeds mijn geliefde en gezellin is.

Ik heb de ervaring dat de YI heel aards én hemels is. De YI ontkent niets. Als ik van het ene iets af doe, groeit ergens anders iets aan. Een verrijking aan de ene kant, vraagt om een offer aan de andere kant. Natuurlijk is het zo dat, omdat ik in allen en alles de werking van HET meen te zien, ik de rest dan relatiever bekijk. Ik offer de rest niet op, wel de meningen die ik erover heb. De YI stuurt nergens aan op ascetisme, maar vraagt een vermindering van de obsessieve houding die streeft naar zekerheden. Als ik mij hecht aan personen of ideeën, dan heb ik wel de indruk dat er iets is dat zekerheid in het leven biedt, maar ik heb achteraf altijd moeten erkennen dat de zekerheden die ik meende te hebben, illusies waren. Dat is pijnlijk. Vuur hecht zich aan hout, aan steenkool, aan was of aan olie, anders is vuur geen vuur. In relaties teren wij vaak op elkaar. In zijn uiterste vorm is zo'n houding het tegendeel van liefde. Ik ken de vernietigende liefde die is gebaseerd op belangen en op egoïstische motieven. We creëerden een eiland waar alleen wij op vertoefden. We keurden de wereld af. We “hielden van elkaar”? Uiteindelijk sloeg alles om in het tegendeel en we hebben elkaar veel pijn gedaan.
Als elkeen op zich-zelf volledig en volkomen is, hebben wij elkaar niet nodig. Ik hoef toch niet iemand anders te consumeren om liefde te ervaren. Passie is geen liefde. Het passie-verhaal van Jezus eindigt aan het kruis. Toepasselijk, dat kruis! Liggen pijn en genot zo dicht bij elkaar dat ik de twee met elkaar verwar? Of horen zij samen? Of is noch pijn noch genot echt?
De ellende met “Avalon” interpreteer ik nu anders dan tijdens de hevige winden van de emotionele storm van toen. Met de nodige afstand, is het beeld nu helderder. Op één of andere manier ben ik zelf alles wat ik Paul verweet. Ik zag het gewoonweg niet. Paul verscheen in mijn heldentocht als het levende monster, de baardige duivel, de bezeten woesteling, de vurige draak die ik zelf was. Dit beeld van mij manifesteerde zich als archetype van de Schaduw in mijn onbewuste, maar ik wou niet kijken, totdat het leven zelf mij dwingt tot aanschouwing, in de concrete werkelijkheid, waarbij een vriend tot vijand wordt. Niets van wat is gebeurd kan ik hem nu nog in de schoot werpen, niets meer kwalijk nemen. Wat ik intussen weet is, als een nieuw aanbod zich voordoet, met een gelijkaardig iemand, dan zal ik daar niet meer op ingaan, of omdat de omstandigheden mij daartoe niet zouden verleiden, of omdat de persoon niet meer zo'n aantrekkingskracht op mij zou uitoefenen zoals Paul die toen wel op mij had, door het beperkte bewustzijn dat ik over mezelf op dat moment had. De YI mocht mij deze ervaring niet ontnemen. De orakelen konden de dwang van mijn ziel tot ervaren, niet weerleggen of voorkomen. Ik zeg niet dat het een leuke ervaring was. Ik zeg alleen dat zij nodig was om in te zien waar ik werkelijk heen moet, zonder mij te verstoppen achter een groepsproject, zonder verantwoordelijkheden op een ander te leggen, maar gewoon zal ik mijn ding doen, uitkomen voor wie en wat ik ben, als deel van HET, van alle ervaringen, gelijklopend en parallel met alle ervaringen van alle mensen. Inshallah!

Het getal negen is in de pruimenbloesemmethode, zoals de Chinezen het opwerpen van munten bij een orakelraadpleging noemen, een maximale yanglijn. Zij zal een nieuw hexagram voortbrengen, omdat de yanglijn nu een yinlijn wordt. De 6 is de minimale yinlijn die omslaat in yang en de 9 is de maximale yanglijn die omslaat in yin. De 9de van de 9de maand was vroeger in China een feestdag voor yang. In het christendom zijn er negen Engelenscharen. Ook voor de oude Egyptische religie was de negen een belangrijk getal in hun goddelijke pantheon.

De YI heeft niet alleen het taoïsme en confucianisme sterk beïnvloed, maar ook talrijke andere disciplines op het vlak van voedselleer (vb. macrobiothiek), gezondheid (bijv. accupunctuur, qi qong), meditatie (tai-chi), enz.. Bijna alles wat in China in het verleden werd gemaakt, ontdekt, beweerd, had als achtergrond wel op één of andere manier met de I Tjing te maken. De YI is een weerslag en synthese van de culturaliteit in China. Natuurlijk is dat de afgelopen halve eeuw niet meer zo opportuun. Het grote succes van Feng Shui in de westerse wereld, gedurende de afgelopen decennia, valt op en is naar mijn mening niet toevallig. Ik heb u verteld van het magische vierkant, dat erg oud is en heel opvallend. Als u de getallen horizontaal, verticaal of diagonaal optelt, bekomt u altijd het getal 15. Wat verder opvalt, is dat aan de hoeken alle yin-getallen (pare getallen), en in het midden alle yanggetallen (onpare getallen) staan. Opmerkelijk toch?

Eén van de basisprincipes voor Feng Shui is dit magische vierkant. Feng Shui probeert te onderzoeken waar en hoe de uiterlijke wereld door de mens het beste kan beïnvloed worden, want de chi van het leven stroomt overal, en naargelang de verhouding tussen windrichting, elementen, trigrammen en dergelijke, kan u te weten komen waar zich negatieve chi (die dodelijk kan zijn) en waar zich positieve chi gaat vormen. Het is typisch dat westelingen zo verzot zijn op Feng Shui, want het gaat hem hier over uiterlijke zaken, niet over de achterliggende mysterieuze waarheden. Dat interesseert de modale Mc Donaldklant geen moer. Feng Shui leert om orde te scheppen in het leven, zodat de levensenergie vloeiend kan stromen, maar nogmaals, als ik vanbinnen niet in orde ben, hoe kan dan orde in mijn buitenwereld zijn? Of ik de Feng Shui regels nu goed of slecht toepas, dat doet er niet toe? De echte Feng Shui meesters zullen dit bevestigen. Zij zeggen ook dat “gezond verstand” en “intuïtie” vaak meer bijbrengen dan kennis van het Feng Shui kompas. Maar goed, de uiterlijke wereld is natuurlijk belangrijk. Met Feng Shui technieken kregen landschappen en steden architectonisch hun vaste vorma. Feng-shui interieur vind ik ook mooi, dar niet van. De Feng Shui speelt zich individueel hoofdzakelijk af op negen domeinen, en u kan uw huis ernaar inrichten:

1. Carrière en succes
2. Liefde en huwelijk
3. Gezondheid en familie
4. Rijkdom en geluk
5. Ongeluk voorkomen
6. Vrienden en communicatie
7. Kinderen en creativiteit
8. Opvoeding en kennis
9. Erkenning en faam

Deze negen sectoren zijn gebaseerd op de lo shu, de Nawereldlijke Rangorde of de Rangorde van Wen. Ik had het er over dat het getal vijf in het Midden staat, als centrum, als de ton van Diogenes. In mijn Midden blijven, in evenwicht en gecentreerd, voorkomt ongeluk. Nu is de som van alle getallen van het magische vierkant 15, maar het getal 5 is dat ook, als 1+2+3+4+5= 15. Het hexagram 15, De Bescheidenheid, is het meesterschap over het leven en in de omgang met dingen, mensen en goden, en het hexagram staat in de YI erg hoog aangeschreven, want alle orakellijnen zijn daarbij positief geformuleerd.
Meer nog, de 15 is ook de 5, want wanneer wij het hexagram de Bescheidenheid als denkmodel, in de Rangorde van Fu Hsi, dus als idee, als abstractie, gaan omzetten in een vormgua, volgens de Rangorde van Wen, dus als ik kijk hoe dit idee zich kan materialiseren, dan zie ik:

Het hexagram 5, Het Wachten, is de weergave van het spreekwoordelijke geduld dat veel Chinezen, tot op heden, aan de dag leggen. Bescheidenheid en geduld, twee belangrijke houdingen om op een constructieve manier te handelen en om het centrum van uw eigen wezen niet te verliezen. Bij hexagram 5, Het Wachten, schrijft Wilhelm: “De regen zal komen zodra de tijd ervoor is aangebroken. Men kan hem niet dwingen, men moet erop wachten. Kracht (de Hemel) laat zich vanbinnen (onderste trigram) niet door gevaar (het Water) vanbuiten (bovenste trigram) overhaasten, maar neemt de tijd, terwijl zwakte erdoor in opwinding geraakt en het geduld verliest.”. Het orakel bij het oordeel van het hexagram is “Als je waarachtig bent, heb je licht en welslagen” waar “het wachten geen ijdel hopen is, maar het bevat de innerlijke zekerheid dat een doel bereikt zal worden. Slechts deze innerlijke zekerheid geeft het licht, dat de voorwaarde is voor het welslagen. Innerlijke zekerheid geeft de kracht tot geduldig wachten. Slechts wanneer men de dingen onder ogen durft te zien, zoals ze nu eenmaal zijn, zonder enig zelfbedrog en zonder enige illusie, ontwikkelt zich uit de gebeurtenissen een licht, dat de weg naar het welslagen wijst”. Maar het hexagram heeft, behalve wachten, nog een tweede betekenis, en dat is “voeding”. Net zoals in de toverwoorden Yuan Heng Li Chen, ik aan het teken Heng, Welslagen, de betekenis geef van “wat voedzaam is voor mij en wat niet”, zo is ook hier een verband tussen “welslagen” en “voeding”. In het Beeld van het hexagram zegt het orakel “Zo voedt en laaft zich de edele, blijmoedig en opgeruimd”. Wilhelm vertaald verder: “Wanneer de wolken aan de hemel opstijgen, is dat een teken dat er regen komt. Dan kan men niet anders doen dan wachten tot de regen valt. Zo is het ook in het leven, wanneer de door het lot voorbeschikte gebeurtenissen in voorbereiding zijn. Zolang de tijd nog niet vervuld is, moet men geduld oefenen en niet trachten door eigenmachtig ingrijpen de toekomst naar zijn hand te zetten. Men moet het lichaam versterken door spijs en drank, de geest door blijmoedig en opgeruimd te zijn. Dan is men bereid wanneer de ure komt”. Voedsel in het leven krijgen is afhankelijk van de Hemel en de regen (Water), van de genade, of in mijn woorden; van HET. Soms moet ik wachten op het voedsel dat ik nodig heb. Ondertussen bereid ik mij voor en houd ik me wat op de achtergrond. Ik ben niet in verlegenheid, noch radeloos, maar vol “vertrouwen” (Yuan) zie ik op naar HET en vertrouw op de kracht en de dynamiek ervan. Tot eenzelfde conclusie kwam Prediker wanneer hij schreef “Daarom lijkt het me het beste dat de mens vrolijk is en geniet van het leven. Want als hij eet en drinkt en plezier heeft van zijn werk, is dat een geschenk van God”.

Het magische vierkant toont hoe het resultaat van wat ik ben, het gedrag van wie ik ben, telkens weer verwijst naar en afhangt van het centrum, de kern, de essentie, en dat is vijf, het nodige geduld en het noodzakelijke voedsel dat voor mijn entelechie is bestemd.

Ik had het eerder over de 666 in de 888, die samengeteld respectievelijk de hexagrammen 18, het Werk aan het Bedorvene, en 24, de Terugkeer, als resultaat hadden.
De 999 is, samengeteld, aldus 27, dat als hexagram de naam draagt “De Voeding” of “De Mondhoeken”. Opnieuw wijst dit hexagram in de richting van het voedsel dat nodig is voor groei, evolutie en omgang met de wereld.

Bij hexagram 5, het Wachten, zie ik dat voedsel ontvangen een natuurlijke proces is en dat ik daar afhankelijk van ben. Hexagram 27, de Voeding, toont nu de menselijke actieve kant bij het verlenen van voedsel; als een maatschappelijk probleem en opdracht. De YI stelt dat “Als men het juiste voedt, brengt dat heil. Hemel en Aarde voeden alle wezens. De heilige voedt de waardevolle mensen, en bereikt daarmee zo het gehele volk. Waarlijk groot is de tijd van de voeding”. Hexagram 27 behandelt specifiek het belang van materieel voedsel (onderste trigram) en geestelijk voedsel (bovenste trigram), want een mens “leeft niet van brood alleen”, en hexagram 27 geeft aanwijzingen over hoe en met wat iemand zich kan voeden. Ik heb zelf moeten leren wat voor mij opbouwend is en wat mij kapot maakt, wat voedzaam en wat niet. Dat kunnen dingen zijn, verlangens, mensen, groeperingen, idealen, overtuigingen, eetgewoontes, enz. Ik ben het zelf die mij voedt. De confucianist Meng-tse ging nog een stap verder en zegt hierover: “Als men wil weten of iemand bekwaam is of tot niets deugt, hoeft men er maar op te letten, welk deel van zijn wezen hij bijzonder belangrijk vindt. Het lichaam heeft edele en onedele, belangrijke en onbeduidende delen. Men mag ter wille van het onbeduidende het belangrijke niet schaden, en ter wille van het onedele niet het edele tekortdoen. Wie voor de onbeduidende delen van zijn wezen zorgt, is zelf onbeduidend. Wie aan de edele delen van zijn wezen zorgen wijdt, is een edel mens.”

FOTO 4 - Op het strand liggen mensen op hun buik. De man die het meest duidelijk is waar te nemen, ligt met de rechterkant van zijn gezicht op het zand. Hij heeft rastahaar en een donkere huid. De lederen jas die hij draagt is vuil, net als de jeans om zijn benen. Verder van hem weg liggen twaalf andere mensen. Ze zijn verdronken tijdens de oversteek van Marokko naar Spanje. Een Spaans politieman staat erbij en kijkt ernaar. Jaarlijks sterven er duizenden mannen en vrouwen eenzelfde verdrinkingsdood, mensen zoals u en mij.

Als we het magische vierkant nog verder bekijken, valt de structuur van de lijnen tussen de cijfers op:

Van oudsher staat dit symbool, de Tjing, voor het hexagram 48, de Waterput. De Tjing is afgeleid van het schriftteken voor “waterput”. De betekenis van het hexagram is “de voeding van het volk” en ook “De Waterput betekent samenhang”. In het bijgevoegde oordeel: “De Waterput toont het veld van het karakter. De waterput blijft op zijn plaats en heeft toch invloed op andere dingen. De waterput bewerkt het vermogen te onderscheiden, wat het juiste is”. Ook hier weer een verwijzing naar voedsel, het juiste voedsel, opdat mensen kunnen samen leven. Daarvoor is samenhang nodig en ook inzicht in de verbondenheid van het leven in zijn diepere betekenis. Een waterput is diep, blijft altijd op dezelfde plaats en verschaft iedereen die er in de buurt woont van het noodzakelijke water om te overleven, om voedsel te bereiden. De afzonderlijke lijnen van het hexagram tonen een steeds verder gaande reiniging, loutering en katharsis, en de situatie wordt steeds gunstiger. In psychologische zin is de Waterput het veld van het karakter, dat de bevloeiing naar de omstreken mogelijk maakt, en ook al blijf je op je plaats, je hebt toch invloed op mensen, omdat wie je geworden bent, verbonden met de diepste wortels en inzichten van het leven, een roterend effect heeft, als voorbeeld, op anderen. In de alchemie is dit de multiplicatio, de vermenigvuldiging van het goud door bijvoorbeeld een aanraking. Het levende voorbeeld, als levend water, aqua vitae, waaruit anderen kunnen putten. Spiritueel gezien is het de doop, die inzicht geeft in de duistere samenhangende fundamenten waarop het leven is gebouwd. Fysisch is de Waterput het zuivere water dat elke mens op aarde nodig heeft. Symbolisch is de Waterput HET, de Bron waaruit elkeen kan drinken en het Wezen ervan is, net als bij een waterput, het onveranderlijke karakter temidden van de verandering. Een andere symbolische betekenis is dat de onuitputtelijkheid van de waterput een eerste vereiste is. Zo is ook een goede regering in een staat de allereerste vereiste voor leven in de staat. Plaats en tijd kunnen wisselen, maar de methodes om de menselijke samenleving te regelen blijven steeds dezelfde.

Vroeger waren de velden ingedeeld volgens het schema van de Tjing, waarbij in de oudste tijden de velden zo werden ingedeeld, dat acht families met hun leenvelden om een centrum waren gegroepeerd, waarop zich een waterput en nederzettingen bevonden en dat gemeenschappelijk werd bebouwd voor rekening van de centrale regering. Samenwerking en sociale regels waren hier aangewezen, vandaar dat dit hexagram ook verwijst naar de samenleving in zijn geheel.

In het magisch vierkant staat in het Midden de 5. Wanneer wij procesmatig, herhaalde malen ertoe komen, door middel van bescheidenheid en geduld, het juiste voedsel tot ons nemen, in symbolische zin dus, wanneer het alchemistische werk één omwenteling, of dus tien keer, is gebeurd, verandert lood is goud, vindt er een transformatie plaats. De vijf maal tien bewerkingen geven mij het getal 50, de hoeveelheid duizendbladstelen die nodig zijn om het I Tjing orakel oorspronkelijk te raadplegen, en 50 heeft als hexagram de naam “de Spijspot” gekregen.

De hexagrammen 5, 27, 48 en 50 hebben allemaal betrekking op voedsel en voedselbereiding, en van alle hexagrammen, zijn er slechts twee die materiële, door mensenhanden gemaakte voorwerpen voorstellen: de waterput en de Spijspot.

De Waterput is het water dat nodig is als voedsel, de Spijspot is het beeld van het bewerkte voedsel, de spijs zelf, het resultaat. Hier is het ruwe materiaal, door opwarming en bewerking in het vat, in de ketel, in de oven, in de baarmoeder, tot levend voedsel geworden, tot voedsel dat kan worden gebroken en verdeeld over allen, en eveneens als offer, als het lam Christus, dat zichzelf geeft aan allen. Ook zo is het voedsel, dat oorspronkelijk aan mij werd gegeven door HET (hexagram 5), na vier stappen, zelf gift geworden voor anderen. We geven alleen maar door wat we zelf hebben gekregen. Waar hexagram 27 het grondstoffelijk voedsel (brood) voorstelt, is de Waterput (48) het bloed dat men drinkt en is de Spijspot het offer, het lam, het “ik”, de vermengde spijs, voor alles en allen, in naam van HET.

Hexagram 50 is de transformatie van het “ik”, het zelfoverstijgende, transcendente aspect dat ieder individu kan ondergaan. Waar ooit het “ik” gevoed moest worden door de buitenwereld; erkend, geliefd, geroemd, om te overleven, is het nu zelf voedsel geworden voor anderen. De doop in Water, in de Bron, is het inzicht in de eenheid der dingen, in de water-stof. De transformatie geschiedt door de doop in het Vuur, in het licht, in HET. De Heilige Geest uit het christendom is in de YI echter niet het Vuur, maar de Wind, die overal komt en indringt in elk mensenhart. Water en Vuur hebben een reinigende werking, de eerste maakt het lichaam schoon, het tweede het denken. De oorspronkelijke chaos (Water), de onbewuste toestand en de onwetendheid, veranderen in orde (Vuur), inzicht (licht) en bewustzijn. De orakeltekst bij hexagram 50, de Spijspot, bij het oordeel, vermeldt onder andere: “De geroepene kookt om aan God, de Heer, te offeren, en kookt feestelijke gerechten om uitverkorenen en verdienstelijken te voeden”

Net zoals in Egypte, was ook in China het getal negen een belangrijk spiritueel getal. In het oude China waren negen spijspotten het symbool van de Koningsheerschappij. Vandaar dat dit hexagram zo hoog in aanzien staat.

Maar voor het zover is, voordat de Koning heerst, zal hij zich dienstbaar opstellen, innerlijk huwen met de Koningin (Anima, bezieling), want HET geeft waar weinig is en neemt af waar te veel is. Daarvoor is loutering en ervaring noodzakelijk. Tussen hexagram 48 en hexagram 50, bevindt zich hexagram 49, de Omwenteling of het Ruien. Het hele mysterie van doop in het water en wedergeboorte in het vuur is een langzaam proces dat plotseling doorbreekt, als een revolutie in het individu, als omslag in een gevoel van bevrijding, verlossing en inzicht. In de nieuwe kijk op de werkelijkheid zijn vele dingen anders, en door de veranderingen die het individu heeft ervaren, is men vervreemd van het verleden, is men anders tegen dingen en mensen gaan aankijken en ontdekt men plotseling een Middel, HET, dat alle zegen geeft. Het juiste middel bij een verkeerde persoon werkt omgekeerd en een fout middel bij een juist persoon werkt nog genezend. Alles staat of valt met kennis over mezelf, over hoe ik mij gedraag en wat mijn motieven zijn. Ik moet doordringen in de diepste lagen van de mensheid en het universum, alle conventies en gewoontes laten varen en al het negatieve in mezelf bestrijden door verder te gaan in constructieve en positieve activiteit.

De integrale tekst van hexagram 48, de Waterput, is als volgt:

“Beneden is het hout, boven het water. Het hout gaat omlaag in de aarde om het water omhoog te halen. Het Beeld is ontleend aan de oud-Chinese wip-waterput. Met het hout zijn niet de emmers bedoeld (die in oude tijden van klei werden gemaakt) maar de houten stang, waarvan de bewegingen het water uit de bron naar boven brachten. Het beeld duidt ook op de plantenwereld, die door haar wortels het water uit de aarde omhooghaalt. De put, waaruit men het water schept, wekt voorts de gedachte aan onuitputtelijke voedselvoorraden.”

Als HET de put is, de Bron met levend water, dan is de stang de levende navelstreng tussen universum en individu, de rode draad, het zilveren koord, het tou(w), want het individu, die de emmer in klei voorstelt, die gemaakt is van organisch materiaal en die slechts een beperkte hoeveelheid water kan bevatten, die kan putten uit de oneindige liefde en het wezenlijke voedsel dat HET in zich heeft. Daarvoor moet de emmer omlaag gaan, moet het individu durven naar beneden kijken, wat diep in hem of haar verscholen zit aan duisternis, kijken naar de schaduwkanten van zijn ziel.

“HET OORDEEL

De Waterput.
Men kan wel de stad verleggen,
Maar de Waterput niet.
Hij neemt niet af en neemt niet toe.
Zij komen en gaan en scheppen uit de waterput.
Als men het welwater bijna heeft bereikt,
Maar het touw net niet lang genoeg is,
Of als de kruik breekt, dan brengt dat ongeluk.

De hoofdsteden werden in het oude China soms verlegd, hetzij ter wille van een gunstiger ligging, hetzij bij de wisseling der dynastieën. De bouwstijl wisselde in de loop der eeuwen, maar de vorm van de waterput is vanaf oeroude tijden tot op de huidige dag dezelfde gebleven. Zo is de waterput het symbool van de maatschappelijke organisatie der mensheid in haar meest primitieve levensbehoeften, die onafhankelijk is van de politiek. De politieke structuur wisselt, de naties wisselen, maar het leven der mensen met zijn levenseisen blijft eeuwig hetzelfde. Daaraan valt niets te veranderen. Dat leven is ook onuitputtelijk. Het neemt toe noch af, en is er voor iedereen. Geslachten komen en gaan, en zij allen genieten het leven in zijn onuitputtelijke volheid.
Voor een goede staatkundige of maatschappelijke organisatie van de mensheid zijn echter twee dingen nodig. Ten eerste het afdalen tot de grondslagen van het leven. Alle oppervlakkigheid in de ordening van het leven, die de diepste levensbehoeften onbevredigd laat, is even onvolkomen als had men in het geheel geen pogingen tot ordening in het werk gesteld. Vervolgens is onachtzaamheid -waardoor de kruik breekt- uit den boze. Als bijvoorbeeld de militaire bescherming van een staat zozeer wordt overdreven dat er oorlogen door ontstaan waardoor de macht van de staat wordt vernietigd, dan staat dat gelijk met het “breken van de kruik”. Ook op de enkeling is het hexagram van toepassing. Hoe verschillend de aanleg en de ontwikkeling van de mensen ook mogen zijn, de menselijke natuur is au fond bij iedereen hetzelfde. En ieder mens kan bij zijn vorming putten uit de oneindig rijke bron van de goddelijke natuur van het menselijke wezen. Maar ook hier dreigen twee gevaren: het kan zijn dat men bij zijn karaktervorming niet doordringt tot de eigenlijke wortel van het mensdom, maar in conventie blijft steken -zult een halve beschaving is even erg als in het geheel geen- of dat men plotseling ineenstort en de vorming van zijn karakter verder verwaarloost.

Hier valt weinig aan toe te voegen. Alleen vind ik het altijd erg vreemd dat er in deze tijd nog honger op de wereld is. Het is ook vreemd dat niet elke gemeente in dit land een eigen windmolen heeft die, mits een kleine investering per inwoner bij aanvang van het project, in de toekomst kan zorgen voor gratis energie en elektriciteit. Waarom gebeurt zoiets niet? Het kan nochtans, want er bestaat een geslaagd project in dit verband in Vlaanderen. Ook vreemd vind ik bij mezelf, als mijn dochter huilt op een speelplein, waar ook andere kinderen spelen, dat ik dan direct ingrijp, wat in paniek ben en alles in het werk stel om haar zo vlug als het kan gerust te stellen. Waarom doe ik dat niet als andere kinderen op dat speelplein huilen? Waarom denk ik dan: acht, het is gelukkig niet Zana? Waarom zijn niet alle kinderen als mijn kinderen en niet alle ouders als mijn ouders? Waarom zijn niet alle mannen broers en vrouwen zusters van me? Ik vind dat erg vreemd van mezelf en abnormaal, want elk van ons heeft dezelfde noden, verlangens en dezelfde drang naar geluk. Als ik u mij geef en u jij aan mij, dan hebben we beiden de vreugde waar we zo naar verlangen, en een tevredenheid. Is dit offeren? Als het gericht is naar HET, is het dat niet. In het Tibetaans boeddhisme bestaat de oefening die tonglen heet, en in feite is het dat waar ik op aanstuur, de oefening van geven en nemen. Bedoel ik altruïsme? Zichzelf willen vernietigen is de meest destructieve vorm van egoïsme, van een wil van het ego. Waarom zou HET u creëren wanneer het de bedoeling is dat u zich moet vernietigen? Of toch? Zie wat we doen op ecologisch gebied. Lang zal het niet meer duren, maar misschien is dat wel de entelechie van deze mensheid?
Is het utopie? Wellicht in de praktijk wel, maar de idee is zo zuiver, concreet en werkelijk als pompwater (hoewel dat in onze contreien al niet meer zo zuiver is, dat pompwater). Gewoon mededogen naar alle andere leven toe, vriendelijkheid, zorg, vrijheid en liefde. Of is dat teveel gevraagd? Welke waarde heeft al het andere dan?

HET BEELD

Boven het hout is het water: het beeld van de Waterput.
Zo moedigt de edele het volk aan
En vermaant hij het, elkaar te helpen.

Onder het trigram Soen -hout- daarboven het trigram K'an -water-. Het hout zuigt het water naar boven. Gelijk het hout als organisme de werkzaamheid van de waterput nabootst, wat alle delen van de plant ten goede komt, zo ordent de edele de menselijke maatschappij, opdat ze als een plantenorganisme ten bate van het geheel in elkaar grijpt.

De edele die de YI raadpleegt, kan informatie en kracht putten uit HET, via meditatie, orakelraadpleging, enz. om de mensen aan te moedigen en te helpen, want in HET is geen “ik” tegenover “ander”, geen “zus” tegenover “zo”, maar alles geschiedt ten bate van het geheel zelf, van HET, dus wat u doet voor uw naaste, doet u voor uzelf en -samen- voor HET.
De afzonderlijke lijnen:

In het begin een zes betekent:
Het slik van de waterput wordt niet gedronken.
Bij de oude waterput komen geen dieren.

Als iemand in drassig, laag land omzwerft, verzinkt zijn leven in de modder. Zo iemand verliest zijn betekenis voor de mensheid. Wie zichzelf weggooit, heeft ook geen aantrekkingskracht meer voor de anderen. Ten slotte bekommert niemand zich meer om hem.

Negen op de tweede plaats betekent:
Bij het gat van de put schiet men vissen.
De kruik is gebroken en lekt.

Het water op zichzelf is helder. Maar men gebruikt het niet. Dientengevolge houden zich alleen nog vissen in de waterput op, en wie er komt, komt alleen om vissen te vangen, maar de kruik is gebroken, zodat men de vissen er niet in kan bewaren. Hier wordt de situatie geschilderd dat iemand op zichzelf een goede aanleg heeft, maar zijn gaven verwaarloost. Niemand bekommert zich om hem. Daardoor geraakt hij aan lager wal. Hij geeft zich met minderwaardige mensen af en kan niets belangrijks meer presteren.

Negen op de derde plaats betekent:
De waterput is schoongemaakt maar men drinkt er niet uit.
Dat is mijn hartenleed;
Want men zou er uit kunnen putten.
Als de koning het zich bewust was,
Dan zou men gemeenschappelijk het geluk genietend.

Hier is sprake van een bekwaam man. Hij gelijkt op een schoongemaakte waterput, waarvan men het water zou kunnen drinken. Maar hij wordt niet gebruikt. Tot groot verdriet van de mensen die hem kennen. De wens bestaat dat de vorst het zal vernemen; dat zou voor alle betrokkenen een geluk zijn.

Zes op de vierde plaats betekent:
De waterput wordt met metselwerk bekleed. Geen blaam.

Als de waterput met metselwerk bekleed wordt, kan men hem intussen wel niet meer gebruiken, maar het werk is niet vergeefs: het heeft ten gevolge dat het water helder blijft. Zo zijn er ook in het leven perioden waarin men aan zichzelf moet werken. Gedurende die tijd kan men weliswaar niets voor anderen doen, maar het voordeel is dat men door innerlijke ontwikkeling zijn kracht en bekwaamheid vergroot en zodoende later des te meer presteert.

Negen op de vijfde plaats betekent:
In de waterput is een heldere, koele bron
Waaruit men kan drinken.

Dat is een goede waterput, die op zijn bodem een bron van levend water heeft. Een man die zulke deugden bezit is een geboren redder en leider der mensen. Hij bezit het water des levens. Nochtans ontbreekt de toevoeging “heil”. Bij de waterput komt het er voor alles op aan dat het water gedronken wordt. Ook het beste water is voor de verfrissing der mensen niet meer dan een mogelijkheid, zolang het niet omhooggehaald is. Zo komt het er ook bij de leiders van de mensheid op aan dat men uit hun bron drinkt, hun woorden in praktijk brengt.

Bovenaan een zes betekent:
Men put ongestoord uit de waterput.
Hij is betrouwbaar. Verheven heil!

De waterput is er voor iedereen. Geen verbod keert zich tegen degenen die eruit willen putten. Hoevelen er ook komen, zij vinden wat ze nodig hebben; want de waterput is betrouwbaar. Hij heeft een bron en droogt niet uit. Daarom is hij voor het hele land een bron van heil. Zo is het ook met de werkelijk grote man, die onuitputtelijk rijk si aan innerlijk goed: hoe meer mensen uit hem putten, des te groter wordt zijn rijkdom.


De Waterput heeft onderaan het trigram Wind of Hout en boveneen Water. Hout hakken en water dragen! De dagdagelijkse dingen doen, gewoon, omdat de zin gelegen is in de toepassing van alledag. Het bewustzijn waarmee u dingen doet, is van essentieel belang. Bewustzijn. Niets anders en niets bijzonders.

U kan zien dat naarmate de lijnen stijgen in de Waterput, naarmate ze verrijzen uit de diepte van de duisternis, uit het onbewuste, hoe positiever het orakel zich uitspreekt over de invloed van deze lijn. Bij de bovenste lijn, is het Water uit de put gehaald en deelt de edele het met anderen. Men is als het ware zelf een Waterput geworden waaruit anderen kunnen drinken. Als de bovenste lijn verandert, dus wanneer u drie kopzijden hebt bij de zesde worp van munten, dan is dat 3+3+3=9=yang met een kruislading, wat betekent: een bewegende lijn. Als u die bewegende lijn verandert en de andere lijnen overneemt krijgt u hexagram 57, het Zacht-moedige. Dit hexagram bestaat uit tweemaal het trigram Wind, dat het symbool is van de energetische werking van HET, door middel van Adem of Geest. Nu werkt HET, in dit geval of bij deze vraag, in u. Logisch, want HET ademt in u of liever: u is Adem (Adam?). De mens!

In de commentaren die “De Vleugels” van de YI heetten, staat een ontwikkelingsmodel van het individuele karakter dat in NEGEN stadia verloopt en dat door negen hexagrammen is uitgetekend:

1. Hex. 10 Het Optreden
Wellevendheid en manieren aanleren om in harmonie met anderen om te gaan.
2. Hex. 15 De Bescheidenheid
De wil om aan het eigen karakter te werken, het eren van anderen en de juiste gezindheid als inhoud van de karaktervorming.
3. Hex. 24 De Terugkeer
Wortel en stam van het karakter; zelfkennis, ommekeer, zelfonderzoek en het weerstaan aan verleidingen.
4. Hex. 32 De Duurzaamheid
Vastheid van het karakter; vaste regels ontdekken en een karakter uit één stuk worden.
5. Hex. 41 De Vermindering
Essentiële van de karaktervorming; verminderen van driften, dan het vermeerderen van spirituele gevoelens
6. Hex. 42 De Vermeerdering
Volheid van het karakter; organische groei van het karakter die niet artificieel is, maar authentiek en nuttig.
7. Hex. 47 De Benauwenis
De beproeving van het karakter; omgaan met grenzen, zijn kruis dragen, beteugeling van wrok en loutering.
8. Hex. 48 De Waterput
Het veld van het karakter; ver-reikende werking, rijke weldoende persoonlijkheid, goed en rechtvaardig.

9. Hex. 57 Het Zacht-moedige:
Dit geeft de juiste soepelheid van het karakter. Niet starheid, die volgens eenmaal vast gelegde principes handelt en in wezen alleen maar bekrompenheid is, doch beweeglijkheid is nodig opdat men de dingen tegen elkaar zal weten af te wegen en zonder zich te exponeren, zal weten in te dringen in de eisen van de tijd. Zo leert men rekening te houden met de omstandigheden, en bij elke soepelheid toch de sterke eenheid van zijn wezen te bewaren.

Als dat laatste mij lukt, dames en heren, dan zal ik het u laten weten. Het verwoordt perfect waar ik naar toe wil. Misschien ben ik zo erg tevreden met mijn leven, omdat het gebeurt dat ik ben als de Wind van hexagram 57, het Zacht-moedige. Ik voel me dan zacht en moedig, omdat geen etiket nog voldoet, omdat ik beweeg en verander, als een kameleon -in de positieve betekenis-, als de verandering zelf, die de waarheid is, want de realiteit van de verandering is een “dood-simpele” waarheid, weet u nog, en met de verandering zelf verenigen, verandering zijn, dood zijn in leven, zonder de kern, de vijf te verliezen, zo voel ik me Koning te rijk, en geen goud van de wereld kan mij meer waard zijn dan dat, zo voel ik mij “rusten in vrede”, moment op moment, soms wel, soms niet. Niets bijzonders el toch alles. Inshallah!

De Feng-Shui nieuwsgierigen zoeken naar evenwicht en veiligheid in de materialen, in de elementen, de kleuren en de klanken, maar weten niet dat achter de lo shu ook een ho tou schuilgaat, dat achter de eindige tijd een oneindige werkzaam is en dat achter alles wat u ziet een kijker, een waarnemer is die kijkt en waarneemt. Dat bent u! Wie bent u? Wie, zegt u?

Het getal negen is, de maximale yangkracht, de extraverte wereld die inklapt naar introversie, de Tjing met acht velden en een Middelpunt, de Waterput, die de onveranderlijkheid weerspiegelt in de wisseling der tijden, het blijvende in de niet-blijvende werkelijkheid. Zo blijft de godheid, de Zin en HET, zoals het altijd is geweest, zoals het is en zoals het altijd zal zijn, want de Totaliteit is totaal en eeuwig, niet niet-tijdelijk en niet tijdelijk; onbewegelijk en toch veroorzaker van alle beweging en alle veranderingen, onkenbaar, naamloos, niet te doorgronden en slechts zwijgend te aanbidden. De negen is ook 1+2+3+4+5+6+7+8+9, met als som 45, die als 4+5 opnieuw negen is, want de negen haalt de kracht uit zichzelf, omdat zij van één stuk is, die uitdeelt terwijl ze verspreidt, zoals de zon of de batterij van een wagen. Het Hexagram 45 heet het Verzamelen en orakelt in diezelfde zin. Ook wanneer ik de Waterput als denkvorm, als model en innerlijk symbool bekijk, en ik wil dit hexagram omzetten naar een ervaringsvorm, dus van de Rangorde van Fu Hsi naar de Rangorde van Wen, dan verandert hexagram 48 in hexagram 45. In “de volgorde” bij het orakel 45 staat “verzamelen wil zeggen opeenhopen” en “opeenhopen” is de vertaling van het Latijnse woord religare dat vastbinden, verbinden, op een hoop gooien, betekent. In het hexagram zegt het orakel verder bij het oordeel: “De Koning nadert zijn tempel. Grote offers brengen schept heil”. Als uitleg schrijft Confucius: “Waar mensen verenigd worden, zijn religieuze krachten nodig. Maar er moet een menselijk leider als middelpunt (Tjing?) zijn. Om anderen om zich heen te kunnen verzamelen, moet men zich echter eerst in het eigen innerlijk (Bron?) hebben geconcentreerd. Slechts door zulke verenigde morele kracht kan men de wereld tot eenheid (HET?) brengen. Zulke grote tijden van eenwording zullen dan ook grote werken achterlaten”.


Magna Opus of Het Grote Werk?

TIEN is het getal van het geheel, maar dan van de O naar de 1, van het lege naar het volle, en dan terug naar O, want alles keert terug naar zijn oorsprong, terug in de baarmoeder van de O. In de oorsprong is geen ontevredenheid. Alleen vrede. De oorsprong mag geen verlangen zijn, geen begeerte, geen regressie, want oorsprong is NU en is HIER, in HET zelf en in wat ik doe, hoe ik een handeling volbreng, welke gedachte ik heb en welk woord ik spreek. Dat dit alles samen, ongespleten, de wereld mag vormen naar het beeld van HET, de Totaliteit, de Eenheid, de God.


NACHTWAKE

Als ik mijn kop in het zand blijf steken, zal ik met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid stikken. Ik kan niet doen alsof het leven en ik twee afzonderlijke zaken zijn. Als jongeling dacht ik dat het niet veel voorstelde, ik en dat universum. Vervolgens ontdekte ik hoeveel ik heb gekregen en ontvangen, dat ik allesbehalve nietig ben. Natuurlijk ben ikzelf niet identiek aan het universum. Dat zou wijzen op inflatie van mijn ego. Het universum is een autonome kracht. Het lijkt erop dat ik te maken heb met een gevecht tussen iets kleins en iets groots, een jonge knaap en een grote man, een ego en een Zelf. “Twee draken vechten op een veld”. De Havik zit op een scheidingbrengende muur. Het universum maakt mij tot wat ik ben en ik bepaal mee hoe het universum evolueert. Ik ben nietig én machtig. Dat is het hele geheim. De macht is het dienaarschap tegenover de Bron die alles geeft. Als ik dienende heers, is er geen gevecht. Er is geen innerlijke versplintering als ik mezelf los laat. De YI zelf spreekt bijna nooit een moreel oordeel uit. Dat is aanvankelijk moeilijk. Ik verwacht namelijk raadgevingen van een autoriteit die mij zegt wat ik moet doen, maar zo werkt de YI niet. Ik moet het “Grote Werk” zelf doen. Niemand doet het in mijn plaats. Soms schuif ik iets opzij, soms niet. Ik denk dat het noodzakelijk is om als jonge mens een stevig ego op te bouwen. Het lijkt me goed om mij eerst te concentreren op de louter waarneembare wereld. Zo kan ik in conflict geraken. De YI helpt mij om een ego uit te bouwen en in een latere fase helpt de YI mij om het weer af te breken. Ik moet mezelf kunnen verliezen in de buitenwereld. Daarna bevraag ik mij hoe het er van binnen uitziet. De Bron van alle bestaan wil dat alle elementen van het bestaan, dus ook ik, het bestaan van de Bron erkennen. Anders is er, zonder erkenning, geen contact mogelijk, geen communio, en krijg ik de overtuiging dat ik afgescheiden ben van de rest. Ik ben niet-nietig, niet-machtig.

Ik ben al stervend van mezelf aan het leven. Als ik de Bron ontken, versplinter ik binnenin. Als ik de Bron ontken, kan ik niet uit eigen kracht bestaan, maar moet ik buiten mezelf iets zoeken dat de nodige kracht verleent: een partner, een vriend, een klant, een huis, een baan,… . Heb ik het voedsel buiten mezelf gevonden, dat moet ik het gebruiken, opsouperen, wil ik mezelf in stand houden. Ik lijk op een vampier die bloed drinkt van een ander. Ik vernietig mijn omgeving, om zelf te bestaan. Ik zie dat negatie van de Bron zelfvernietigend is na verloop van tijd, want als het voedsel buiten mezelf op is, moet ik mezelf schaden, mezelf opgebruiken. Mijn confrontatie met mijn ego is belangrijk om de erkenning van de Bron toe te laten. “Een grote vrucht (de Bron) ligt nog onaangeroerd (is nog niet erkend). De edele (die de YI raadpleegt) krijgt een rijtuig (middel tot bewegen, veranderen). Het huis van de gemene (negatieve kant van het ego, het conservatisme dat wil behouden, dat zoekt naar zekerheden) wordt versplinterd” (hex. 23, de Versplintering, lijn 6).

Mijn besef en mijn oordeel, over elk onderdeel van mijn dagelijkse ervaringen, zijn onlosmakend verbonden met verantwoordelijkheidszin, of ik dat nu wil of niet. Als ik besef van mezelf heb en tot een oordeel kom, ben ik in staat om keuzes te maken. Een mooi schilderij waar ik naar kijk is doek en verf. Het woord “mooi” is te veel. Iemand anders vindt het schilderij maar niets. Best ok. “Mooi” is geen feit. Ik neem waar en interpreteer. Alle interpretaties samen maken een groot deel uit van mijn denkgeest. Het “ik” is een complexe verzameling van gedachten die ik over mezelf en mijn omgeving heb. Alleen iets wat “heel” is, bestaat. Iets wat is, is altijd heel. Het Ene vasthouden, betekent dat ik de rest loslaat. Het vergankelijke is Niets. Als u in Niets gelooft, gelooft u in het vergankelijke. Eigenlijk gelooft u dan in de verandering, in de dood-simpele waarheid van de verandering. Alleen ziet u niet de linkerkant, de andere kant, het onveranderlijke dat HET is, als volledigheid, stabiel, stevig, Bron en Eén. Wat niet wil zeggen dat HET niet verandert. Vreemd, niet?

Ik heb drie jaren de YI bestudeerd om de fundamenten ervan te begrijpen; de taal, de symbolen, de hexagrammen, de verbanden. Vervolgens had ik enkele jaren nodig om de YI veelvuldig te kunnen ervaren, om “aha” te voelen en de vreugde van zijn diepste zin te integreren. Tenslotte zal de rest van mijn leven gewijd zijn aan het loslaten van de YI door YI te zijn. Toen een leerling aan het sterfbed van Confucius vroeg wat nu het ergste was bij het idee dat hij zou sterven, antwoordde hij dat het spijtig was dat hij niet nog vijftig jaar langer mocht leven, want hij had graag vijftig jaar verder de YI bestudeerd. De meeste mensen die de YI bestuderen, doen dat op zichzelf. Dat is heel merkwaardig. Het zijn “eenlingen”. Een eenling is een “monachos” waar het woord monnik uit voortkomt. De eenlingen die de YI bestuderen gelijken op de alchemisten van weleer; ook hun weg was een eenzame weg. Soms ontmoeten YI-studenten elkaar op een congres of een lezing, maar daarna gaat elkeen zijn eigen weg. Er bestaan geen YI-scholen, geen YI-liturgie, geen YI-groepen. Ik vind dat een gezonde situatie. De YI is een boek voor de toekomst. Het leert mij om als eenling, binnen de diversiteit van de wereld, steunend op niets, een eigen weg te gaan. Dat is passend voor de tijdgeest. Er is geen verschil tussen YI en Ik. Ik ben de YI en toch heb ik een leven nodig om daadwerkelijk YI te zijn. Als ik YI ben, heb ik geen boek nodig. Als ik YI ben, is er geen YI. Net als mijn dromen, behoort de symboliek van de orakels van de YI tot de Bron, dat ondermeer het collectief onbewuste inhoudt, maar de oer-Bron is veel meer, want het is HET. Inshallah!

Kitano Gempo was een abt van de tempel Eihei in Japan. Hij was tweeënnegentig jaar toen hij stierf. Als jongeman heeft hij een tijdlang gerookt, een bepaalde tijd de YI bestudeerd en een tijdlang kalligrafie en dichtkunst beoefend. Kitano Gempo dacht altijd weer hetzelfde: “plezierige dingen als roken kunnen me storen in mijn meditatie; door YI toe te passen verwaarloos ik misschien mijn meditatie; misschien word ik een beroemd dichter en kalligraaf, maar dan ben ik geen zenleraar”. Dus hij rookte nooit meer, raadpleegde niet meer de YI en schreef nooit nog een gedicht. Meester Gempo had geen YI nodig, maar in zijn meesterschap was hij YI. Zolang ik iets buiten mezelf nodig heb om mij te verwerkelijken, ben ik niet mijn Zelf. De YI leert mij om niets meer nodig te hebben, ook geen boek en geen orakel. In zijn diepste betekenis heft de YI alle tegenstellingen op, en dat is precies individuatie of Zelfverwerkelijking. Wie met de YI bezig is, heeft geen godheid, geen leer, geen dogma's en geen geboden om op te steunen. Zoek het zelf maar uit! Het enige houvast dat ik heb is de verandering. De enige steun is de werkelijkheid zoals die zich aan mij voordoet. Aanvankelijk dacht ik, op niets steunend, dat ik reddeloos verloren was, maar naderhand blijkt het nu mijn grootste kracht. Vroeger geloofde ik in God, daarna in Niets, en nu in Alles. De YI is niet nihilistisch van aard. De YI schopt wel de poten van onder de tafel, waarop ik steun, weg. De YI neutraliseert de tegenstellingen “niets-iets”, “goed-slecht”, “warm-koud” en alle andere dualistische gedachten. De YI brengt mij op de grond van alle grond. Zelfs de tafel moet weg! Ik en grond zijn één. Nihilisme is als filosofische strekking dualistisch en heeft daarom niets met de YI te maken.

Shunryu Suzuki spreekt niet over yin en yang, maar over licht en duisternis. Hij maakt onderscheid tussen het intellectueel begrijpen van iets en de ervaring van iets. In de YI symboliseert zich dat door de trigrammen Li, Vuur en K'an, Water. Suzuki vergelijkt verder met een maaltijd die je bereidt. Eerst leg je alles uit elkaar: voorgerecht, soep, hoofdgerecht, dessert. Als je eet, komt al het voedsel in de maag terecht en mengt het zich vooraleer de werking ervan op het lichaam plaatsvindt. Voedsel moet één brei zijn vooraleer het werkt. Ik krijg inzicht in de alledaagse werkelijkheid omdat ik erover nadenk, omdat ik ontrafel, orden en indeel, maar het inzicht zal pas in werking treden als het samenkomt in de ervaring. Het intellect is niet de YI en de ervaring is niet de YI. Vuur is vuur en water is water. Is er teveel vuur, dan verdampt het water. Is er teveel water, dooft het vuur. Als ze in evenwicht zijn, krijg je stoom. Stoom is energie, is verwerkelijking. De YI is de Weg van het Midden. Als ik teveel denk, doe ik zazen of een ander soort lichaamswerk. Als ik teveel met de zintuigen bezig ben, dan ga ik studeren. Eindeloos twijfelen en tobben maken mij geestelijk verlamd en als ik mijn lichaam overbelast, beschadig ik mezelf. Ik hoef geen uiterste. Oefening en studie staan tot elkaar als yin en yang, maar de grote geest is geen yin, geen yang, geen oefening, geen studie, maar de Bron zelf, de daadwerkelijke verwerkelijking van mijn eigen natuur. Ik ga mee met de tijd en ik verander met deze. Het solide aspect van mezelf is de vaste richting, de innerlijke wet van mijn wezen, dat al mijn handelingen bepaalt. Soms denk ik na over de YI, soms ervaar ik de YI, maar alleen door de scheppende daad, op elk moment en op elke plaats, ben ik Zelf.

Ik weet dat er heel wat onvrede leeft bij mensen die al heel lang op zoek zijn naar een systeem of een leer om iets nieuws te maken van hun leven. Zij zoeken iets, maar weten niet juist wat? De heilige Graal? Wat is die hoorn des overvloeds? Waarom geloven wij in een belofte van beterschap? Moet er beterschap? Blijkbaar is de streving naar “anders”, “vernieuwend”, “beter”, erg groot. Olof, de Nederlander zegt: het gaat niet goed, het gaat niet slecht, maar het gaat! Mooi is dat.

In de YI heeft elk hexagram een kernhexagram. De kernen geven mij een beeld van de achterliggende dynamiek van een hexagram. Ze verhelderen. Ze heffen de verwarring op waarin ik vertoef als ik een hexagram niet begrijp. Er schuilt een onzichtbare orde in de ogenschijnlijke wanorde van orakels, beelden, tekens, namen en cijfers. De volgorde van de hexagrammen is de horizontale benadering van het boek. De kernhexagrammen zorgen voor een verticale uitdieping. Een gegeven situatie speelt zich altijd af tegenover het geheel, tegenover een tijdcontext, een nu-moment, dat alles omvat. Eigenlijk staat de orde van één moment altijd tegenover de chaos van alle tijd. In mijn eigen ervaring verschijnt een gebeurtenis op de voorgrond en verdwijnen andere zaken naar de achtergrond. De verkregen hexagrammen zijn de voorgrond, de kernhexagrammen de achtergrond.
Ik leef in twee werelden. De ene wereld is onzichtbaar, is pure energie, is adem, ruimte, leegte, bewustzijn. Deze energetische leegte vindt een uitdrukking in het trigram Hemel dat uit drie yanglijnen bestaat. De andere wereld is de zintuiglijke zichtbare aardse wereld, waar de materiële lichamelijke wetten een eigen bestaan leiden en eigen voorwaarden kennen. De aardse maatschappelijke werkelijkheid vindt een uitdrukking in het trigram Aarde, uitgebeeld door drie yinlijnen. Tussen die onzichtbare bovenwereld en de zichtbare onderwereld bevind ik mij.

Het bewuste “ik” weet soms geen raad met de “onbewuste” drijfveren van mijn handelen. Ik lijk soms een jojo die op en neer, in en uit, op zoek is naar één stabiel punt, ergens halverwege of in het Midden. De YI is daarop gericht: hoe vind ik en stabiliseer ik het equilibrisch punt in mijzelf, en daardoor in de wereld? Hoe bevrijd ik mij van hoogte- en dieptepunten (zonder ze weg te gooien of te ontkennen)? Hoe kom ik in mijn centrum, waar alle spaken van het levensrad in samenkomen, waar ik de boel draaiende kan houden? Is er iets wat alles overstijgt? Is er iets dat verder gaat dan denken? Dan voelen? Dan intuïtie? Is er iets dat echt nieuw is, met niets te vergelijken? Ik moet de juiste vragen durven stellen. Zonder angst. Ik moet steeds opnieuw beginnen. De stam van mijn karakter beeldt de YI uit in hexagram 24, De Terugkeer. Ik moet namelijk 24 uur op 24 de aandacht bij het leven houden, mijzelf vernieuwen, zonder kleingeestige uitvluchten. Ik hoef maar te kijken. Aandachtig waarnemen van de activiteiten van “ik”. Zonder iets of iemand te volgen. In het Hebreeuws bestaat het woord Tesjtoewa wat “ommekeer” of “bekering” wil zeggen. We kunnen niet iets worden. Ik kan het niet bereiken of vinden! Het is een mentaliteit, een besef, een houding. Het Grote Werk of Opus ontmoet ergens bekering en bekering wil zeggen dat ik mij opnieuw naar het lichte karakter van mijn oorspronkelijke innerlijke aanleg richt, weg van de verwarring van de uiterlijke gebeurtenissen. Op de bodem van mijn ziel is het Ene, de Totaliteit, HET, zoals HET overal is, in ieder is. HET erkennen betekent mezelf onderkennen in mijn verhouding tot de oneindige kosmische krachten. Met deze instelling een karakter cultiveren, tussen gewone mensen in een gewone wereld, en mét de blunders die ik bega.

Ik trek mij ook niet terug in een klooster (enentjes maar, om in stilte te schrijven aan dit manuscript) of in de eenzaamheid, hoewel de gedachte mij lief is, neen, in de wereld staan, in een houding van aandacht voor het grote en het kleine. Dat is ware meditatie. Ik hoef geen karma te elimineren, want schuld is een gedachte, en gekruiste benen zullen mij niet helpen (ik krijg er reuma van). Ik kan niet anders dan Tesjtoewa. Dat is mijn ethische houding en mijn beproeving, want het ene kan niet zonder het andere. Ik kan niet doen alsof een ethische houding aannemen niet nodig is. Deugd is orde en mijn orde zal beproefd worden. In falun Gong heet het xinxing laten groeien. Voor sommigen klinkt deugdzaamheid verouderd, achterhaald, is het een expressie van conservatisme. De YI spreekt van “weten hoe men zich van alle smetten kan bevrijden”. Ik ervaar nog steeds een soort weerstand tegen het idee van een deugdzaam leven. Ik houd ook zo erg veel van de donkere man in mij. Ik zie bij anderen hoe waardevol een mededogend en deugdzame levenshouding in de wereld is. Ik denk dat iedereen voor zichzelf een ethische wereld kan scheppen. Voor mij is het begrip “geven” erg belangrijk. Geven is niet-hechten aan! Van dichtbij geven, in mijn naaste kring, maar vooral ook van ver-geven. In mijn hart. Ik kan niet evolueren als ik niet geef. Daarom hecht ik mij minder en minder, noch aan dingen noch aan mensen noch aan overtuigingen. De YI toont mij dat ik “verzamel terwijl ik verstrooi”. Ik geef alleen maar door. Zelfs het begrip “geven” en de YI laat ik los. Geleerde mensen van weleer zeggen dat het onnodig is om boeken te bestuderen. Ze zeggen dat het beter is om niet veel te weten. Socrates vindt dat, hoe meer je weet, hoe meer je weet dat je niets weet. Lau-Tze zegt dan weer dat “wie geleerd is, niet weet en wie weet, is niet geleerd”. Zen-meesters hebben het over een woordenloze leer die overgaat van hart tot hart. Nochtans is het net zij die zelf vaak veel hebben gestudeerd. Hoe komt dat? Wat betekent deze paradox? Als ik te hard studeer, kan het gebeuren dat ik iets anders wil zijn dan wie ik echt ben. Ik wil dan zijn als Jezus of als een Boeddha, maar Jezus is Jezus en Boeddha is Boeddha! Ook al zou het waar zijn wat Jezus mij leert, ik kan niet én Jezus én mezelf zijn. Het sluit niet uit dat de kern van Jezus en de kern van mezelf hetzelfde zijn. Het gevaar kan bestaan dat ik ontken of verdring dat ik zelf werkelijk BEN. Toch zal het, in de één of andere vorm, zich veruitwendigen, datgene wat ik BEN.

Ik kan onmogelijk niet-zijn. Misschien wil ik een leer zijn, een theorie, een meester, maar uiteindelijk ben ik alleen maar Wat-Er-Is. Je zou HET ook ER kunnen noemen. Er zijn zovele namen.

Toch is de hoogste goedheid de achterliggende orde, en dan worden boeken en woorden een bewegwijzering en “de vinger is de vinger en de maan is de maan; de vinger die naar de maan wijst is niet de maan zelf”. Ik moet mijn eigen boek ZIJN., mijn eigen leer, mijn eigen Boeddha. En ik maak fouten. Ik mag fouten maken. Ik blijf niet daaraan hangen. Ik vergeef mezelf en ik laat het achter me. Voor Christenen zegt de Jezusfiguur wellicht: “ga en zondig niet meer!”. Fouten maken is voor de YI geen zonde, maar gewoon fout, een blaam. Als ik gewoon ernaar kijk, in de beleving ga en voel wat ik echt nodig heb, dan vergeef ik, laat los en geef het aan pure geest, aan HET, terug. Vervolgens ver-trouw ik erop dat het onnodig is nogmaals in deze fout te gaan. Op die manier geraak ik uit de verwarring van de wereld en uit de begeertes van mijn ziel, psyche. Ik ga helderder zien, door selectie en loslaten, wat goed voor me is. In het woord ver-war-ring herken ik de woorden “ver”, “war” en “ring”. Verwarring is iets wat in feite ver van mij vandaan ligt, want als ik goed naar de dingen en de mensen kijk, dan kan ik de wezenlijke orde “achter de dingen en mensen” zien, en dan verbleekt de verwarring in het felle licht van de waarheid. Het Engelse “war” betekent oorlog. Het tekent de wet die, als ik de verwarring voor waarheid aanneem, schijnbaar in de wereld en in de maatschappij aanwezig is, de wetten van winst, vraag en aanbod, de sterkeren, de macht.
Om uit de verwarring te geraken, moet ik de oorlog los laten. In de eerste plaats de oorlog met mezelf. Als ik nergens aan hecht, valt er ook niets meer om voor te vechten, geen volk, geen vaderland, geen ideologie, … .
De “ring” toont mij het resultaat na de verwarring. Het cyclische aspect verwijst naar het “dagelijks vernieuwen” van mijn karakter, van mijn dagelijkse gewone handelen. Door de Tesjtoewa, de beke-ring tot, de ver-zoen-ing met de diepste kern van mijn psyche, ervaar ik een heilig huwelijk, een hieros gamos, tussen mijn wil en De Wil, tussen bewuste en onbewuste. Ik ervaar een trouwen van ver, een ver-trouwen in de onzichtbare Totaliteit, in HET, dat mij de zekerheid geeft dat ik altijd, op elk moment en op elke plaats, precies ben waar ik moet zijn, precies doe wat ik moet doen, volgens een innerlijke wet van mijn wezen. Ik weet wat ik moet en ik moet wat ik weet. Dat is “geweten”. Ik kan niet foutief bezig zijn, want als ik bezig BEN, geef ik al uiting aan mijn ware aard, aan mijn wezen van voor mijn geboorte.

Zo schep ik de wereld en zo vind ik innerlijke kracht dat mij leert de dingen te accepteren zoals zij nu eenmaal zijn. Op dat moment is de leer geen leer, is het boek geen boek en is het woord geen woord. Dan is er alleen hart. Liefde. Mededogen! Soms wel. Soms niet. De rest is zwijgen.

TIEN is ook zo, is zwijgen en in zichzelf, want 10 is ook het getal 55, want 1+2+3+4+5+6+7+8+9+10=55, die, net als de negen, steeds zichzelf blijft, want 5+5 is opnieuw 10, en zo kunnen we doorgaan, van begin tot eind, van geboorte naar sterven, als de ouroboros, de alchemistische slang die in zijn staart bijt. In het hexagram de Volheid, nr. 55, spreekt de YI van een situatie van overvloed en grootheid, maar zegt dat zo'n toestand van overvloed niet kan blijven duren. “Wees niet treurig; wees als de zon op het middaguur”. De zon zal na het middaguur noodzakelijkerwijs moeten dalen en terug keren naar de horizont. Misschien kan ik bedroefd worden met het vooruitzicht op zo'n verval, maar dat past hier niet, want “alleen iemand, die innerlijk vrij is van zorg en kommer, kan een tijd van volheid in het leven roepen”. De tien stappen zijn voorbij en nu terug naar af, naar de oorsprong, maar wie, ook als hij gaat, blijft, en als hij blijft, gaat, kan zijn als “de zon op het middaguur”, dat alles wat onder de hemel is, verlicht en verblijdt.


LAUDEN

In de structuur van de I Tjing zitten veel deelstructuren. De diepste kern ervan -Hemel, Aarde, Orde en Chaos- is zo een structuur, alsook het proces van voedselbereiding, waarbij ik de duistere en onbewuste kanten van de psyche probeer te transformeren in levend-voedsel-zijn, in eenheid met HET (hexagrammen 5-27-48-50). Als dat lukt -een meestal slechts bij momenten of in één specifieke situatie- dan volgen vier andere hexagrammen die van wezenlijk belang zijn; ik zal de duistere zijde voor het goddelijke, de “Vreze des Heren” onder ogen moeten zien, door mijn eigen nietigheid tegenover de Kracht van HET te erkennen, want het levenslot, welke transformatie ik ook heb mogen ondergaan, slaat in alle hevigheid toe -en ik heb geen macht- (hexagram 51, Het Opwindende). In een “hartstochtelijke gelijkmoedigheid” zal ik in mijn hart “onderzoeken of er heimelijk niets de goddelijke wil weerstreeft” want “ontzag is de grondslag van een waarachtig leven”. Maar ik zal daarnaast ook de lichte zijde van de godheid mogen ervaren in de rust van het hart (Hexagram 52, Het Stilhouden), want mijn gedachten zullen zich beperken tot de situatie van het ogenblik, de onrust van mijn ego zal verdwijnen door de val in God, in HET, door deze diepere laag van mijn wezen. Daardoor, door innerlijk zo rustig te zijn, kan ik mij veilig naar de buitenwereld toewenden. Daar zal ik een andere beeld hebben over wat menselijke liefde is; ik zal op een andere wijze mijn levenspartner (Hexagram 53, de Ontwikkeling) liefhebben en ik zal, door een “begrip van het vergankelijke”, in staat zijn een universele liefde te ontwikkelen voor alle levende wezens, die gebaseerd is op een “spontane genegenheid als alomvattend principe van de vereniging”.
Een derde structuur is een tangconstructie. De eerste tien hexagrammen van de YI geven een duidelijke evolutie weer:

1. Het Scheppende Energie beweegt.
2. Het Ontvangende En ontmoet de materie.
3. De Aanvangsmoeilijkheid Waaruit een vrucht ontstaat, een mens, een individu.
4. De Jeugddwaasheid Die uit onervarenheid en onwe-
tendheid een leer of leraar zoekt, een visie, een antwoord.
5. Wachten Geduldig moet hij wachten op het voedsel dat bij hem hoort.
6 De Strijd En zoekt naar evenwicht, zoekt
naar vrede, harmonie en rust.
7. Het Leger Daarom moet hij voor zichzelf een beeld maken van God, van HET, opdat hij disciplinair in dat kan gaan.
8. De Aaneengeslotenheid Want de tijdelijke tijd is kort en alle mensen één, zodat zij zich verzamelen in groep, want het individu moet zichzelf overstijgen, het ego noch ontkennen noch erkennen.
9. Temmende Kracht Dan kan de mensheid de aarde
van het kleine erven en kleine dingen doen voor elkaar, zodat iedereen gelukkig is.
10 Optreden Daarvoor moet men in de energie gaan van Het Scheppende, meewerken met HET, en met elkaar “blijmoedig” en niet kwetsend omgaan, en af spreken hoe men samen kan leven en hoe men voedsel kan vinden.

Dan volgt hexagram 11, De Vrede, waarbij het trigram de Hemel onderaan staat en trigram de Aarde bovenaan. Dat is het beeld van de “hemel op aarde”. Het tweede deel van de I Tjing start, in analogie met de Vader Hemel en Moeder Aarde van het eerste deel, met hexagram 31 en 32, de verloving en het huwelijk tussen twee mensen.

In hexagram 55, de Volheid, is de cyclus van 10 afgerond. De tangconstructie is nu dat hier het begin is aangegeven van een nieuwe decade, van hexagram 55 tot en met hexagram 64, Voor de voleinding, waarmee het boek afsluit.

55=5+5=10=1+0=1
56=5+6=11=1+1=2
57=5+7=12=1+2=3
58=5+8=13=1+3=4
59=5+9=14=1+4=5
60=6+0=6
61=6+1=7
62=6+2=8
63=6+3=9
64=6+4=10=1+0=1

Hexagram 63 heet “Na de Voleinding” en hexagram 64, Voor de Voleinding”. Op het eerste zicht zou je het omgekeerde verwachten, maar de I Tjing is organisch en cyclisch van aard en toont dit hier opnieuw aan, doordat de chaos dat hexagram 64 uitbeeldt de potentie en mogelijkheid biedt van een nieuwe opleving, een nieuwe start bij hexagram 1, Het Scheppende.

Een andere structuur in de YI is al aangegeven met de negen stappen voor de ontwikkeling van het karakter, waarbij de laatste stap, hexagram 57, het Zacht-moedige, verwijst naar een karakter dat innerlijk erg één is en sterk, maar uiterlijk soepel en meegaand. Tussen hexagram 55, de Volheid, waar het individu “innerlijk vrij is van zorg en kommer” en hexagram 57, “sterk en soepel”, als de wind, als de Grote Geest zelf, vind ik een overgangshexagram, nr. 56, de Zwerver. Han Boering schrijft erg passend over dit hexagram: “Esoterisch gezien is dit het hexagram van de mens die zijn bestemming zoekt. Over smalle moeilijk begaanbare paden (trigram Berg) zoekt hij de plaats waar hij zich kan vestigen (Vuur, het Zich-hechtende). Dit hexagram kan gezien worden als metafoor voor de mens die zijn weg door het leven zoekt. Eigenlijk zijn wij allen kosmische zwervers. Wie kent zijn ware levensdoel?”
Vandaar de koan van Jezus: “wees voorbijgangers” en dezelfde zoektocht die ook Prediker verwoordt en met hem, zovele anderen die, op een eigen en zinnige wijze, hun leven betekenis willen geven en op zoek zijn naar het mysterie dat schijnbaar alle leven dirigeert.

Kan ik iets anders dan kosmopoliet zijn? Kan ik mij verbinden met een identiteit die kleiner is dan dat? Kan een Keniaan een Keniaan zijn en ik een Belg? Of ben ik mens en is hij mens? Wij zijn zwervers, pelgrims op weg naar het Midden, naar Nergens, naar God, naar HET!

Als ik “innerlijk vrij van zorg en kommer ben” en “innerlijk sterk, maar soepel in de omgang” en als ik mij vrij voel als een pelgrim op weg naar God, kan ik dan iets anders ervaren dan tevredenheid, dan vreugde, dan blijheid? Kan ik dat? Nu, op dit moment, nu ik dit schrijf -en Willem, een Nederlandse arts die, net als ik, een korte tijd in een klooster verblijft, en vriend is geworden, maar die net afscheid neemt en verder reist-, ben ik alleen maar vreugde.
Hexagram 58, het Blijmoedige, lijn een: “Een stille, in zichzelf gekeerde blijheid, die geen woorden behoeft, die niets van buitenaf begeert en met alles tevreden is, blijft vrij van alle egoïstische sympathieën en antipathieën. In die vrijheid ligt het heil, als in de rustige zekerheid van het hart, dat in zichzelf zijn kracht heeft gevonden”. Inshallah! Inshallah!



TERTS

Misschien bent u wat in verwarring door de hoeveelheid informatie uit de vorige hoofdstukken. De I Tjing is in feite eenvoudig te begrijpen en gemakkelijk na te doen. Zoals niet iedereen van schaken houdt (64!), als het over sport gaat, zo houdt niet iedereen van de YI als men in spiritualiteit naar disciplines zoekt. Maar welke methode iemand ook volgt, zoek uw eigen definitie van God of het goddelijke, en stel dat in het Middelpunt van uw leven. Onderzoek het! Onderzoek ook het feitenmateriaal in uw eigen leven? Ga grondig op onderzoek uit naar de essentie van dit alles? Gooi niet alles weg! Gooi niet weg datgene wat je ooit, op één moment zelf hebt ervaren, of wat anderen u ooit hebben onderwezen. Als je alles weggooit, gooi je de Adem van HET weg, en HET is de enige werkelijkheig. Als je de werkelijkheid weggooit, wat rest er dan?

De praktijk, het Werk, is een moeilijke zaak! Om in de wereld van de ervaringen een plaats te vinden en een gedrag te stellen dat in harmonie is met een soort universele orde, is het aangewezen goed de Volgorde van Wen te bestuderen en die proberen toe te passen in het dagelijkse leven.

1. De ommekeer (bekering) ontluikt (de Donder) doordat het “ik” geen voldoening meer vindt in de gewone dingen van elke dag. Daarom ontdoe ik mij van ballast, geef ik weg, om mezelf vrij te maken. Vrij zijn is niet-hechten aan iets of iemand. Totaal bevrijd zijn is TOTALITEIT, of is HET.
2. Als ik mij van het overbodige en overtollige ontdoe, is er ruimte voor de groei, de wassing van de Bron (de Wind), die de Geest of Adem van HET is. In de leegte is er namelijk ruimte voor de werking van de Grote Wil van HET, die de Bron is van alle leven. Deze Bron is het fundament en de wortel van een “heel” of “geheeld” bestaan en HET is de achterliggende Kracht van de entelechie van elk onderdeel van het geheel.
3. Als de Grote Wil in mij in kracht toeneemt, kan ik ontwarren (het Vuur) wat echt belangrijk is en dan is er licht in mijn leven. Door dit licht ben ik werkelijk in staat tot “vergeven”.
4. Als ik mezelf en anderen vergeef, bevrijd ik mij uit de val van de materie. Ik laat “wat is” en ik laat de stof los, waardoor ik de geestelijke aspecten van het leven mee help bevrijden. Loslaten is HET laten! Omdat het stoffelijk ook HET is, ga ik er zorgzaam (de Aarde) mee om. Ik kan het materiële ook vrijelijk delen met mijn omgeving, omdat niets nog van mij is.
5. Omdat niets meer van mezelf is, verdwijnt de ambitie, de drang tot strijd met anderen, het louter egoïstische, en ben ik in staat om mij echt te verenigen (het Meer) met de ander(en), met het andere en met HET. Ik kan het brood breken en de wijn opheffen. In vereniging bestaat geen isolement en eenzaamheid. Omdat HET is gedeeld, ontstaat innerlijke vreugde en werkelijke tevredenheid.
6. Als ik mij -aanvankelijk bij momenten, later alsmaar meer- in een dergelijke psychische staat bevind, zal ik een absoluut vertrouwen bewaren in HET, en ben ik “bevrijd van zorg en kommer” en ben ik “als de zon op het middaguur, die alles verlicht en verblijdt”. Maar het innerlijk gemoed van het ego, van “ik-gerichtheid”, probeert verdeeldheid te zaaien en geeft mij situaties op mijn weg die aanzetten tot denken, dus tot twijfel en daardoor uitmonden in strijd (de hemel) tussen “ik” en HET.
7. Al het voorgaande juist inschatten is het echte voedsel voor een mededogend hart en het voedsel bewaren betekent dat ik een voortdurende scheppende houding aanneem, waarbij het Grote Werk (het Water) dagdagelijks plaatsvindt.
8. Want het Grote Werk doen is de voltooiing (de Berg), is de transformatie en is een staat van voortdurend in HET zijn, in meditatie.

Het proces dat ik omschrijf, is verbonden met de Lo Shu, en toont mij enkele praktische mogelijke toepassingen van transformerend handelen in de concrete werkelijkheid. Toch is het voor mij moeilijk “in de Geest” te blijven, misschien niet haalbaar, maar er is geen andere weg. “Kom Grote Geest, kom!”

Als ik een oplossing (hexagram 59, de Oplossing) wil vinden voor het scheiding-brengend egoïsme in mijn hart, heb ik religieuze krachten nodig die hemel, mens en aarde verbinden. Door de hardheid van het leven en de begeerte en zelfzucht in mijn gedachten, verstart mijn hart, en wordt hard, en in deze verstarring zonder ik mij af van al het andere, word ik een fragment, een veer in de wind, dat geen en weer wiegt, zonder ruggegraat, want begeerte en hebzucht isoleren mensen. Het beeld van “de Oplossing” raadt aan: “Daarom moet een vrome ontroering zich meester maken van hun harten. Ze moeten worden verlost door een huivering van ontzag in het aangezicht van de Eeuwigheid, die hun als in een bliksemflits een intuïtief begrip geeft van de Enige Schepper van alle levende wezens en hen verenigt door de macht van de gemeenschapsgevoelens bij de heilige plechtigheid van de aanbidding van het goddelijke”. Hier verdwijnt het individu in het collectieve, en op zich heeft dit weer dat HET een eenheid is, een geheel, waar niets of niemand in uit te sluiten valt. Maar het collectieve kent zijn gevaren, als het niet met het onzichtbare is verbonden, want alle “-ismen” van systemen zijn, onder menselijke leiding, vervallen tot dictatuur, onrecht en lijden. Een mens (het Meer) heeft een beperkte ruimte, terwijl regen (het Water) een onbeperkte bron van inspiratie en mogelijkheden inhoud. Onbeperkte mogelijkheden zijn niets voor een mens. Ik kan wel in HET zijn en HET in mij, maar ik ben niet HET, ik ben ik en HET is HET. Een meer is niet de oceaan, hoewel water water is. Mocht ik mijn grenzen niet bewaken, dan zou ik vervloeien in het grenzeloze. Ik moet mij beperken (hexagram 60, de Beperking) door plicht en verantwoordelijkheid, door ethische vaste regels van trouw en belangeloosheid, want alleen door in vrijheid deze beperkingen op mij te nemen, en mij te onderwerpen aan geboden en plichten, krijg ik als enkeling betekenis als vrije geest in het geheel, in het heelal, in HET. Ik onderneem de pelgrimstocht om te weten waar mijn ziel voor is voorbestemd; wat mijn taken zijn in dit leven, op dit moment; welke waarde ik kan toevoegen aan HET. Ik ben nietig-groots, want ook de beperking zal ik beperken. Dit is een offer, in vreugde, voortgebracht door HET zelf, door liefde, die zelf geen grenzen kent. Ik zal mij niet verschuilen achter kleinzielige uitvluchten om aan de roep van mijn ziel te ontkomen. Ik zal doen wat mij te doen staat. Ik moet dit schrijven.

Volgens de Veda's zijn er twee obstakels op onze weg: geestelijke dofheid (avarana) en afleiding (vikshepa). Dat doet mij denken aan de “onverschilligheid” en “traagheid” bij hexagram 18, het Werk aan het bedorvene. Daarom probeer ik actief te zijn, waakzaam van geest, kalm en gelijkmoedig in mijn hart en probeer ik een gevoel van liefde en eenheid met alles en allen te cultiveren. Dit alles zonder garanties, zonder een “hemel te willen verdienen”, maar gewoon uit een intuïtieve overtuiging dat mededogen het enige is in het menselijk leven waarmee ik kan bevrijden en waardoor ik bevrijd word.


SEKST

In de film “Waarom vertrok Bodhi Dharma naar het oosten?” van Yong-Kyun Bae, zegt een monnik aan een leerling het volgende:

Als je de maan bevrijdt die in je schuilt,
zal zij hemel en aarde verlichten.
En haar licht zal de schaduw van 't heelal verjagen.
Als je dat begrijpt,
zal je al het andere begrijpen.
Als je dat bereikt,
Zal 't goede nieuws zich
over het hele universum verspreiden.
Als je dat leert
zal je alles kunnen doordringen.
En dan krijg je een universum
waar dag en nacht één zijn.
Deze eenheid zal volmaakt zijn.
En alles zal er werkelijkheid worden.
Ze zal vrij zijn van alle hindernissen.
Er zal een totale vrijheid heersen.”


NOON

Op 15 november 2001 deed ik een toevallige ontdekking. In de astrologie kijkt men hoe, vanuit symbolisch oogpunt, planeten, huizen en tekens met elkaar in verband staan.
De geboortehoroscoop (de radix) geeft mogelijks psychologische informatie over een individu. Twee symbolen staan ook op de radix, dat zijn de zuidelijke maansknoop (vanuit welke vorige levens ik kom) en de noordelijke maansknoop (waar het in dit leven en in de toekomst naartoe zou moeten gaan). In mijn geval staan deze knopen respectievelijk in boogschutter en in tweelingen. Ik leg hier niet precies uit wat dit inhoudelijk allemaal betekent, dat zou ons te ver weg leiden van wat ik wil zeggen.
In de I Tjing technieken volgens Da Liu, die met de pruimebloesemmethode aantoont hoe je een geboorte-hexagram kan vinden, door een combinatie van diverse tijdsaspecten en trigrammen, heb ik kunnen uitrekenen dat mijn geboortehexagram nr. 46, het Omhoogdringen is, dat verandert, met een vijfde bewegende lijn, naar hexagram 48, de Waterput. Dus als volgt:

Het onderste trigram van hexagram 46 betekent symbolisch wind, wortel, hout. In materie omgezet kan dit een houten stok of een pijl voorstellen. De twee lijnen die yang zijn, doen me denken aan energie, aan iets verder-licht, en doet me ook denken aan vliegen. Het buitenste trigram is de Aarde, iets materieels, stoffelijk. Een buitenste trigram zegt iets over “waar het naartoe” gaat. Dus een vliegende pijl met pluimen beweegt zich naar een doel, een roos. De Waterput heeft als symbool de tjing, zoals u weet, dus ziet dit er als volgt uit:

TIEN is in orakeltaal “trappen op de staart van de tijger. Hij bijt de mens niet. Welslagen”. Als ik hexagram 10, het Optreden, omzet in de Ranorde van Koning Wen, de lo shu, dan ontstaat hexagram 50, de Spijspot. In de zenliteratuur beschrijft men een verlichtingsproces in het verhaal van de tien ossen. Hier hebben we te maken met een tijger. In de encyclopedie van Maarten Timmer staat bij tijger: “de tijger is evenals de stier een personificatie van de drift die tegen iemand is gericht. De tijger stelt in China het vrouwelijke yin-principe voor. Yin heerst over materie en ruimte en streeft naar vervolmaking. De positieve waardering voor de tijger hangt mogelijk samen met het feit dat hij wilde zwijnen verslindt die de akkers vernielen. De tijger symbolideert de toorn, de wreedheid en de schoonheid van de orgiën, die verbonden zijn met Dionysos. In het Christendom is de tijger een symbool van Christus.”

Mijn leven is, in christelijke symboliek, een zoektocht naar de Christus, eerst buiten en nu in mezelf. Dat vraagt geduld en deemoed. Dat vraagt een aantal bewerkingen, stappen, nu eens vooruit, dan weer achteruit. En onderweg maak ik veel fouten, ik trap tegen alle christelijke regels in, ik trap op de tijger, op Christus, maar die bijt mij niet. Mogelijks loopt het pad achter de tijger als volgt (naar analogie met de os in zen:

1 HET ZOEKEN VAN DE TIJGER
In het universum zoek ik her en der de tijger.
Vreemde landen, verdwaald en langs woestijngrote stranden,
Terwijl ik honger heb en dorst, en pijn in heel mijn zijn,
Kan ik de tijger nergens vinden.
Ik hoor alleen de regen vallen op de groene maagdenpalm.



2 DE EERSTE SPOREN
Onder het gras in de steppe vind ik sporen van klauwen in de grond. Zelfs in het harde zand zie ik zijn sporen.
Ver weg van de bewoonde wereld worden zij gevonden.
Deze sporen zijn signalen die niemand kan ontgaan, net zo min als het onweert, en de weerlicht flitst, niemand ziet dat het zal regenen.

3 HET ZIEN VAN DE TIJGER
Ik hoor een kraanvogel in de verte.
De zon is warm, de wind is zacht, het groen langs de weg is mooi.
Hier kan geen tijger zich verstoppen!
Welke kunstenaar kan zijn smalle ogen, de trilharen, de fijne oren tekenen?

4 HET VANGEN VAN DE TIJGER
Ik vang de tijger na een hevig gevecht.
Zijn lenigheid en snelheid zijn weergaloos.
De tijger stormt naar de kooi, iets verder tussen de bomen.
Hij staat voor de deur.

5 HET TEMMEN VAN DE TIJGER
Zweep en kooi heeft men nodig,
Anders vlucht hij schichtig op een onbewaakt moment weg
Goed gedresseerd, dan volgt de rust
Dan gehoorzaamt hij, vrij, zijn meester.

6 MET DE TIJGER NAAR HUIS
Ik rij met de tijger naar huis.
Het geluid uit de luidsprekers breekt de stilte van de avond.
Ik klap in mijn handen, buig heen en weer aan het stuur, terwijl ik met mijn kreten het eindeloze ritme beheers.
Iedereen die mij hoort zal zich bij mij aansluiten.


7 DE TIJGER TE BOVEN
Met de tijger kom ik thuis.
Ik ken kalm. Ook de tijger wil rusten.
Het ochtendgloren breekt aan. In heerlijke stilte
heb ik kooi en zweep in de garage verbannen.

8 DE TIJGER EN HET ZELF BEIDE TE BOVEN
Zweep, kooi, individu en tijger - allemaal verdwijnen zij in het Niets.
Het universum is zo groots dat geen woord of boodschap het kan vervuilen.
Hoe kan een sneeuwvlok bestaan in een razend vuur?
Hier zijn de sporen van de I Tjing.

9 HET BEREIKEN VAN DE BRON
Te ver ben ik weg gegaan van de oorsprong en de Bron.
Beter was ik van aan het begin doof en blind geweest!
Wonen in mijn vaste stek, onbezorgd voor wat daar buiten woedt -de zee gaat rustig op en neer en het schuim op de golven is wit.

10 IN DE WERELD
In oude schoenen en in vuile kleren, verplaats ik me naar de mensen in de wereld.
Mijn kleren zijn gescheurd, ik bezit niets en ik ben steeds gelukkig.
Ik gebruik geen wondermiddelen om mijn leven te rekken.
Nu komen voor mijn ogen de dode bomen tot leven.

Wie niet tien is, is gezien. Tien houdt alles is. De binaire getallen 1 en O zijn de sleutels van het leven. Als ik 1 ben of nul, maar niet 1 én O, dan ben ik eraan voor de moeite. Maar dat begrijpt niet iedereen. Toch is het zo: wie niet tien is, is gezien. “Voor de verlichting: hout hakken en water dragen. Na de verlichting: hout hakken en water dragen!”


VESPERS

Brahman, het Woord, wordt in het Hindoeïsme ook Isha of Ishvara genoemd, de Heer. In de Koran is Jezus de profeet Isa en in het runenalfabet is Isa de rune van het ijs en van de winter, wanneer licht en duisternis een robbertje vechten met elkaar. De moeder van Mercurius (Hermes) is Maia, de moeder van Boeddha is Maya en de moeder van Jezus is Maria. Leuk is dat, spielerei met woorden, maar hoe ik ook zoek naar juiste namen en woorden, ik kom er nooit toe, want het celebrale denken beperkt mij en houdt mij af van de werkelijke beleving van HET. Ik weet niets, ik weet helemaal niets, behalve het kakelen van kippen, het bewegen van mijn mond dat klanken baart, als regen uit wolken, zonder dat ik ergens ben, zonder dat ik iemand ben; zonder HET ben ik niets.

Als ik mezelf beperk, wat een offer is, vind ik een plaats, een specialiteit, die een bijdrage levert aan een groter geheel, aan de samenleving bijvoorbeeld. Als puber lagen alle mogelijkheden nog voor mij open. Ik zou de wereld veranderen en het beter doen dan alle vorige generaties. Zo denken we dan, niet? Maar als ik mij vrijwillig door plicht en engagement verbindt met de samenleving, word ik betrouwbaar. Hier is een verwijzing naar hexagram 61, de Innerlijke Waarheid. “Over het Meer waait de Wind en hij beweegt de oppervlakte van het water. Zo kunnen de werkingen van het onzichtbare zichtbaar worden. Het teken bestaat boven en beneden uit vaste lijnen (yang), terwijl het in het midden onderbroken -vrij- is. Dat wijst erop dat het hart vrij is van vooringenomenheid, zodat het in staat is tot opname van de waarheid.” De tweede lijn van het hexagram Innerlijke Waarheid is “Een roepende kraanvogel in de schaduw. Zijn jong antwoord hem. Ik heb een goede beker. Die wil ik met je delen.” De uitleg van Wilhelm erbij is: “Hier is sprake van de onwillekeurige invloed van het innerlijk wezen op gelijkgezinde mensen.” Ik zie hierin een parallel met het eerste hexagram met als vijfde lijn: “elk volgt het zijn verwante”.
Vervolg van hexagram 61: “De kraanvogel hoeft zich niet op een hoge heuvel te vertonen; al laat hij ook geheel onzichtbaar zijn roep weerklinken, zijn jong hoort en herkent zijn stem toch wel, en geeft antwoord. Dit is de echo die door sympathie in de mensen wordt gewekt. Waar een stemming zuiver en oprecht tot uiting komt, waar een daad de innerlijke gezindheid duidelijk uitdrukt, daar werken ze op onnaspeurlijke wijze ook in de verte; allereerst op degenen die er innerlijk voor open staan, maar deze kringen worden steeds breder. De wortel van alle inwerking ligt in het eigen binnenste.” Confucius zegt over dit hexagram en over deze lijn: “De edele verwijlt in zijn kamer. Kiest hij zijn woorden goed, dan vindt hij instemming op een afstand van meer dan duizend mijl. Hoeveel te meer van dichtbij! Wijlt de edele in zijn kamer en kiest hij zijn woorden niet goed, dan wekt hij verzet op een afstand van meer dan duizend mijl. Hoeveel te meer van dichtbij! De woorden gaan van de eigen persoonlijkheid uit, en werken op de mensen in. De werken ontstaan in de nabijheid en worden zichtbaar in de verte. Woorden en werken zijn de scharnieren en de voetboogveren van de edele. Naar gelang deze scharnieren en veren zich bewegen, brengen zij eer of schande. Door woorden en werken beweegt de edele hemel en aarde. Moet men dan niet voorzichtig zijn!”

Dat is volgens mij wat er gebeurd met mensen die psychologisch en spiritueel zo groeien, dat zij vanaf de plaats waar zij zich bevinden, om het even waar, invloed uitoefenen op hun omgeving, zowel veraf als dichtbij. Het is niet de bedoeling dat dit een streven wordt, want er moet niets.

In het volgende hexagram blijft het beeld van een vogel behouden, nu geen kraanvogel aan de grond, maar een vogel die wil vliegen. Het orakel “men kan kleine dingen doen. Men mag geen grote dingen doen”, wijst op nederigheid. Ook de zinsnede “De vliegende vogel brengt de boodschap: het is niet goed omhoog te streven. Het is goed beneden te blijven. Groot heil!” Wat wil dat zeggen. Wanneer nu, na talloze jaren, na het zoeken en aftasten van mogelijks te betreden paden op het vlak van spiritualiteit en zingeving, na vele gebeden of momenten van inkeer en meditatie, blijkt het nog te werken ook. Mensen zoeken u op, vaak om allerhande andere redenen dan vroeger, u ervaart een relatief stabiel gevoel van evenwicht en daarmee gepaard gaande tevredenheid, u meent dat het nu echt wel is vooruitgegaan, want weet u, elke dag ziet u één of andere synchronistisch voorval en elke dag blijft u in de nabijheid van HET door de mantra, en als u alle levensdomeinen nader bekijkt, dan zegt u: het gaat… het gaat verbazingwekkend. Toch zegt het laatste hexagram (voor de hexagrammen van orde en chaos, 63 en 64), het tweeënzestigste: “Maar de vogel moet niet te hoog willen vliegen en zich verbeelden dat hij wel tot de zon kan komen: hij moet bij de aarde blijven, waar zijn nest is. Daarmee brengt hij de boodschap, die het teken verkondigt.” In de Filokalia vind ik van Johannes Klimakos de uitspraak “oorzaak van verblinding is de eigendunk”, van Theophanos de kluizenaar: “vrees het meest een hoge dunk van jezelf” en van Ignatius Brjantsjaninov: “wie zich inbeeldt begenadigd te zijn zal nooit genade deelachtig worden”.
Ik ben een mens van vlees en bloed. Ik ben tevreden. Ik moet niets. Ik moet u niets vertellen. Niets bijzonders. Het gaat. Inshallah! In verschillende stadia, in verschillende perioden van mijn korte leven, stel ik vast dat hoogmoed en overmoed de kop opstaken. Twee extreme gevaren liggen op de loer: enerzijds kan het ego opgeslokt worden door het onbewuste; dan hoort het stemmen heel dichtbij of kan de persoonlijkheid geen enkele beslissing meer zelf nemen, wordt slaafs en onderdanig aan een kerk, een leer, een goeroe; anderzijds kan het ego denken dat hij het onbewuste zelf is, dat het de messias zelf is. Deze twee vormen van “inflatie” van het ego zijn het die mensen bang maken om de tocht naar zelfverwerkelijking aan te vatten. En zij die het pad bewandelen, weten vaak wat de gevaren zijn en wat ze inhouden.

Ik kan niets! Ik kan niet iets zelf. Alles wat ik ben en kan is mij gegeven. Ik kan alleen dankbaar zijn, HET aanroepen in nood, danken bij vreugde en loven op alle andere momenten. Ik kan niets! Alles is mij gegeven. Ik kan HET niet trekken naar mij. Ik kan alleen wachten en geduld hebben. Ik kan doorgeven, maar wat ik doorgeef, is niet van mij, is geen eigen bezit. Ik kan alleen deemoedig danken dat ik iets doorgeven mag. Ik kan niets! Ik kan niet iets zelf. Alles is mij gegeven. Alles is genade, want “bent u niet de rechte man, dan openbaart zich aan u niet de Zin”.


DAGSLUITING

TIEN is mysterieus. Tien is een volledig proces, een totaliteit. Tien is mystiek, omdat het alles omvat en omdat het één is. Mystiek hoeft niet wereldvreemd te zijn, maar het woord klinkt velen in de oren als vreemd, vaag, duister, moeilijk, zweverig, enzovoorts, maar ik geloof dat een mystieke levensvisie niets van dit alles is. Mystiek is in de werkelijkheid staan zoals die is: non-dualistisch, vreugdevol, helder, gemakkelijk, eenvoudig en hemels aards. Ik gebruik voor mezelf vaak gekende symboliek, uit het christendom, omdat ik in de uitdeiningen van die religie ben opgegroeid. De Dalai Lama zegt dat het niet gemakkelijk, of zelfs onmogelijk is, om van spirituele traditie te veranderen. Een traditie is niet opgezet over een nacht ijs. Traditie is een resultaat van eeuwenlang zoeken van een heel volk, een heel continent. Ik kan dit beamen, want het vreemde trekt aan, door de fascinatie, maar niet door wat we er werkelijk van begrijpen. Toch wil ik mij zelf nergens mee identificeren, niet met één kerk of een traditie. Ik geloof rotsvast dat een mystieke benadering dit alles overstijgt en aantoont wat spiritualiteit echt is, voor elk mens, voor elk continent, voor elk land en voor elke geloofsovertuiging -zelfs voor wie geen overtuiging heeft. Dat is het wonder van mystiek, van eenwording, vreugde en tevredenheid. De taal om over een onverwoordbare mystieke ervaring te spreken zijn de symbolen, en deze symbolen vind ik voldoende terug in onze eigen westerse traditie. Mystiek laat de geest ook toe om vrij te zijn. Hoe wijsgerig is iemand wanneer hij, overvol als hij is van gedragsregels, moraal, dogma's, wetten, open wil staan voor het mysterie en voor een medemens? Wie zijn dan die anderen, die niet dezelfde rommel willen meezeulen? Wie zijn zij? Armen van geest? Onwetenden? Zondaars? Verdwaalden? Wie is het dan die oordeelt? Wie is het die zegt wat anderen dan zijn? Volgens mij moet de geest totaal bevrijd zijn, helemaal leeg, ruimte. Ik moet alles loslaten, ook de traditie, als ik HET wil toelaten!

Waarom heb ik u meegevoerd in dit verhaal en in deze uiteenzetting over aspecten van de I Tjing of de YI? Ik weet dat niet zo goed. Het vertrekpunt was dat ik iets op papier wou zetten over een orakelboek dat mij al zo lang bezighoud en waarmee ik moeilijke tijden in mijn persoonlijke leven heb doorworsteld, waar ik steun aan gehad heb, advies, troost, opwekking. Verder was er de eerzucht. Een boek schrijven is een droom die ik sinds mijn achtste levensjaar koester, maar de eerzucht vernietigde de inhoud, waardoor ik al een jaar of drie ploeter en pruts aan zinnen, woorden, frases. Ik stond op een piedesstal en de lezer was publiek. Ik wou de emotie en de anekdotiek vermijden. Dit opzet mislukte natuurlijk, want wat het boek voor mij betekende en de waarde dat het nog steeds voor mij heeft, is ook emotie, is een relatie, een verhouding en een overgave. Geen geloof, want I Tjing is geen geloof. I Tjing is “in de werkelijkheid” staan, in de “dood-simpele” waarheid van de verandering.
Een andere reden voor dit boek, dat zijn de mensen die ik op straat zie lopen, kromgebogen, bedrukt, met doffe ogen, schichtig om zich geen kijkend. Ik zie de angst van “niet genoeg”. Ik zie de begeerte, de onrust, het onbehagen, de ontevredenheid. Ik zie hen verlangen naar rust, soms naar de dood, een rust in vrede. Ik zie wat ik niet ben, maar lange tijd was geweest en ik zie in dat het mij nu anders vergaat doordat ik heb mogen kennismaken met een oud Chinees wijsheidsboek. Ik dacht, wie weet dat, als iemand mijn script leest, hij daardoor de YI leert kennen en dat dan langzaam zijn of haar ogen weer gaan schijnen, dat ze hun rug rechten, vrij worden van angst en geloven in hun eigen ziel, hun eigen entelechie? Wie weet, dacht ik! En nu het einde van dit boek nadert, is de vreugde alleen maar groter. Ik heb de laatste weken alle vruchten geplukt van de voorbije jaren ploeteren en prutsen, en op het moment dat ik niet meer uitkeek naar het resultaat in de toekomst, maar gewoon verder werkte, uit liefde voor het werk zelf en de YI, pas op dat moment verliep het schrijven aan dit boek gesmeerd.

Ik wandel in de natuur, door de velden. Mijn hart jubelt, mijn taak is volbracht. Ik luister naar een zachte bries in het koren. De wind zingt met me mee. Ik hou haar hand vast, haar rug, haar buik. Zopas, in de cafétaria, nipte ze van haar koffie en moest zij lachen met een opmerking van me. Ik zei dat ik niets kan opnoemen dat ik bij haar miste. Ik zei ook dat ik zo blij was, niet alleen omwille van haar, maar omwille van het leven, het fantastische leven dat ik heb. Wat verder zagen wij een maïsveld. We liepen er heen. We wrongen ons giechelend door de stengels en bladeren, tot we verdwenen in de geborgenheid van de Moeder. We vleiden ons tegen elkaar aan en hebben op de aarde de liefde bedreven. Ik keek in haar ogen onderwijl en ik zag het licht in haar, ik zag geen angst, geen begeerte, geen onrust, geen onbehagen en zeker geen ontevredenheid. Ik zag, in het diepste van haar ogen, nadat zij zich eerst over me heen had gebogen en vervolgens terug in evenwicht kwam, haar rug strekte, zag ik de volheid, “de zon op het middaguur”, zag ik de liefde, HET. Toen werd het duister. Mijn lichaam stremde zich en bijna stikte ik in een half ingehouden schreeuw. Het volgende wat ik zag was een helder blauw hemelgewelf, de klederdracht van Maria, en in mijn hart moest ik huilen, heel stil, en niet van verdriet, maar wel huilen van geluk.

In acht hexagrammen, van 55 tot 62, en in de zeven stappen zoals die in de eredienst van de trappistenorde aangehouden wordt, is dit hoofdstuk opgebouwd. Acht plus zeven is vijftien, het meesterschap (hexagram 15) door nederigheid en geduld, zodat de geest en de drift (hexagram 16, de Geestdrift) verenigd kunnen worden, zonder slavernij aan of oordeel over één van beide uitersten, maar in het Midden blijvend, zodat ik HET kan navolgen (hexagram 17, het Navolgen) waar de tweede en derde lijn ook een evolutie laten zien:

Tweede plaats: “hecht men zich aan de kleine knaap (ego), dan verliest men de sterke man (HET)”
Derde plaats: “Hangt men de sterke man aan, dan verliest men de kleine knaap. Door na te volgen vindt men wat men zoekt”.

Na 17 volgt dan weer het achttiende hexagram, het Werk aan het bedorvene, waarbij de mens het als taak heeft een betere wereld te creëren, niet door maatschappelijke structuren en systemen, maar door een innerlijke individuele transformatie, waar iedereen doet wat hij doen moet. Een geestelijke anarchie als samenlevingsvorm, zo zou je het kunnen noemen, alhoewel het woord anarchie een negatieve bijklank heeft. Een geestelijke autarkie klinkt wellicht beter, niet? Och wat, u zoekt het zelf maar uit! Basta!

Ik ben tevreden. Ik moet niets melden, niets schrijven, niets vertellen. Dat maakt me erg gelukkig. Ik moet niets!
Bent u tevreden? Ik wel. Niet zomaar, niet plotseling, niet vanzelf. Maar het gaat hier niet om mij. Het gaat om “niets”.

U die dit hebt gelezen, bedankt.



Handzame, augustus 2002

Tussen Hemel en Aarde, beweegt de Mens of is hij in rust, maar hij wordt heen en weer geslingerd tussen binnenwereld en buitenwereld. Vandaar dat de hexagrammen voor beweging en rust (Meer, Donder, Berg en Wind) heen en weer bewegen, naargelang de extraversie of de introversie van het karakter. Iemand kan vanuit een innerlijk conflict, een ander beeld krijgen op de buitenwereld, of omgekeerd, door een conflict met de buitenwereld, een innerlijke transformatie ondergaan. De Volgorde van ho tou heeft witgekleurde trigrammen, want zij staan als achtergrond tegenover de lo shu, dat de wisselvalligheden en de cyclussen in de zintuigelijke wereld weergeeft. De buitenste cirkel toont een groter geheel, een universeel gegeven; de tweede cirkel toont de wedervaardigheden in de samenleving en in de natuur; de derde cirkel is de psyche van het individu, dat gekruisigd is aan de dualiteit beweging en rust; de lege cirkel in het Midden is het centrum of het Zelf, van waaruit alles vertrekt, van binnenuit, van de entelechie, het ingeschapen doel waarmee een persoon is geboren.

In de volgende bladzijden staat een samenvatting. In feite heb ik die eerst gemaakt. Ik wou eens samenvatten wat ik nu eigenlijk dacht en hoe ik in mijn diepste Ben. Vanuit dit “tractaat” is al het voorgaande gegroeid.


Samenvatting

1. Wat is de YI? De I Tjing? Het boek der veranderingen? Een bijzonder vreemd boek dat antwoord geeft op onze vragen over natuur, wereld en mens.

2. Wat vertelt de YI zelf? Moeilijk, maar commentaren verduidelijken, dat wel, en Confucius zegt ons daarbij het volgende: “Datgene in Tao, wat niet door het lichte en donkere kan worden gepeild, heet de Geest” Er blijft een onverklaarbare rest over, die niet door het spel van yin en yang kan worden verklaard en deze laatste diepte van het Tao is de Geest, het goddelijke, ondoorgrondelijke (blz. 209) en ook: “De Geest is op geheimzinnige wijze in alle wezens werkzaam” (blz. 188).

3. Als wij het voorgaande als relatief waar aannemen, dan is de diepste kern van de YI de achterliggende kracht van Tao of van de Totaliteit. In het Christendom, de toch wel overheersende religie in het westen, is er in de Bijbel slechts eenmaal een verhaal waarin de godheid zichzelf definieert en zichzelf benoemt, nl. bij het brandende braambos waar de Naam daar is: “Ik Ben Die Ben!”. Wanneer wij het persoonlijk voornaamwoord veranderen van “ik” in “de dingen” en vervolgens in het onzijdige “het”, dan krijgen we “De Dingen Zijn Wat Ze Zijn! ” en “Het Is Wat Het Is!” Daarom spreek ik over de godheid als over HET, waarbij ik aanneem dat de godheid in feite gelijkgesteld kan worden aan HET Al, aan HET Alles en HET Allen, dus aan de Totaliteit. Deze definiëring vertoont nu weinig verschil met de taoïstische visie in het oosten. De Totaliteit is ook erg reëel. Sommigen zeggen dat je de godheid niet kan zien? Is de Totaliteit niet te zien? Wat zie je dan wel?

4. De Totaliteit draagt in zich delen die op zichzelf weer gehelen zijn. Deze holistische visie houdt in dat alles IN HET is als HET. Dit uit zich als een soort wisselwerking waarbij het individu en het veld van de omgeving met elkaar zijn verbonden in een soort van resonantie. Zo ook is elke lijn van een hexagram een deel van het geheel en staat in resonantie met de gehele betekenis van een hexagram en met het geheel van de YI.

5. In elk veld van een hexagram zijn drie krachten werkzaam die klassiek genoemd worden “Hemel, Mens en Aarde”. De buitenste cirkel is de hemel, de tweede cirkel het wereldse, de derde cirkel de mens als individu en de kleinste cirkel ikzelf in mijn eigen specifieke context.

6. Het “ik” of het “ego” ervaart vele problemen. Het eerste probleem ontstaat als ik u vraag mij uw “ego” te geven; ik bedoel, toon mij uw ego, leg het daar, zoek het? Ook al snij ik mezelf in duizend stukken met een boomzaag, nergens is een ego of een “ik” te vinden. Over wat spreken wij dan? Wat is het ego dan? Het kan niets anders zijn dan “gedachten”, een COMPLEX aan ideeën die ik zelf geloof en die ook door anderen zijn geformuleerd en die ik aanneem als “zelf”. Als de gedachten stoppen, stopt het “ik”. In hexagram 52 van de YI, Het Stilhouden, vind ik een diepere omschrijving van dit probleem. Ten tweede, het “ik” plaatst zichzelf, door te denken, steeds in het verleden! Het kan niet anders, omdat het denken “tijd” is; we vergelijken steeds met vroegere situaties, we vergelijken en meten, plaatsen tegenover meningen van anderen, meningen die ons zijn ingelepeld. Het denken is nooit nieuw -alleen HET is nieuw-. Het denken evolueert uiteindelijk naar verveling en onbehagen (hexagram 47), omdat het zijn bron (hexagram 48) verloren is, nl. HET. Er is geen “ik”, slechts HET. Niet “ik” leef, maar “HET” leeft in mij. Zolang dit bewustzijn of dit besef er niet is, bots ik met het verleden, met mijn “ik”, dus met mezelf, en dit creëert een conflict, maar HET is niet in conflict, want HET is EEN en AL. Denken is nooit stil, want denken is bewegen. Denken is nooit nieuw, nooit stil en nooit vrij. Alleen de achterliggende Geest is stil, is nieuw en is vrij. Omdat het vrij is, is het liefde, want in liefde is geen conflict. In denken is er altijd conflict, daarom kan denken nooit liefde zijn.

7. Nu begint HET: een individu moet als jongeling een “ego” opbouwen, liefst een dik en groot “ik”, want hoe kan ik ego-loos zijn als er geen ego is? De illusie van een “ik” is in een eerste fase nodig. Een jongeling wil de godheid (dat wat is) veranderen en HET maken naar zijn beeld, maar wij zijn het zelf die gemaakt zijn naar het beeld van HET, niet andersom, net zoals de vissen uit de zee komen en de zee niet uit de vissen. Dan volgt de verveling, het onbehagen, de hunkering naar iets dat echt nieuw, verfrissend en levengevend is! Deze hunkering naar “Levend Water” groeit met de tijd, met de jaren. Ik vind dit verhaal terug in elke heldentocht, in vele legendes en mythen, maar ook in elk levensverhaal. Het “ik” wil namelijk TRANSFORMEREN, het “ik” WIL VERANDEREN en het “ik” wil GROEIEN. Elk individu heeft een “in zich-zelf geschapen doel”, een entelechie. De roep in zichzelf overstijgt evenwel het “ik”. In feite is de “zin” van elk menselijk bestaan het vrij-zijn van een doel. Met doel bedoel ik dan een “ik-doel” dat andere dingen nastreeft dan de entelechie, dan De Wil, dan HET. Na verloop van tijd ben je uitgekeken op de dagdagelijkse zogenaamde vernieuwingen, op de mode, de esthetiek, de veranderende meningen, de bezeten obsessie op een ander, op geld, op titels en ambities. “Er is niets nieuws onder de zon” klinkt het diep in de psyche. Het land wordt dor. De koning, die elk van ons in zijn eigen land is, ervaart woestenij en de koning is gewond tussen de benen; hij kan niet meer scheppen, ziet de zin niet meer. De levenskracht vloeit weg.

8. Dan is er de Testoewa, de bekering, de ommekeer, die noodzakelijk is en die een soort wedergeboorte nastreeft. Het “ik” wil immers:
a. “wat is” veranderen in het ideale, in een “zou moeten”; dit is een verzet tegen HET dat al IS. Er moet niets, want alles is reeds! We kunnen evenwel ont-moeten!
b. Het “ik” wil onderscheid maken tussen de zoeker en de gezochte. Het meent iets te vinden dat buiten zichzelf is: een heiland, een redder, een leer. Niemand vindt de “Graal”, omdat het individu zelf niet de juiste vragen stelt. Hij laat anderen de vragen stellen en de antwoorden geven. De vraag is al het antwoord! De vraag is een “bede” een gebed tot HET. In HET is geen conflict. Anders ontstaat er een vervreemding tussen “ik” en “jij” en “zij” en “wij”, tussen zoeker en het gezochte, tussen kijker en het bekekene.
c. Het “ik” wil “worden”, iets worden wat het niet is, of “worden” doorheen de tijd, die ook niet is! Zo weerstreeft het “ik” met zijn kleine kinderlijke wil de Grote Wil van HET.
9. Tussen Hemel en Aarde in staat de Mens. Ik word door en in HET gedragen. Vandaar de nood aan een gedrag dat zich gedraagt door te verdragen. Zo kan ik als raadpleger van de YI, als Edele, een roterende voorbeeldfunctie ontwikkelen waarbij er een evolutie plaatsvindt van Hard naar Hart, een woordenloze leer, want boeken en woorden zijn geen voorwaarde. Er is niets voorwaardelijks in HET. HET is onpersoonlijk, onvoorwaardelijk en onzijdig. Alleen al de aanblik van een voorbeeld is voldoende. Laat de woorden, doe HET! De dracht van HET is het gedrag van verdragen.

10. De eerste cirkel van blz. 1 toont de grote verhoudingen in het universum, waarbij de mens tussen het energetische en het materiële een positie inneemt die jongleert tussen orde en chaos, tussen een staat van Zijn en Niet-Zijn, tussen klaarheid en verwarring, tussen rede en hartstocht. In gedrag noemt de YI de woorden “Yuan Heng Li Chen”:
a. Vertrouwen in het onzichtbare = Yuan.
b. Loslaten van de materie is de geest bevrijden = Chen
c. Klaarheid in de werking van de Geest uit zich in Vergeven, zowel tegenover zichzelf als tegenover de andere = Li
d. Als ik juist kan oordelen, voed ik een hart dat vrij is van negatieve emoties = Heng.

11. De praktijk is een moeilijke zaak. Om in de wereld van de ervaringen een plaats te vinden en een handelen toe te passen dat in harmonie is met de universele orde, is het aangewezen de volgorde van Wen te bekijken die de concrete dagelijkse toepassing in het handelen uitbeeldt. In de tweede cirkel, het wereldse, kan ik bij elke vraag of elke handeling het volgende voor ogen houden:
a. De ommekeer (bekering) ontluikt door ballast weg te geven en mezelf vrij te maken. Vrij zijn is niet-hechten aan. Totaal bevrijd zijn is TOTALITEIT of is HET.
b. Als ik mezelf van ballast ontdoe, is er ruimte voor de wassing van de Bron. In de leegte is er ruimte voor de werking van de Grote Wil die de Bron is van alle leven. Deze bron is het fundament en de wortel van een “heel” bestaan en HET is de achterliggende kracht van de entelechie van elk onderdeel van het geheel.
c. Als De Grote Wil in mij in kracht toeneemt, kan ik ontwarren wat echt belangrijk is en is er licht in mijn leven. Door dit licht of inzicht ben ik werkelijk in staat tot Vergeven aan mezelf en daardoor aan anderen.
d. Als ik in staat ben tot Vergeven, kan ik mij uit de val van de materie bevrijden. Ik laat “wat is“ en ik laat de materie los, waardoor ik de Geest mee help bevrijden. Loslaten is HET laten! Omdat materie ook HET is, ga ik er zorgzaam mee om, kan ik delen met mijn omgeving, omdat niets meer van mij is.
e. Omdat niets meer van mij is, verdwijnt de ambitie, de drang tot strijd, het louter egoïsme en ben ik in staat om mij echt te verenigen met de ander(en), met het andere, met HET. In vereniging bestaat geen isolement en eenzaamheid en door het gedeelde HET ontstaat de innerlijke vreugde en een werkelijke tevredenheid.
f. Als ik mij in een dergelijke toestand bevind, zal ik een absoluut Vertrouwen bewaren in HET en ben ik bevrijd van “zorg en kommer” en ben ik “als de zon op het middaguur”. Het innerlijk gemoed van het “ik” probeert verdeeldheid te zaaien en geeft mij situaties op mijn weg die aansturen op denken, op twijfel, op strijd tussen “ik” en HET.
g. Het voorgaande juist inschatten is het echte voedsel voor een mededogend HART en het voedsel bewaren betekent een voortdurende scheppende houding aannemen waarbij het Grote Werk dagdagelijks plaatsvindt.
h. Want het Grote Werk Doen is de voltooiing, is de transformatie en is een staat van voortdurende meditatie. Nu is het land weer vruchtbaar en is de Koning de Edele die de YI raadpleegt.

12. Dus het toepassen van de YI is het toepassen van de achterliggende kracht, van HET, en het toepassen van HET is HET DOEN! Om HET te doen is er enkel aandacht nodig voor HET. Het kijken (vuur), de aanblik van, het gadeslaan van de chaos (water) bij mezelf, in mijn omgeving en in de natuur, brengt een orde aan het licht die stil is en deze stilte of orde is de Wortel, de Bron, het Voedsel voor elke vorm van leven. Zo is het kijken naar (vuur) de chaos (water) het proces van hexagram 48, de Waterput, naar hexagram 50, de Spijspot of TING. Ik heb inzichten nodig in de activiteiten van mijn “ik”. Als ik uitzoek wat die zijn; al mijn gewoontes, gebaren, misleidingen, fantasieën, verlangens, wrok, verwachtingen, angsten, toorn, enz., als ik echt kijk naar het woelige bewegen van dergelijke zaken, dan kom ik in een Stilte, die de wezenlijke Orde is, dan zie ik het innerlijk Wezen die al mijn handelingen bepaalt. Dat is de toepassing van meditatie: kijken naar de Orde achter de wanorde.

13. Aandacht verandert het aanschouwde en dus ook de kijker. Wie niet kijkt is de echte blinde en die zit vast, dus is hij ook de echte lamme, want kijken verandert de dingen, zoals het op subatomair niveau plaatsvindt waarbij materie verandert van golfjes naar deeltjes, naargelang er al dan niet een waarnemer is die kijkt.

14. Zo transformeert en sublimeert het “ik” zichzelf, door de oneindige ruimte binnen in te gaan, die dezelfde ruimte is als buiten uit. Door te kijken “sub specae aternitatis”, in een context van eeuwigheid, is er een “heilige onverschilligheid”, die heel gevoelig is, maar emotieloos, en waardoor de wereld een ander gezicht krijgt en waar, in plaats van verveling, aandacht is; in plaats van gehechtheid, vrijheid is; in plaats van versplintering, vereniging is en in plaats van ontworteling, een stevige vruchtbare gefundeerde grond.

15. Het onderricht en de overdracht van het voorgaande is het “Zijn Zelf” of “HET Zelf Zijn”. Elke dag gemakkelijk veranderen en eenvoudig tevreden, dat is de scheppende houding die tot voorbeeld geldt. Dan is het “ik” een Edele, die “de offerlepel niet laat vallen”, ook al woedt het leven in alle hevigheid, en die “vrij is van smetten” omdat hij alle dagen HET DOET.

16. “Wat heeft de natuur nodig te doen” als alles gedaan wordt? En als inzicht van mededogen de mens omkeert van Hard naar Hart, wat is dan de Blijde Boodschap anders dan dat wij gedragen worden en dat daardoor het gedrag niet anders kan zijn dan te verdragen. Zou dat een nieuwe hemel en een nieuwe aarde tot gevolg hebben? “Gelijk de zee onuitputtelijke diepte vertoont, zo is de Edele onuitputtelijk in zijn bereidwilligheid de mensen te onderrichten; en gelijk de aarde onbegrensd alle schepselen draagt en verzorgt, zo verdraagt ook de Edele de mensen en zorgt hij voor hen, zonder door grenzen van welke aard ook enig deel van de mensheid uit te sluiten”.

17. VERandering en TEvredenheid, gemakkelijk en eenvoudig: dat is de Weg van YI. In deze VERTE is plaats en ruimte voor alles, voor HET.

18. De YI stuurt niet aan op het volgen van een systeem, op het doen van oefeningen van een bepaalde leer, op het volgen van een meester, op vluchtsystemen, dogma's, wetten en rituelen. Het boek de I TJING of YI stimuleert werkelijk het aannemen van wat werkelijk is, nl. de werkelijkheid zelf, de dingen zoals ze nu eenmaal zijn, de Totaliteit, HET!

19. Religie is geloven en geloven is aannemen dat er IETS is of aannemen dat er NIETS is. Beide houdingen zijn gebaseerd op geloven, niet op weten. De YI is geloven door weten, namelijk weten dat de werkelijkheid is wat ze is: HET IS of de Totaliteit IS en dit HET houdt zowel “het Iets” als “het Niets” in, want HET is beide. Vandaar dat elk geloof geloven is in HET.

20. Waarom dan de YI raadplegen als alles is wat het is? Een filosofie heeft geen zin als zij geen uitdrukking vindt in de dagelijkse activiteiten. Daarop is de YI gericht, op de dagelijkse realiteit door te handelen, op HET. Door, met en via de YI, te kijken naar de verwarring, de vervlakking en de vervreemding ontstaat improvisatie; door het gadeslaan van mijn routine en verveling vind ik humor, en door het aanschouwen van stagnatie en verschaling groeit speelsheid en fantasie. Dat is het mysterie van de wet van synchroniciteit (het betekenisvolle toeval), de wet van entelechie (het in-zich-zelf geschapen doel), de wet van eniantiodromie (elk hoogtepunt slaat om in zijn tegendeel) en de wet van resonantie (elk volgt het hem verwante). Lood verandert in goud en de “mooiste kleren worden lompen”.

21. Om volledig gade te slaan, dien ik vrij te zijn van de druk van mijn beschaving, van mijn persoonlijke verlangens, mijn vooroordelen, mijn dromen en mijn angsten, want als ik niet vrij ben daarvan, ben ik gehecht en wie gehecht is aan iets scheidt het ene (mijne) van het andere (zijne) en daardoor is er conflict. Als ik in conflict ben, kan in niet in liefde zijn. Liefde is dus vrij zijn van gehechtheid. De vrije mens is de liefdesmens en de liefdesmens is mededogend. Hier eindigt en start HET, in de VERTE.

22. Maar de VERTE is NU. De VERTE is HIER. Tijd is denken. In meditatie probeer ik het denken stil te leggen, maar kan dat wel? Als denken alleen maar bewegen is, hoe kan ik beweging stilhouden? Als het stil is, is denken geen denken meer. Ik kan beter de Tijd laten, het denken laten denken zijn en mij richten op het geheel, “sub specae aternitatis”, in het licht van de eeuwigheid.

23. Want hoe dichter ik HET nader, hoe minder ik er over zal kunnen zeggen en hoe minder ik er over zal weten. HET is de ultieme paradox, HET Alles en HET Niets. Stel, ik praat met een vogel, zoals Fransiscus van Assisië wel eens deed. Als ik denkt dat ik met HET praat, dan heb ik het verkeerd voor. Ik lijk wel gek. Als ik echter denk dat u niet met HET praat, heb ik het ook verkeerd voor. Ik praat met HET en ik praat niet met HET. Waarom zou HET niet in een levend wezen als een vogel aanwezig zijn? Als ik echter al praat met HET, dan ben ik niet stil. Maar HET is ook stilte. Begrijpt u? Het is moeilijk om met de Totaliteit in contact te treden. Nochtans kan ik niet ontkennen dat de Totaliteit bestaat en dat de uitwerking ervan invloed heeft op hoe ik leef. We kunnen dus maar beter zwijgen over HET en het enkel hebben over de uitwerking. Dat is YI. Dat is I TJING. Dat is Het boek der veranderingen: de uitwerking van HET.

24. Nu is de cirkel rond. Wat is de YI? De I Tjing? Het boek der veranderingen? Een bijzonder vreemd boek dat antwoord geeft op onze vragen over natuur, wereld en mens. “Men ziet op de bodem van de ziel (psyche) het Goddelijke-Ene. In het teken Terugkeer ziet men de ZIN van hemel en aarde. Het is weliswaar nog slechts in de kiem aanwezig, niet meer dan een begin, een mogelijkheid, maar wel onderscheiden. Dit Ene onderkennen, betekent zichzelf onderkennen in zijn verhouding tot de kosmische krachten. Want dit Ene is de omhoogstijgende kracht van het leven in de natuur en in de mensen”. Dit Ene is de Bron dat Alles is, dus HET. HET te onderkennen is het Zelf onderkennen. De YI dient ter bevordering van de zelfkennis. Als ik weet dat HET onbegrensde het wezenlijke is, richt ik mij niet meer op wat niet van essentieel belang is.

25. In de oorsprong ben ik voortdurend in verandering en ben ik tevreden. Als ik de oorsprong verlies, verlies ik de kracht van de verandering en van de tevredenheid. Onschuld betekent oorsprong. Onschuld betekent gemakkelijk veranderen en eenvoudig tevreden zijn. Toch ben ik gekruisigd op het moment dat ik geboren ben: ik hang tussen orde en chaos, tussen dit en dat, want dualiteit is kruisiging. Zo heeft iedereen zijn passieverhaal dat het lijden bestaansrecht geeft. Als ik naar de oorsprong en de onschuld terugkeer door een ommekeer, dan ben ik wat ik altijd al ben geweest: vol betekenis, vrij, één en gegrond. Omkeren betekent terugkeren naar verandering en tevredenheid. Denken stimuleert onderscheiding, conflict en lijden, want denken IS dualiteit; het verdeelt het ene in het andere, dit in dat, maar in oorsprong is een toestand altijd “Ne-ti, Ne-ti”, “niet zus, niet zo”, “niet dit, niet dat”! In oorsprong is alles HET. Slechts door HET kan men zonder haast ijlen en zonder te lopen, het doel bereiken.

26. En de Zin van dit alles is precies vrij te zijn van een doel, want het doel is in zich-zelf.

27. Daarom is de Zin HET zelf, dus ook elke handeling die ik doe en elke betekenis die ik aan Iets of aan Niets geef.

28. Want mijn natuur is de cultuur die ik produceer en reproduceer, dat is mijn scheppende houding in de wereld; onversaagd en blijmoedig.

29. Zo is HET zowel oorzaak en basis als gevolg en vrucht.

30. Maar dit concept is slechts concept, uit het denken ontstaan, waarmee het “ik” zich van zichzelf kan bevrijden door reflectie (transpersoonlijk), wat louterend werkt en een katharsis met zich meebrengt door het dagelijks experiment van kijken, dus van aandacht, wat meditatie is, en wat betekent dat ik HET DOE in HET, in Stilte, in Orde, in Liefde!


Hexagrammenlijst

Hexagrammenlijst

Nr. Naam Onder Boven
1 Het Scheppende Hemel Hemel
2 Het Ontvangende Aarde Aarde
3 De Aanvangsmoeilijkheid Donder Water
4 De Jeugddwaasheid Water Berg
5 Het Wachten Hemel Water
6 De Strijd Water Hemel
7 Het Leger Water Aarde
8 De Aaneengeslotenheid Aarde Water
9 Temmende Kracht van het Kleine Hemel Wind
10 Het Optreden Meer Hemel
11 De Vrede Hemel Aarde
12 De Stilstand Aarde Hemel
13 Gemeenschap Met Mensen Vuur Hemel
14 Bezit van het Grote Hemel Vuur
15 De Bescheidenheid Berg Aarde
16 De Geestdrift Aarde Donder
17 Het Navolgen Donder Meer
18 Het Werk aan het Bedorvene Wind Berg
19 De Toenadering Meer Aarde
20 De Beschouwing Aarde Wind
21 De Doorbraak Donder Vuur
22 De Bekoorlijkheid Vuur Berg
23 De Versplintering Berg Aarde
24 De Terugkeer Donder Aarde
25 De Onschuld Donder Hemel
26 Temmende Kracht van het Grote Hemel Berg
27 De Voeding Donder Berg
28 Overwicht van het Grote Wind Meer
29 Het Onpeilbare Water Water
30 Het Zich-Hechtende Vuur Vuur
31 De Inwerking Berg Meer
32 De Duurzaamheid Wind Donder
33 De Terugtocht Berg Hemel
34 De Macht van het Grote Hemel Donder
35 De Vooruitgang Aarde Vuur
36 De Verduistering van het Licht Vuur Aarde
37 Het Gezin Vuur Wind
38 De Tegenstelling Meer Vuur
39 De Hindernis Berg Water
40 De Bevrijding Water Donder
41 De Vermindering Meer Berg
42 De Vermeerdering Donder Wind
43 De Doorbraak Hemel Meer
44 Het Tegemoetkomen Wind Hemel
45 Het Verzamelen Aarde Meer
46 Het Omhoogdringen Wind Aarde
47 De Benauwenis Water Meer
48 De Waterput Wind Water
49 De Omwenteling Vuur Meer
50 De Spijspot Vuur Wind
51 Het Opwindende Donder Donder
52 Het Stilhouden Berg Berg
53 De Geleidelijke Ontwikkeling Berg Wind
54 Het Huwende Meisje Meer Donder
55 De Volheid Vuur Donder
56 De Zwerver Berg Vuur
57 Het Zachtmoedige Wind Wind
58 Het Blijmoedige Meer Meer
59 De Oplossing Water Wind
60 De Beperking Meer Water
61 De Innerlijke Waarheid Meer Wind
62 Overwicht van het kleine Wind Meer
63 Na de Voleinding Vuur Water        
64 Voor de Voleinding         Water         Vuur

Literatuurlijst

In eerste instantie wou ik een uitgebreide literatuurlijst aanleggen, maar blijkt dat deze of te lang zou worden of dat ik boeken en auteurs over het hoofd zou zien. Daarbij, ik vind een literatuurlijst niet erg zinvol, want hoe leuk het ook is om in boeken kennis en wijsheid te vinden, ze zijn soms ook een vluchtweg, zodat verandering in denken wel plaatsvindt, maar niet in actieve schepping, in handeling, in Zijn.
De I Tjing van Richard Wilhelm is voor mij de standaard. Han Boering en zijn I Tjing voor de 21ste eeuw is ook van fijne kwaliteit.
Andere actuele I Tjing-kenners zijn Rudolf Ritsema, Stephen Karcher, Alfred Huang, Karen M. Hamaker-Zondag, Harmen Mesker en Joop Van Huizen. Er zijn er natuurlijk meer, en ik heb het nu louter over ons taalgebied. In het buitenland verschijnen elk jaar goeie en minder goeie boeken met betrekking tot I Tjing.
Behalve de I Tjing, is kennis van randdisciplines vrij nuttig, omdat deze u in de mogelijkheid stellen om meer associaties te maken met de beeldspraak die in de I Tjing gangbaar is. Komt in aanmerking: alchemie, mythologie, boeddhisme, hindoeïsme, taoïsme, confucianisme, islam, christendom, joodse cultuur, geschiedenis, sprookjes, gnostiek, hermetiek, zoroastrisme, literatuur en andere kunsten.
Favoriete auteurs van mij zijn: Carl Gustav Jung, Lau-Tze, Tsjwang-Tze, de Dalai Lama, Shunryu Suzuki, Krisnamurti, Marie-Louise von Franz, Jean Shinoda Bolen, I. Khan, Ken Wilber, Erik van Ruysbeek, Maarten Timmer, J.C. Cooper, Etty Hillesum, Isabelle Eberhardt, Emily Dickinson, Alexandra David-Neel, Wislawa Szymborska, Baltasar Gracian, Arthur Schopenhouwer.

Schaf die I Tjing van Wilhelm aan en u bent al een heel eind ver. De rest is …zwijgen…