Volliefdigheid


Prelude

rennen is zo stom, en dan
dat strakke pakje, die pet,
de drugs en de helden;
ze zijn de eelt aan de voet

het goede haast zich niet
want je opent traag je bh
en wat verschijnt is aarde

elk vereren is een verraden

het moet, in stukken
gezegd en geschreven
de zeeën zijn dieper
de bergen veel hoger
en de velden weidser
dat is toch klaar

maar thuis was er ambitie
de wil om ergens te komen

en jij zocht naar wie liefhad







Wegen

1

je had niet te klagen
en toch ben je weggegaan
alles liet je achter je
want een zwaan die vliegt
die kijkt niet om
het is de ijle lucht
die haar toch blijft dragen
er is geen reden voor

maar je vond iemand onderweg
woorden zijn de leugens
-zoals al de goden-
het kon zo anders
dan dit huis en dit gezin
een boek uit China
een eerste zoen, zoekend
achter al die taal

daar ligt het immense liggen







2

de waanzin openbaren
dat is slim, elke dag

iets binnenin, is gerijpt
nu waait het zand voorbij
en de dagen zijn geteld
zij ontbotten in geuten

uit de klem van het denken
tot aan het zien zelf, en ook
tot bij al die andere zelven,
in Wijtschate en in de heuvels van
het polderland; ’s nachts wonen
daar de soldaten en hun geesten

jij wou hem beminnen,
maar hij vluchtte naar af







3

hand in hand naar het licht
de rooilijn liegt niet, nergens
is de schijn op de liefde zo teer
als in die weke stilte van het blijven

zij barst van leven, van het ongerijmde,
daar, in dat ongekende, dat ongehate
in dat samen, dat oerknal zijnde
als er iets niet paste,

dan was het hem en zij
de eerste jaren tussen beiden
waren als een vleugje kruit
tegen een gewelf van sterren

het is nu zo
dat de wind in de tijd
een kloof blaast
tussen hen in
en er groeit een soort van grijpen
als van een peuter naar de zon







4

een verzinsel allicht, een schicht,
als de dag zelf; het nieuws, de ogen,
hoewel, er is geen andere weg
want al het andere is dwaal
wegen op het hart
op dat wat is, of op het gemis,
het tekort, en het van her naar der

verhuizen is veranderen, en in
Tyne Cot wou hij een zerk oplichten
om het aan haar te tonen
maar er viel niets te vinden in een man
de strijd en de bijl waren er niet begraven
hij had haar niets te leren
hij lag in bad en zij wou vrijen
buiten woei de wind in grote bomen







5

het is geen dichter of man
niet wat ge al kent of lief hebt
dan slechts de drang naar drift
en de huizen bergen de lijken
de tijd dekt toe wat went
of ze zingt melige liederen,
en steeds diezelfde mantra’s;
de hoop, dronkenschap en spam

ze liggen nu opgebaard, in Wissant
aan het water, de slangen
in wit en in helder, maar
nooit is er daar een blijven,
want zee is zee
en de wolken aan de einders
zijn overal eender
er hangt een zweem van liefde







6

de twee kinderen zijn er
en de daarbij horende strijd
maar samen wonen heeft iets
is het veelvoud of enkel dit;
een geven en nemen, zonder méér
als paddestoelen in de regen
zij leren ons wie zij zijn
en de sporen laten weinig achter

het is een doen zonder denken
als iets dat geen ego is, maar
hoe zeer is al het woorden
de beelden, de vormen
verwrongen in de getelde dagen
nooit eens is er iets echt geboren-zijn
een als voor altijd nieuw, en zelden
verrijst een iets of iemand zoals jij







7

zonder trein, gif of kogel
al de wegen, elke wil is
verdwalen, is techniek
het is moord op de doden
het zien zelf is al vrij zijn
zo’n schoonheid duldt geen ik
er is geen wijken aan
al het verzet moet staken

in Spanje vond zij geen Sint
wel Gaudi en furie, en ruzie
soms, tussen twee dagen door
was het warm en wachtte hij
onder een dak dat schaduw bood

de kwallen kwelden zwemmers
op de keistranden van de Costa’s







8

voor zover wat is ook echt bestaat
is ziel, kommer en al het zelvige
slechts een, in rust, voort bewegen
niets ontspringt de dans, de bron;
de goden, sporten en liefdes niet
maar lidle by lidle raakt alles
daar buiten –op aarde-
helemaal uitverkocht

de bergen boden al hun gaven
de kleine stad, de markten

er is geen orde in de zinnen
zoek er niet naar, ze komen zelf
een voet, zinkend, stilleven
de wind vanachter, vanonder
het stof vandaan
de dode tijd, verleden,
geheeld
dààr komt het vandaan







9

gelukkig bruist de zee opnieuw,
als zilverriet
gebed in de stilte
alsof schuim er de spot mee drijft
en het nieuwe leven wekt
zonder een verleden,
en als er nu eens geen woorden waren
maar enkel dàt zilver en grijs

het geluid van stemmen stoort hier niet
al is het veel klank voor wat leegte;
gekakel van gepeupel, zongebrand

en alles, zie, in één moment verenigt;
een kind, een hond -wat zuiver- en alleen
boven het azuur, het zilt, het sobere zijn
hier boven op, er onder door, en boven al
jouw zwarte haren in de gezegende wind







10

is er een vrij zijn?
de mot zit er in,
in de spin in huis
ze eet niet meer
het is een web aan flarden
en in de kamer hoort muziek
en de franjes en jouw billen
zonder een zelf
weegt nu de liefde door

ontneem dit alles niet
maar ontken wat is gekend
en al de rest rust in je
als de kiem in ontluiken
als een blad, een notelaar
de zwarte vlekken, het vlees
en de groene vruchten

dus in Volterra ligt zijn geheugen







11

de camper is de kleine hut
een wereld op vier wielen
maar stel dat dit het laatste is
het einde van een samen
dan is het een sterven
dat we zelf zijn aangegaan
bloedvlekken en een dode mug
op het plafond, mét jouw schaduw
het is een open schuiloord
naar buiten toe gericht

de stress raakt niet aan je lijf
gesterkt door deze genade
op het scherpst van deze zegen
deelt je huid in de klappen
en al het sap, het leven,
al wat in je is, spuit er uit
je rolt je lichaam om en om
wie er niet bij kan
is grenzeloos verloren







12

je bent zo soeverein
en ik zo vandaal
dat het geen zicht is
je tong twijfelt even
zoals Caesar ooit
of hij Rome wel wilde
je vraagt je af
of je hem wel zal bewaren

het is de stad Calvi
je kijkt er op uit
je ligt gespreid
in stukken kiezel
en mossel, vis, krab, kreeft

ik wissel enkel van blik







13

Corsica is echt het einde
onze wereld reikt niet ver
toch zijn er zo weinig die weten
wat wij ooit hebben doorzien

mocht men jou dit ontnemen
treur niet om zijn dorheid
als de winter is geboren
dat brengt ons blootloos
bij al die zaken
die vanzelf, van binnen uit,
naar ons toe komen
het is de stilte, de liefde

en niet iets anders







14

je smeekt om de eed van de dag
de lauweren rusten niet
een teken brengt geen soelaas
je bent er niet om te bedaren
Je zegt: voor minder ga ik niet
en zelden is de zon zo bol
als in het rood van jouw kleed
er volgt een beamen, en je lacht
het trillen is deels een samen

strikt gewogen is je denken te zwaar
in het land van mannen. Wel
leeft het onder ons, het wilde,
en de dans van de woorden

het nat tussen je dijen
is het mistige rijk
waar alles is
wat hem ooit werd verboden

daar kan geen ander bij







15

zoals al de vrouwen
hou je van geld, huizen,
juwelen en kleren
maar het licht in je ogen
waarin het heelal zich weerkaatst
dat kan geen bezit zijn
noch een verlangen
wat er geldt
is wat je zegt: blijf nog even







16

er moet voor jou een veilig zijn
als een in steen gebeiteld staan

helder generfd is haar liefde
waarin een telkens zo zuiver,
zonder wraak of wichelen
je alles plant, heel afgelijnd, en
liefst maak je afspraken;
ketens van verbond, kralen
tatoeages op de arm van de wet

in Chambord, aan de Loire,
is de salamander de baas

jij ziet het anders
je zegt: vroeger is dood
en de baas, dat ben ik







17

geen tabak, alcohol of weed
niets van dit alles is gebleven

wat heb je van hem gemaakt?
een peul in jouw schelp, een
parel en een verloren aandeel

ondanks dat is wat rest een zege
de liefde die je zocht
dat ben je zelf gebleken







18

het huwelijk werd voltrokken
het was oogst
zonder voorganger of wethouder
de lucht was hun getuige

hoe ademt een worm nog in al deze aarde?

en toen, met de genodigden er bij, je was
van slag, en hij ging bakboord liggen, toen al
wees de tijd op al die wegen, die men achter laat

op zich was er boeg noch haven
het was volliefdigheid







19

ons huis is van passief
de kachel is er lichaamsvuur

het denken moet ophouden
tradities over boord gegooid
al wat vroeger is moet slopen
want tijd is altijd het verleden
maar verleden ruikt naar de lijken

bouwen is bedrogen worden
maar aan jou, is al wat vals is
als een Tibetaan op Tienanmen

ook later is herhalen
een molen klapt zijn wieken
dit ogenblik is aan jou gewijd







20

hij zegt: je moet eten
hoe meer er jou is, hoe liever

de ballon zweeft over
is groen en de honden blaffen
de weinige wind is mild
en er zijn zwaluwen

het is een ander jaar
dezelfde gewoontes
patronen en ozon
een oude man in straat
een dode koe in de weide
opgezwollen en uitgeleefd

voor de grote witte molen
wemelt het van de wilgen
de wieken wuiven terug
hij zit neer
hij wacht op haar

niet al wat leeft kan blijven







Naar de sterren

1

naar de sterren reizen
een terug gaan
naar waar het ooit begon

wat komen moet staat
aldus niet in de sterren

wat is, een oud verhaal,
is steeds een weer herhalen

als hij terug keert naar haar
komt hij dan bij later uit







2

iets waakt over haar

het bolle hoofd
ligt welgemutst
in grijpgrage handen
en de herfst,
purperder dan ooit,
op een vrijdag. Avond.

hij fluistert goud
als bezweren







3

waar hij naar zoekt
hoe het verder moet
nu zonder jou
stel je voor

elkeen kan verrijzen
daar is niets bijzonders aan

maar voor je inslaapt
zucht je zacht
in de nacht
en de stilte erna
als een zoete vis
op de beste wijze

zo lig je daar







4

in de ochtend woelen de mollen
in het schemer, op de achtergrond
speelt de maan met dromen

je kijkt voor je uit
en daar ligt een film
met fragmenten
die men moeilijk
aan diggelen slaat

in werkelijkheid de tuin, en
de fistels van paardebloem
gooit ze voor zich uit, op adem
en ze waaien in het wilde weg

ze voegen de stenen dicht
van de muur tussen
hier en heden







5

De rijp op het gras
geurt naar vrouw
en het glinsternat
is van engelen

de taal klinkt zo arm. Het
zijn onvolmaakte aria’s
en hij, als castraat,
leeft tussen de hoeren

nu komt ze binnen
ze oogt zo mooi
na al die jaren
is er niets verloren







6

ze straalt met één vinger
over de rand van het glas
waar wijn in zit. Kan hij

de tijd nog schragen
met iets dat niet
een verlangen is, en
ook geen herinnering

zij veilig aanbeland
en hij gerust gesust

in de aarde rest het delven







Slot

maar een dief, met kruimels
blijkt zelden tevreden. Hij zal haar

niet kunnen verbranden
de mond als gesnoerd
en hij ergens achter gelaten
met vlooien in de geest

in feite is hij al begraven

grijp naar de verzen,
als een zonderling
kantel ze keer na keer
verwissel ze onderling
snuister ze maar uit

het is niet omdat men deze leest
dat men zelf in lichter leven staat

en ook ik ben maar een bedelaar
die niet weet wat geven is